Directors' liability
Directors' liability (IVOR nr. 101) 2017/7:Chapter 7 Samenvatting
Directors' liability (IVOR nr. 101) 2017/7
Chapter 7 Samenvatting
Documentgegevens:
mr. drs. N.T. Pham, datum 09-01-2017
- Datum
09-01-2017
- Auteur
mr. drs. N.T. Pham
- JCDI
JCDI:ADS398535:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit promotieonderzoek is ervoor gekozen om bestuurdersaansprakelijkheid te bestuderen in het kader van behoorlijk ondernemingsbestuur (corporate governance). De nadruk is gelegd op de gedragsbeïnvloedende kant van bestuurdersaansprakelijkheid.
Het onderzoek kent drie onderzoeksblokken met als resultaat een dissertatie bestaande uit drie research papers. De research papers zijn zodanig opgesteld dat zij onafhankelijk van elkaar kunnen worden gelezen. De rode draad van de dissertatie is dat bestuurdersaansprakelijkheid als systeem van sanctie en bescherming wordt gezien.
De eerste research paper (Chapter 2) gaat in op de perceptie van bestuurders van aansprakelijkheidsrisico ’s. De centrale vraag van de paper is of bestuurders bang zijn voor aansprakelijkheid en of de vrees voor aansprakelijkheid tot onwenselijk defensief gedrag leidt. Daarvoor is een casestudie uitgevoerd onder top-level bestuurders. De research paper geeft geen concluderend antwoord op de vraag of bestuurders bang zijn voor aansprakelijkheid. Wel geeft de paper aan onder welke condities bestuurders het aansprakelijkheidsrisico als reëel en bedreigend ervaren en wanneer aansprakelijkheidsrisico ’s potentieel defensief gedrag zouden kunnen uitlokken (fraude, faillissement en een eerdere persoonlijke ervaring met aansprakelijkheid). Ook geeft de research paper geen concluderend antwoord op de vraag of de vrees om aansprakelijk te worden gehouden tot onwenselijk defensief gedrag leidt. Wel geeft de paper aan dat bestuurders zich zeer ongemakkelijk voelen wanneer zij geconfronteerd worden met onzekerheid over aansprakelijkheidsrisico ’s en dat zij deze onzekerheid zoveel mogelijk willen reduceren. Niet alleen weten bestuurders niet wat de werkelijke aansprakelijkheidsrisico ’s zijn, zij zijn evenmin geïnformeerd over wat de aansprakelijkheidsnormen zijn bij een eventuele formele bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure.
De tweede research paper (Chapter 3) gaat in op de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken inzake bestuurdersaansprakelijkheid. De centrale vraag van de paper is of de open norm van ernstig verwijt onzekerheid uitnodigt of juist reduceert. Om die vraag te beantwoorden is een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van rechtspraak bestuurdersaansprakelijkheid uitgevoerd. De research paper onderscheidt minder complexe en complexe zaken. De minder complexe zaken waren zaken waarbij de rechter oordeelde dat er sprake was van subjectieve kwade trouw handelingen van de bestuurder, dat wil zeggen, opzettelijk benadelend handelen ten opzichte van de vennootschap en/of de crediteuren of aandeelhouders van de vennootschap. Onder die omstandigheid oordeelde de rechter de bestuurder aansprakelijk. Andere omstandigheden leken bij deze zaken niet veel toe te voegen aan het oordeel van de rechter. De complexe zaken waren zaken waarbij het bestuurlijk handelen niet te kwalificeren viel als subjectief kwade trouw handelingen en waarbij het rechterlijk oordeel kon resulteren in toewijzing of afwijzing van bestuurdersaansprakelijkheid. In deze complexe zaken speelden meerdere contextuele omstandigheden wél een rol. In de research paper wordt aangegeven welke contextuele omstandigheden een grote voorspellende waarde hebben voor aansprakelijkheid. Op basis van het inzicht in deze relevante contextuele omstandigheden kan ernstig verwijt thans als volgt worden geformaliseerd: het schenden van een specifiek voor een bestuurder geldende norm die beoogt de vennootschap, de crediteuren of de aandeelhouders van de vennootschap te beschermen, is een noodzakelijke voorwaarde voor het aannemen van ernstig verwijt.
De derde research paper (Chapter 4) gaat in op het verlenen van décharge aan bestuurders voor subjectieve kwade trouw handelingen. De centrale vraag van de paper is waarom het problematisch is dat de doctrine voorschrijft dat een geïnformeerde algemene vergadering van aandeelhouders een bestuurder mag dechargeren voor opzettelijk benadelende handelingen jegens de vennootschap. De vraag wordt beantwoord vanuit het perspectief van décharge als corporate governance instrument. Voor de beantwoording van de vraag zijn rechtsvergelijkende inzichten en empirische bevindingen gebruikt. Dit heeft geleid tot een andere manier van denken over décharge. De empirie laat tot nu toe zien dat rechters een halt roepen aan het déchargeren van bestuurders voor opzettelijk benadelende handelingen jegens de vennootschap. Wanneer de doctrine en de empirie wezenlijk tegenover elkaar staan, dient ten minste een kritisch debat te worden gevoerd, bijvoorbeeld over hoe décharge als corporate governance instrument kan worden verbeterd.
Ik pleit ervoor dat een bestuurder in beginsel niet kan worden gedechargeerd voor subjectieve kwade trouw handelingen, tenzij er exceptionele omstandigheden bestaan. De kennis van de algemene vergadering van aandeelhouders van de kwade trouw handeling van de bestuurder wordt anders dan volgens huidig recht niet gezien als van doorslaggevende betekenis voor décharge. Ik ben daarom voorstander voor een alternatieve zienswijze. Die alternatieve zienswijze houdt in dat een bestuurder een beroep kan doen op décharge mits hij – als ondergrens – subjectief te goeder trouw handelde. Onder omstandigheden kan – bij wijze van uitzondering op de hoofdregel – de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een bestuurder een beroep kan doen op décharge als hij de algemene vergadering van aandeelhouders in kennis heeft gesteld van de opzettelijk benadelende handeling. Dit zal het geval zijn wanneer het vennootschappelijk belang gediend is bij een dergelijke décharge voor opzettelijke benadeling van de vennootschap.