Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.4.6
2.3.4.6 Toekenning van bevoegdheden: toepassing op de rechtsfiguren waarbij een derde andermans recht uitoefent
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591837:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:246 lid 1 en lid 2, 3:248 en 3:253 jo 3:255 BW.
Zie Mv A II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773; vgl. daarover Zwalve 1983, p. 716 e.v.
Zie Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 547; Rank-Berenschot 1997b, par. 3.3 (p. 48). Vgl. Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 353.
Zie Verdaas 2008a, nr. 35.
Zie Verdaas 2008a, nr. 388 (en vgl. de uiteenzetting in par. 12.6.2) respectievelijk nr. 363. Vgl. ook hierna nr. 200 en nr. 245-246.
Hetzelfde geldt voor de inningsbevoegdheid van de pandhouder (vgl. Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 547). Gelet op art. 3:246lid 1 BW is de toekenning van de beheersbevoegdheid niet nodig om de pandhouder inningsbevoegd te laten zijn.
Zie Verdaas 2008a, nr. 353, laatste alinea en nr. 444. Vgl. ook hierna nr. 474.
Zie hierna nr. 468-469.
Zie met name art. 477lid 1 en 4, 477a lid 4 en 474bb lid 1 Rv.
Zie o.a. de bevoegdheden genoemd in art. 3:210, 3:207 lid 1 en 3:217 BW. De vruchtgebruiker heeft bovendien het recht van vruchttrekking (art. 3:216 BW): hij wordt de rechthebbende van de burgerlijke vruchten van de in vruchtgebruik gegeven vordering.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 588-589, en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 130; respectievelijk T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 581. De beheersregeling blijft om die reden ook in stand in het faillissement van een der deelgenoten, anders dan bijvoorbeeld een last tot inning die aan een der deelgenoten is gegeven.
Zie o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 581; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 589.
Vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 588; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 138. Art. 3:169 BW ziet op het gebruik (zaken) en blijft om die reden buiten beschouwing.
Art. 25 Wn en art. 19 GDW zijn vrijwel gelijkluidend. Ik beperk mij hierna tot art. 25 Wn. De kwaliteitsrekening is geen toepassing van art. 7:423 BW. Zie Bartels 2006 en Struycken 2007, p. 534, die heiden terecht stellen dat de bevoegdheid van de notaris niet eindigt bij het faillissement of het overlijden van zijn cliënt. Art. 7:420 BW is niet van toepassing. Anders: Steneker 2005, p. 221-223 en p. 256 (en vgl. p. 206-207, 212 en 214). In het geval van het faillissement van de notaris als rekeninghouder wordt zijn waarnemer in zijn plaats bevoegd. Zie Kamerstukken II 1997-1998, 23 706, nr. 12, p. 27; nog anders: Kamerstukken II 1995-1996, 23 706, nr. 6, p. 45, waar de curator in het faillissement van de notaris het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening kreeg toebedeeld.
Zie Kamerstukken II 1995-1996, 23 706, nr. 6, p. 45. Aan hem had evengoed het bestuur over de kwaliteitsrekening kunnen zijn toegekend. De kwaliteitsrekening is deels geïnspireerd op de Wet giraal effectenverkeer (Wge). Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 32-33. Art. 11 Wge en art. 36 Wge kennen aan de aangesloten instellingen respectievelijk het centraal instituut echter (alleen) de beheersbevoegdheid toe. Vgl. Schim 2006, p. 62 en p. 112 e.v.; en Biemans & Van Leeuwen 2003, par. 2, nt. 14.
Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 32.
Vgl. HR 29 april2005, JOR 2005/180, m.nt. A.I.M. van Mierlo.
Zij hebben daarmee meer bevoegdheden dan de gefailleerde. Dit laat zich mogelijk verklaren door het gegeven dat de erfgenamen niet de aanstichter zijn van de insolventie.
Zie daarover Asser/Maeijer 2-11 1997, nr. 155 e.v.
De bepaling had om die reden, in overeenstemming met art. 68 Fw (faillissement), art. 4:144 lid 1 BW (executele) of art. 4:211 lid 1 BW (vereffening van een nalatenschap), ook als volgt kunnen luiden: de vereffenaar is bevoegd tot het beheer en de vereffening van het vermogen van de rechtspersoon; hij is niet tot meer bevoegd dan waartoe de bestuurder bevoegd zou zijn geweest.
Zie art. 1:97lid 1 BW, en art. 1:90-1:91 BW.
Zulks in afwijking van de tekst van de wet, waarin de begrippen beheer en beschikking worden gebruikt (vgl. voor de maatschap art. 7 A:1673-1675 BW). Zie o.a. Asser/Maeijer 5-V 1995, nr. 104 e. v. Zie voor het komende recht de ontwerpregeling in Titel 7.13 BW, waar ook het begrip bestuur wordt gehanteerd (art. 7:809 e.v. BW). Zie daarover Asser/Van Olffen 7-VII* 2010, nr. 74 e.v.
46. Het voorgaande wordt hieronder toegepast op de in par. 2.3.2 genoemde rechtsfiguren waarbij een derde andermans recht uitoefent.
De bevoegdheden van de pandhouder in de wettelijke regeling van pand zijn beperkt tot een aantal exclusieve bevoegdheden die hoofdzakelijk gericht zijn op het te gel de maken van de vordering en het zich verhalen op de opbrengst.1 De bevoegdheden beperken zich derhalve tot 'technische' bevoegdheden. Aan de pandhouder is niet de beheersbevoegdheid is toegekend. In de parlementaire geschiedenis wordt daarover opgemerkt:
"In het algemeen behoort de bevoegdheid tot het verrichten van deze rechtshandelingen die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen, bij de pandgever te blijven. Anders dan b.v. bij het vruchtgebruik het geval is, is de – immers niet tot het genot gerechtigde en in beginsel evenmin beheer voerende – pandhouder alleen in het aan hem verpande geïnteresseerd, voor zover dit hem zijn vordering waarborgt. Slechts bevoegdheden die dit belang dienen- men zie b.v. het vierde (thans tweede) lid-, behoren hem mitsdien te worden toegekend."2
Uit de passage volgt dat de wetgever terughoudendheid heeft willen betrachten in het toekennen van bevoegdheden aan de pandhouder en hem niet de beheersbevoegdheid heeft willen toekennen, omdat hij "alleen in het aan hem verpande [is] geïnteresseerd". Zijn bevoegdheden zijn beperkt tot de bevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de tegeldemaking van de verpande vordering.
In de literatuur wordt soms (naar mijn mening ten onrechte) opgemerkt dat de pandhouder het beheer zou hebben over de aan hem verpande goederen,3 of dat de pandhouder "de met de inning verband houdende beheersdaden [mag] verrichten".4 Met name Verdaas heeft betoogd dat de pandhouder beheersbevoegd zou zijn. Voor het aannemen van deze bevoegdheid zijn in de wet, parlementaire geschiedenis en rechtspraak echter geen aanknopingspunten te vinden. De toekenning van deze bevoegdheid aan de pandhouder heeft in de door Verdaas gegeven voorbeelden bovendien geen toegevoegde waarde en kan daarom evenmin overtuigen. De pandhouder kan volgens Verdaas op grond van de (veronderstelde) beheersbevoegdheid de aan de verpande vordering verbonden zekerheidsrechten uitoefenen. Ook kan de pandhouder volgens Verdaas op grond van zijn (veronderstelde) beheersbevoegdheid de vordering door opzegging opeisbaar maken.5 Dat de pandhouder hiertoe bevoegd is, volgt reeds uit het arrest Rabobank/Stormpolder respectievelijk uit art. 3:246 lid 2 BW. De beheersbevoegdheid hoeft hier niet aan te paste komen.6 Volgens Verdaas mag de pandhouder geen rechtshandelingen verrichten die de rechtspositie van de pandgever ingrijpend beïnvloeden, zoals (anders dan door parate executie) het beschikken over het verpande goed, bijvoorbeeld door het doen van afstand van de vordering of het treffen van een minnelijke regeling met de schuldenaar, omdat deze handelingen niet als een beheersdaad zouden zijn aan te merken.7 Uit de beheersbevoegdheid kan echter juist wel voortvloeien dat de beheersbevoegde afstand kan doen van de vordering of een minnelijke regeling met de schuldenaar kan treffen.8 De conclusie van Verdaas stemt in dit geval niet overeen met de (veronderstelde) beheersbevoegdheid van de pandhouder. De beslaglegger en de deurwaarder hebben een aantal exclusieve bevoegdheden die zich tezamen het beste laten vergelijken met de bevoegdheden van een openbaar pandhouder. De bevoegdheden zijn net als bij pand afgestemd op de uitwinning van de vordering.9 Net als bij pand is bij executoriaal derdenbeslag aan de beslaglegger of de deurwaarder niet de beheersbevoegdheid toegekend.
47. Aan de vruchtgebruiker is de beheersbevoegdheid exclusief toegekend (art. 3:207 lid 2 BW). Daarnaast zijn aan hem een aantal technische bevoegdheden toegekend, veelal exclusief.10 Hij is in beginsel alleen gezamenlijk met of met toestemming van de hoofdgerechtigde beschikkingsbevoegd, voor zover de beschikkingshandelingen geen beheershandelingen zijn (art. 3:207 lid 2 BW en art. 3:212 BW).
Bij 'gewone' gemeenschappen volgt uit art. 3:168 t/m 3:171 BW dat de deelgenoten in beginsel gezamenlijk beheersbevoegd zijn, tenzij krachtens een beheersregeling de beheersbevoegdheid privatief aan een of meer van hen is toegekend (art. 3:168 jo 3:170 lid 2 BW). Een beheersregeling bepaalt nader de inhoud van het recht van ieder der deelgenoten en is bindend voor de rechtsverkrijgenden van een deelgenoot.11 Beschikkingshandelingen die geen beheershandelingen zijn kunnen alleen gezamenlijk worden uitgeoefend (art. 3:170 lid 3 BW).12 Ten aanzien van een aantal handelingen is bepaald dat de deelgenoten deze zelfstandig kunnen uitoefenen (art. 3:170 lid 1 BW, art. 3:171 BW).13
Bij bewind wordt in alle regelingen aan de bewindvoerder naast een aantal technische bevoegdheden de beheersbevoegdheid toegekend (zie art. 1:438 lid 1 BW, art. 3.6.1.4a Ontw. BW en art. 4:166 BW). Ten aanzien van beschikkingshandelingen die geen beheershandelingen zijn, volgt uit de regelingen dat de rechthebbende daartoe alleen met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de kantonrechter bevoegd is (zie art. 1:438 lid 2 BW, art. 3.6.1.4b Ontw. BW en art. 4:167 lid 1 BW).
Bij de kwaliteitsrekening (art. 25 Wn en art. 19 GDW)14 is de rekeninghouder in zijn verhouding tot derden, met name de kredietinstelling waarbij de kwaliteitsrekening wordt aangehouden, bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening.15 In de onderlinge verhouding met de belanghebbenden is de rekeninghouder tot veel minder bevoegd. Hij is in beginsel alleen bevoegd tot het verrichten van girale betalingen met toestemming van de belanghebbenden (art. 25 lid 2 derde zin Wn). Deze beperking tast zijn externe bevoegdheid niet aan.16
48. De curator is exclusief belast met het beheer en de vereffening van de faillissementsboedel (art. 68 Fw).17 Naast deze bevoegdheden heeft de curator verschillende, andere 'technische' bevoegdheden ten aanzien van de goederen in de boedel. De gefailleerde verliest op grond van art. 23 Fw de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen. Ook kan hij het faillissementsvermogen in beginsel niet binden (art. 24 Fw).
De vereffenaar heeft tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen (art. 4:211 lid 1 BW), hetgeen vergelijkbaar is met de taak van een curator. Hij is daartoe exclusief bevoegd. De erfgenamen zijn op grond van art. 4:211lid 2 BW niet bevoegd om zonder medewerking van de vereffenaar of machtiging van de kantonrechter over de goederen van de nalatenschap te beschikken.18
Bij de afwikkeling van een nalatenschap heeft de executeur op grond van art. 4:144 lid 1 BW tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden vaan de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan (art. 4:144lid 1 BW). De bevoegdheden van de erfgenamen zijn op vergelijkbare wijze beperkt als de bevoegdheden van de erfgenamen in een nalatenschap die wordt vereffend.
Bij de vereffening van een rechtspersoon19 neemt de vereffenaar de taak van de bestuurders over. Art. 2:23a BW bepaalt dat een vereffenaar, tenzij de statu ten anders bepalen, dezelfde bevoegdheden als een bestuurder heeft ('het bestuur'), voor zover deze verenigbaar zijn met zijn taak als vereffenaar. Het laatste zinsdeel bevat een belangrijke beperking van de bevoegdheden van de vereffenaar. De bestuursbevoegdheid geeft een persoon in beginsel de volledige zeggenschap ten aanzien van een goed. Art. 2:23a BW beperkt deze zeggenschap door de bevoegdheden te beperken tot die bevoegdheden die voortvloeien uit de taak van de vereffenaar.20
49. Aan de bestuurders van een rechtspersoon (als orgaan) is 'het bestuur' (als bestuursbevoegdheid) toegekend. De bevoegdheden van het bestuur (als orgaan) kunnen worden beperkt door de statu ten en door de statutaire doelomschrijving waardoor het bestuur (als orgaan) intern tot bepaalde rechtshandelingen niet bevoegd is. Dergelijke beperkingen tasten de bestuursbevoegdheid van het bestuur extern, in de verhouding met derden, in beginsel niet aan. De rechtspersoon kan rechtshandelingen die in strijd zijn met het statutaire doel vernietigen als de wederpartij wist of zonder eigen onderzoek moest weten dat met het verrichten van de rechtshandelingen het statutaire doel werd overschreden (art. 2:7 BW). De bevoegdheden van de bestuurders kunnen zijn beperkt doordat bestuurders alleen gezamenlijk of alleen in een bepaalde combinatie (bijvoorbeeld, de voorzitter en de secretaris) bevoegd zijn tot het verrichten van bepaalde rechtshandelingen. Deze beperkingen zijn kenbaar uit het handelsregister en hebben externe werking.
Bij de bijzondere gemeenschappen genoemd in art. 3:189 lid 1 BW, zoals de huwelijksgemeenschap, kunnen de bevoegdheden tussen de deelgenoten ten aanzien van het gemeenschappelijke goed anders zijn verdeeld. Bijvoorbeeld, is bij de huwelijksgemeenschap een goed op naam van een der echtgenoten gesteld of van diens zijde in de gemeenschap gevallen, dan staat het goed onder diens bestuur. Elk der echtgenoten is bevoegd tot stuiting van verjaring ten behoeve van de gemeenschap.21 Op grond van de schakelbepaling van art. 1:80b BW geldt hetzelfde voor de bijzondere gemeenschap bij een geregistreerd partnerschap. Bij de bijzondere gemeenschap die bestaat bij een maatschap, een commanditaire vennootschap en een vennootschap onder firma (personenvennootschappen) zijn de bevoegdheden van de vennoten vergelijkbaar met die van de bestuurders van een rechtspersoon. In de literatuur wordt aangenomen dat de vennoten net als de bestuurders van een rechtspersoon het bestuur hebben ten aanzien van de goederen.22
50. Indien sprake is van zaakwaarneming (art. 6:198 BW), is de zaakwaarnemer bevoegd om rechtshandelingen te verrichten ten aanzien van de goederen van de rechthebbende, voor zover diens belang daardoor naar behoren wordt behartigd (art. 6:201 BW). De omstandigheden van het geval bepalen de taak van de zaakwaarnemer, en daarmee ook zijn bevoegdheden.
Bij volmacht en lastgeving staat het in beginsel vrij aan partijen om de inhoud van de volmacht dan wei de last te bepalen. Art. 3:62 BW geeft vormvoorschriften omtrent de toekenning van bevoegdheden bij volmachtverlening.