De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.8.1:17.8.1 Inleiding; HR 1 februari 2002
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.8.1
17.8.1 Inleiding; HR 1 februari 2002
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366535:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
NJ 2002, 195. Zie in beschrijvende zin over het arrest Van Mierlo, AA 2002, p. 900.
R.o. 3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wij zagen dat het Duitse recht een bepaling bevat die aan onderhandelingen hemmende werking toekent: § 203 BGB. Hij luidt — ik noemde hem al, maar citeerde nog niet:
"Schweben zwischen dem Schuldner und dem Gläubiger Verhandlungen über den Anspruch oder die den Anspruch begründenden Umstände, so ist die Verjährung gehemmt, bis der eine oder der andere Teil die Fortsetzung der Verhandlungen verweigert. Die Verjährung tritt frühestens drei Monate nach dem Ende der Hemmung ein."
Het Nederlandse stuitingsrecht kent een dergelijke bepaling niet. Sterker, de Hoge Raad heeft bepaald dat onderhandelingen op zichzelf de verjaring niet stuiten. In het bewuste arrest van 1 februari 2002 speelde het volgende.
Een patiënt is op 21 september 1981 aan zijn rug geopereerd. De patiënt meent dat de opererend arts een kunstfout heeft gemaakt en stelt hem bij brief van 26 augustus 1988 aansprakelijk. In de jaren na 26 augustus 1988 vindt over de vordering discussie plaats tussen de (advocaat van) de patiënt en de verzekeraar van de arts, zulks onder meer op basis van deskundigenrapportages. Onder andere is er een verslag van een onderzoek door een arbeidsdeskundige van 24 april 1992 (zijnde minder dan vijf jaar na 26 augustus 1988). De patiënt dagvaardt de arts bij exploit van 21 december 1994 (zijnde meer dan vijf jaar na 26 augustus 1988).
De arts stelt zich op het standpunt dat de vordering is verjaard, omdat de patiënt niet binnen vijf jaar na de aansprakelijkstelling van 26 augustus 1988 een stuitingshandeling heeft verricht. De patiënt wil daartegenover de gedachte ingang doen vinden dat de "onderhandelingen" tussen hem en de arts stuitende werking hebben gehad. Te dien aanzien overweegt de Hoge Raad:1
"Ingevolge artikel 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Naar blijkt uit de in de Conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 aangehaalde wetsgeschiedenis is het de bedoeling van de wetgever geweest dat ook ingeval partijen in onderhandeling zijn, nog steeds geldt dat voor stuiting van de verjaring een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 is vereist. Dit geldt ook ingeval, zoals hier, aan de onderhandelingen een aansprakelijkstelling is voorafgegaan, die op zichzelf genomen de verjaring heeft gestuit, zodat vervolgens een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen. De opvatting van [het] onderdeel (...) dat (na een voorafgaande aansprakelijkstelling) onderhandelingen op zichzelf de verjaring kunnen stuiten, kan derhalve niet als juist worden aanvaard."2
Wij zien dat de Hoge Raad zijn oordeel dat onderhandelingen op zichzelf niet stuiten motiveert, eigenlijk uitsluitend door verwijzing naar de parlementaire geschiedenis. De A-G had de Hoge Raad met de volgende passage op dat spoor gezet:
"In aansluiting op het oude recht was (...) in een eerdere versie van art. 3:317 bepaald dat de verjaring slechts kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning. Pas bij de Invoeringswet werd bepaald dat de verjaring ook kan worden gestuit door "een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt". In de MvT Inv. (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5, en 6), p. 1418) is deze wijziging als volgt toegelicht:
"Het oorspronkelijke lid 1 kende slechts stuiting door een schriftelijkeaanmaning. In een situatie waarin partijen met elkander in onderhandeling zijn of anderszins de verhouding tussen hen wellicht noopt tot terughoudendheid met het eisen van nakoming op korte termijn van een vordering die vooralsnog betwist wordt, kan echter een aanmaning een voor de schuldeiser minder passend middel zijn om zijn rechten veilig te stellen. Toegevoegd is daarom de mogelijkheid om de verjaring te stuiten door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt."
Uit deze passage blijkt dat ook ingeval partijen in onderhandeling zijn getreden nog steeds geldt dat voor stuiting van de verjaring een schriftelijke mededeling van de schuldeiser is vereist waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze zich zijn recht op nakoming voorbehoudt."
Inderdaad lijkt de wetgever onderhandelingen op zichzelf onvoldoende te hebben gevonden om de verjaring te stuiten. Dat volgt uit de aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting: als onderhandelingen volgens de wetgever hadden gestuit, zou hij "In een situatie waarin partijen met elkander in onderhandeling zijn" iedere nadere stuitingsmogelijkheid overbodig vinden, terwijl hij integendeel de onderhandelingssituatie noemt als reden om er aan de bestaande nog een toe te voegen. Zo is dus wel navoelbaar dat de A-G de Hoge Raad adviseert aan onderhandelingen geen stuitende werking toe te kennen, en dat de Hoge Raad dienovereenkomstig beslist.