Rb. Amsterdam, 12-09-2024, nr. 13/077040-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:6493
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
12-09-2024
- Zaaknummer
13/077040-04
- LJN
BZ4902
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2024:6493, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 12‑09‑2024; (Beschikking)
ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4902, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 19‑03‑2013
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Door het gerechtshof Amsterdam is aan veroordeelde een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling van € 24.493.121,78. Veroordeelde heeft niet (geheel) aan deze betalingsverplichting voldaan. Door de officier van justitie is gevorderd een machtiging te verlenen tot toepassing van gijzeling. De rechtbank concludeert dat de veroordeelde niet onmachtig, maar onwillig is om de ontnemingsmaatregel binnen afzienbare tijd te betalen. De rechtbank wijst de vordering toe en machtigt de officier van justitie tot de toepassing van gijzeling voor de duur van 365 dagen.
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummers : 13/077040-04 en 23/001628-13
datum : 12 september 2024
beslissing van de meervoudige strafkamer op de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 6:6:25, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1],
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Het gerechtshof Amsterdam heeft aan de veroordeelde bij arrest van 13 februari 2018 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 24.493.121,78. De maximale duur van de gijzeling is niet bepaald in het arrest. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
Het openstaande bedrag bedroeg blijkens het door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) verstrekte verslag van 27 augustus 2024 € 15.055.611,51.
Procedure
De vordering is op 13 juli 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 29 november 2022 de vordering op de openbare terechtzitting behandeld. Op die zitting is de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd, maar maximaal voor zes maanden om de veroordeelde, het Openbaar Ministerie en het CJIB in de gelegenheid te stellen in overleg te treden om te komen tot een verdere afwikkeling van het conservatoir (ander)beslag.
De rechtbank heeft vervolgens op 22 augustus 2023 de behandeling van de vordering op de openbare terechtzitting voortgezet. Op die zitting is de zaak opnieuw aangehouden voor onbepaalde tijd, maar in ieder geval tot kort na 22 augustus 2024, waarbij de rechtbank de officier van justitie de opdracht heeft gegeven om de uitwinning van het beslag met de grootst mogelijke voortvarendheid ter hand te nemen. Om dit mogelijk te maken wordt van de veroordeelde verwacht dat hij volledig inzicht geeft in zowel zijn eigen inkomsten en vermogen als in zijn zakelijke inkomsten en vermogen.
De rechtbank heeft vervolgens op 29 augustus 2024 de behandeling van de vordering op de openbare terechtzitting voortgezet. De rechtbank heeft de veroordeelde, de advocaat van de veroordeelde, mr. F.P. Slewe, en de officier van justitie op zitting gehoord.
Tevens heeft de rechtbank mr. [persoon en persoon], medewerkers van het CJIB als getuigen-deskundigen gehoord.
De officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde hebben op voorhand hun standpunten schriftelijk kenbaar gemaakt.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de maximale duur van 1.080 dagen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering en heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van betalingsonwil. De veroordeelde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van betalingsonmacht. Hij heeft ook geen reëel betalingsvoorstel gedaan en hij heeft niet actief meegewerkt aan het voorspoedig en succesvol uitwinnen van het (ander)beslag.
Standpunt van veroordeelde
Namens de veroordeelde is primair bepleit de vordering af te wijzigen. Volgens de veroordeelde en zijn raadsman is geen sprake van betalingsonwil. De veroordeelde heeft geen vermogen meer en moet leven van een klein pensioen dat wordt aangevuld door een (wegens eerder verblijf in het buitenland gematigde) AOW-uitkering. Daartoe heeft de veroordeelde gewezen op de belastingaangiften en definitieve aanslagen van 2021 en 2022. Deze overzichten geven volgens hem een getrouw beeld van zijn inkomens- en vermogenspositie, zowel zakelijk als privé. Af en toe leent de veroordeelde geld van vrienden of kennissen en zo kan hij in zijn levensonderhoud voorzien. De veroordeelde heeft zich meewerkend opgesteld en is voldoende in overleg getreden met het CJIB en het OM om tot een gedegen en voldoende afwikkeling van het (ander)beslag te komen. Daarnaast heeft de veroordeelde zich ingespannen om tot een betalingsregeling te komen.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de zaak andermaal aan te houden om de uitwinning van het beslag en de herzieningsprocedure van de strafzaak van de veroordeelde bij de Hoge Raad af te wachten.
Beoordeling
De vraag die bij de beoordeling van de vordering van de officier van justitie beantwoord moet worden is of door de veroordeelde voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij niet in staat is om te voldoen aan zijn betalingsverplichting, dus of er sprake is van betalingsonmacht. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De rechtbank zal hierna uiteenzetten op welke gronden zij tot dat oordeel komt.
Inkomen en vermogen [veroordeelde]
De rechtbank heeft de veroordeelde bij de laatste aanhouding van de behandeling van de vordering de opdracht gegeven volledig inzicht te geven in zijn eigen inkomsten en vermogen, zowel privé als zakelijk. De rechtbank heeft deze opdracht mede gestoeld op de hierna nader te bespreken zogeheten FIU-meldingen.
Door de – raadsman van de – veroordeelde is op 2 augustus 2024 in reactie op die opdracht een e-mailbericht met 11 bijlagen aan de rechtbank gezonden met daarin (o.a.) een organogram van de vennootschappen die aan de veroordeelde toebehoorden. Deze vennootschappen zijn volgens het schema allemaal opgehouden te bestaan. Ter zitting heeft de veroordeelde verklaard dat de eventuele opbrengsten van de verkoop van de bezittingen van deze vennootschappen gebruikt zijn om andere schulden te voldoen en dat onder de streep geen enkel vermogen is overgebleven, anders dan de vermogensbestanddelen waar conservatoir (ander)beslag op is gelegd.
Vast is komen te staan dat in genoemd organogram vennootschappen ontbreken en dat van enkele genoemde vennootschappen geen uittreksel uit enig register is overgelegd.
De veroordeelde heeft op de zitting verklaard dat hij vóór het onherroepelijk worden van het ontnemingsvonnis over een vermogen beschikte van ca € 300.000.000. Uit het dossier blijkt dat dit vermogen over de hele wereld was belegd. De door de veroordeelde verstrekte aanvullende (financiële) informatie is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onvoldoende om de conclusie te dragen dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat deze € 300.000.000 door het voldoen van andere, overigens niet nader geconcretiseerde, schulden geheel is verdampt, zodanig dat hij nu betalingsonmachtig is geworden. Ook de verstrekte informatie bevat lacunes die vragen oproepen over de betrouwbaarheid van die informatie. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de veroordeelde daarom niet volstaan met het beschrijven van een verklaarde “eindstand” op basis van eerder door hem gecontroleerde vennootschappen die zijn opgehouden te bestaan maar had het op zijn weg gelegen om concreet te maken hoe zijn verklaarde vermogen van € 300.000.000 is afgewikkeld tot de door hem verklaarde eindstand. Dat deze onderbouwing niet te verstrekken is vindt de rechtbank onaannemelijk, zeker nu de veroordeelde op de zitting in grote mate van detail weet te verklaren over individuele zakelijke transacties en inbeslaggenomen vermogensbestanddelen uit de tijd dat hij nog over zijn volledige vermogen van (ongeveer) € 300.000.000 beschikte.
Ook de verklaringen over zijn huidige leefomstandigheden acht de rechtbank onvoldoende om de conclusie te dragen dat de veroordeelde betalingsonmachtig is. De veroordeelde woont nog steeds op een [plaats 1]. Hoewel deze verkocht is, heeft de veroordeelde op de zitting verklaard dat hij daar voor onbepaalde tijd kan blijven wonen, zonder dat dit hem geld kost. Verder inzicht in de gronden waarop hij als voormalig bezitter van een [plaats 1] daar voor onbepaalde tijd kan blijven wonen, ontbreken. De verklaring dat hij daar “antikraak” woont, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Op zijn minst mocht van de veroordeelde verwacht worden, dat hij gedetailleerd inzicht verstrekt in de voorwaarden waaronder hij in deze residentie verblijft.
De veroordeelde zegt bovendien in zijn overige dagelijkse lasten te kunnen blijven voldoen door leningen van vrienden en kennissen. De veroordeelde heeft geen enkel verder inzicht verschaft in de reeds verstrekte leningen en de aard van deze kennelijke kredietlijnen. De rechtbank kan de juistheid van zijn verklaringen daarover dan ook niet nagaan, dit terwijl deze leningen – zij het als schuld – onderdeel zijn van zijn vermogen en de beschikbaarheid van kredietlijnen – juist in een situatie waarin de veroordeelde zegt over een negatief vermogen te beschikken – ook op het tegendeel van zijn verklaringen daaromtrent zou kunnen duiden.
Tegen deze achtergrond acht de rechtbank extra zwaarwegend het proces-verbaal van bevindingen dat op 28 oktober 2022 door het CJIB is opgemaakt naar aanleiding van gegevens van de Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU-NL) en de Triodos Bank. Uit dit proces-verbaal van bevindingen komt naar voren dat de veroordeelde vermoedelijk toegang zou hebben tot één of meer bankrekeningen of creditcards van BV’s die niet direct, maar wel indirect, aan de veroordeelde zijn gelieerd. In genoemd proces-verbaal is gesteld en door de veroordeelde niet weersproken dat hij in 2019 gebruik heeft gemaakt van een creditcard van [naam holding] waarmee hij bestedingen van ruim € 125.000 in privé heeft gedaan aan luxe zaken in binnen- en buitenland.
Gelet op het voorgaande heeft de veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht gegeven in zijn inkomen/vermogen. De veroordeelde lijkt over meer inkomen/vermogen te hebben beschikt en op grotere voet te hebben (door) geleefd dan hij zelf heeft verklaard.
Beslag en de uitwinning daarvan
Het CJIB heeft sinds de laatste aanhouding van deze procedure op 22 augustus 2023
toenemend succes gehad met het uitwinnen van het beslag. Uit de notitie van het CJIB van 27 augustus 2024 blijkt dat dit ertoe heeft geleid dat tot op heden een totaal bedrag van € 9.437.510,27 is uitgewonnen. Uit deze notitie blijkt echter ook dat de zeer aanzienlijke additionele inspanningen van het CJIB desondanks niet ertoe zullen leiden dat het volledige verschuldigde bedrag uit het beslag kan worden voldaan.
De rechtbank hecht eraan in dit verband te wijzen op twee beschikkingen van het gerechtshof Amsterdam van 21 februari 2017 inzake [naam bedrijf BV 1]. en [naam bedrijf BV 2]. Daarin is overwogen dat in het licht van de verklaring van de bestuurder respectievelijk directeur van genoemde vennootschappen ([naam]) de veroordeelde feitelijk de bestuurder was en in feite over alles besliste. Tegen die achtergrond komt het gerechtshof tot het oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de registergoederen en de bankrekening enerzijds en het registergoed [adres 2] anderzijds aan het vermogen van de respectieve vennootschappen is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning ervan te frustreren. De rechtbank stelt vast dat de vennootschappen tegen de beslissingen van het gerechtshof op hun klaagschriften op de voet van artikel 552a Sv niet in cassatie bij de Hoge Raad zijn gegaan. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de veroordeelde zich onttrekt aan de oordelen van het gerechtshof, de zogenaamde patstelling koestert en vasthoudt aan zijn eigen geschapen werkelijkheid.
Voor beslagnummer 182 (onroerend goed te [plaats 2] (Frankrijk), dat deels eigendom is van de zoon van de veroordeelde en deels van de veroordeelde, heeft te gelden dat ook daar de patstelling wordt gekoesterd. Een gezamenlijke instemming en besluitvorming tot verkoop, nu zoon kennelijk financieel niet in staat is het aandeel van de veroordeelde over te nemen, en toedeling van een deel van de opbrengst overeenkomstig zijn aandeel aan de zoon van de veroordeelde en het overige deel aan het CJIB, zou de uitwinning ervan effectief mogelijk maken.
Het CJIB heeft de veroordeelde meermaals de mogelijkheid geboden om een reëel afbetalingsvoorstel in te dienen en bepaalde in beslag genomen voorwerpen zelf te verkopen. Hierop heeft de veroordeelde enkele voorstellen gedaan die in geen enkele verhouding stonden tot de opgelegde ontnemingsmaatregel. Een reëel betalingsvoorstel van de veroordeelde is tot op heden uitgebleven.
Het CJIB heeft daarnaast vastgesteld dat de veroordeelde op geen enkele wijze initiatief heeft getoond om uit eigen beweging iets af te betalen. De veroordeelde heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bijgedragen aan een voorspoedige afwikkeling van de uitwinning van het beslag.
Conclusie
De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de veroordeelde niet onmachtig, maar onwillig is om de ontnemingsmaatregel binnen afzienbare tijd te betalen en eveneens onwillig is om rechterlijke oordelen als werkelijkheid te aanvaarden en zal daarom de vordering van de officier van justitie toewijzen. Nu het de eerste vordering betreft, zal de rechtbank de vordering gedeeltelijk toewijzen om de veroordeelde in de gelegenheid te stellen alsnog tot een reële afbetalingsregeling met het CJIB te komen, uitwinning van het (ander) beslag bij eerder genoemde vennootschappen in samenspraak met zijn zoon en ex-partner daadwerkelijk te doen effectueren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de vordering andermaal aan te houden in afwachting van de resultaten van de verdere uitwinning van het beslag en de uitkomst van de herzieningsprocedure in de strafzaak. Het is aan de veroordeelde om de patstellingen in de uitwinning van met name het ander beslag zoals hiervoor besproken te doen opheffen. Dit geldt eveneens voor het onroerend goed in Frankrijk.
De uitkomst van het herzieningsverzoek in de strafzaak is niet van betekenis nu de ontnemingsmaatregel geen veroordeling is in de zin van artikel 457 lid 1 Sv. (ECLI:NL:HR:2010:BO0140).
Beslissing
De rechtbank wijst de vordering toe en machtigt de officier van justitie tot de toepassing van gijzeling voor de duur van 365 dagen en wijst de vordering voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.W.H.G. Loyson, voorzitter,
mr. D. Bode en mr. M.F.A.M. Smeets, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2024.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitspraak 19‑03‑2013
Inhoudsindicatie
Ontnemingsbeslissing; vastgoed; bevoegdheid; vervolgprofijt De rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Haarlem heeft op 19 maart 2013 bepaald dat vastgoedhandelaar P. aan de Staat € 25.733.754,45 moet betalen in verband met het voordeel dat hij uit criminele activiteiten heeft behaald. De rechtbank borduurt in haar beslissing voort op de bewezenverklaringen uit het arrest van het hof Amsterdam in de strafzaak tegen P. en sluit in haar beslissing aan bij de berekening in de ontnemingrapportage. Van het totaalbedrag van ruim 25,7 miljoen euro betreft ongeveer 17 miljoen het medeplegen van witwassen van gelden, afkomstig uit de afpersing van Endstra door H.. Het geld is binnengekomen op rekeningen van P. Hij heeft deze gelden door geboekt naar andere rekeningen. Hij heeft er dus feitelijk over beschikt, door met deze gelden leningen af te lossen of leningen af te sluiten. Ook is niet gebleken dat er inmiddels aan H. is betaald. Rente Het vervolgprofijt behaald met de van Endstra afgeperste bedragen geldt ook als wederrechtelijk verkregen voordeel. Door het aflossen van een lening van 3 miljoen euro bij de Deutsche Bank met de afgeperste gelden heeft P. zich rentekosten bespaard van in totaal ongeveer 1 miljoen euro. Dat geldt eveneens voor het aflossen van een andere lening, waardoor hij ruim 1,2 miljoen aan rente heeft bespaard. Daarnaast worden ook de rente-inkomsten van ruim 1 miljoen euro over de looptijd van 10 jaar uit twee leningen van in totaal 4 miljoen euro die P. met de afgeperste gelden via zijn onderneming aan een vennootschap heeft verstrekt, als wederrechtelijk verkregen voordeel gezien. Verder merkt de rechtbank, in navolging van het gerechtshof, het voorhanden hebben van in totaal 11,5 miljoen gulden (8,5 en 3 miljoen) aan als heling, nu deze bedragen afkomstig zijn van een misdrijf. Ook dit is vatbaar voor ontneming. Dat staat dus los van hetgeen naderhand met dit geld is gebeurd. Daarbij maakt het niet uit of de wettekst van voor 1 juli 2011 of van na die datum wordt gehanteerd. Vaststaat dat deze bedragen van misdrijf afkomstig zijn en onder het strafbare feit van heling vallen, in ieder geval een soortgelijk strafbaar feit. Niet aannemelijk is dat P. in de toekomst niet aan deze betalingsverplichting zal kunnen voldoen. Bevoegde rechtbank Overigens acht de rechtbank zich bevoegd als nevenzittingsplaats van de rechtbank Amsterdam over de ontnemingvordering tegen P. te oordelen. Indertijd is de rechtbank Haarlem in het Aanwijzingsbesluit nevenzittingsplaatsen megastrafzaken expliciet als zodanig voor de strafzaak Enclave Financieel aangewezen. Dit Besluit vermeldt niets over de ontnemingprocedure, maar gelet op de toelichting bij het Besluit en de aard en het karakter van een ontnemingprocedure, kan deze procedure niet los van de strafzaak gezien worden. Deze ontnemingprocedure is immers een gevolg van de strafzaak Enclave. Haarlem blijft als nevenzittingsplaats ook na 1 januari 2013 bevoegd, ook al is het Aanwijzingsbesluit met de gerechtelijke herindeling vervallen. De procedure was al in 2012 aangebracht.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
Sectie Strafrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
Meervoudige Kamer
Parketnummer: 13/077040-04
Tegenspraak (artikel 279 Sv)
Uitspraakdatum: 19 maart 2013
Beslissing (ex artikel 36e Sr)
1. De vordering
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 24 mei 2012 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 25.733.754,45 in de zaak tegen:
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,
wonende te [adres],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
hierna ook te noemen veroordeelde.
2. Het verloop van de procedure
Bij arrest van 16 mei 2012 heeft het gerechtshof Amsterdam [veroordeelde] veroordeeld ter zake van, voor zover in dit kader van belang:
Feit 1: medeplegen van gewoontewitwassen;
en
Feit 4: witwassen.
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 22 augustus 2012, teneinde de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te behandelen. Dit betrof een zogeheten regiezitting.
Ter terechtzitting van 22 augustus 2012 zijn gehoord de raadslieden van veroordeelde,
mr. F.H.H. Sijbers en mr. R. de Bree, beiden advocaat te Den Haag en de officier van justitie.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd en termijnen afgesproken in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadslieden van veroordeelde gewisselde conclusies.
De vordering is vervolgens behandeld op de openbare terechtzittingen van 15 januari 2013 en 12 februari 2013. Daarbij zijn gehoord de raadslieden voornoemd en de officier van justitie.
Hierna is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 19 maart 2013.
3. De bevoegdheid van de rechtbank
De verdediging heeft zich (eerst) bij pleidooi op het standpunt gesteld dat de rechtbank Haarlem onbevoegd is de ontnemingsvordering te behandelen. Het gaat hier immers om een nevenzittingsplaats. Op grond van het onder het oude recht toepasselijke Aanwijzingsbesluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen bestond de mogelijkheid een nevenzittingsplaats of nevenvestigingsplaats aan te wijzen, hetgeen voor zover hier van toepassing is geschied bij het Aanwijzingsbesluit nevenzittingsplaatsen megastrafzaken. In eerstgenoemde Algemene Maatregel van Bestuur noch in het Aanwijzingsbesluit nevenzittingsplaatsen megastrafzaken is echter voorzien in het tevens houden van de ontnemingsprocedure bij een nevenzittings- of nevenvestigingsplaats. Hoewel de ontnemingszaak een vervolg is op de hoofdzaak, betreft het een aparte procedure die ook separaat wordt ingeleid, aldus de verdediging. Daarbij komt dat door de inwerkingtreding van de Wet herziening gerechtelijke kaart het Aanwijzingsbesluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen is komen te vervallen en in het overgangsrecht bij die wet, in artikel CII is bepaald dat zaken die aanhangig zijn bij een gerecht van rechtswege overgaan op hetzelfde gerecht. Op de voet van deze overgangsbepaling is onderhavige zaak, die bij de rechtbank Haarlem als nevenzittingsplaats wordt behandeld maar aanhangig is bij de rechtbank Amsterdam, van rechtswege overgegaan op diezelfde rechtbank Amsterdam. Hoewel de wetgever deze situatie klaarblijkelijk niet onder ogen heeft gezien, leidt het voorgaande ertoe dat de rechtbank die de ontnemingszaak thans behandelt niet bevoegd is over de vordering te oordelen zodat zij zich onbevoegd dient te verklaren dan wel de zaak naar de rechtbank Amsterdam dient te verwijzen, zo heeft de verdediging bepleit.
Van de zijde van het Openbaar Ministerie is hier tegenover gesteld - verkort en zakelijk weergegeven - dat in het Aanwijzingsbesluit megastrafzaken 2010 Haarlem is aangewezen als nevenzittingsplaats van de rechtbank Amsterdam voor de behandeling van de megastrafzaak Enclave Financieel, de ontnemingsvordering mede inbegrepen, welk besluit ook na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie per 1 juli 2011 nog geldig was. Hoewel genoemd aanwijzingsbesluit sinds 1 januari 2013 is vervallen, staat ingevolge het overgangsrecht (artikel CII bij de Wet herziening gerechtelijke kaart) vast dat het in onderhavige zaak gekozen forum, te weten de rechtbank Amsterdam, nog steeds het juiste is en dat de zaak daar ook feitelijk dient.
Weliswaar is met ingang van 1 januari 2013 het aanwijzen van Haarlem als nevenzittingsplaats van de rechtbank Amsterdam niet meer mogelijk, in de zaak Enclave Financieel en dus ook voor de ontnemingzaak, heeft die aanwijzing al voor die tijd plaatsgevonden.
Daarnaast is het verweer tardief nu het niet is gevoerd op het moment dat de ontnemingszaak medio 2012 in Haarlem is aangevangen toen het Aanwijzingsbesluit megastrafzaken nog geldig was, maar pas na het requisitoir. Bovendien kan het nooit de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat een zaak van een omvang als de onderhavige, die op de juiste wijze bij een rechtbank in een bepaalde zittingsplaats is aangebracht en aangevangen, daar niet voortgezet kan worden. Het openbaar ministerie moet de relatieve competentie van het gerecht beoordelen naar het tijdstip waarop het een zaak ter terechtzitting aanhangig maakt. Als het gerecht op dat moment bevoegd is van de zaak kennis te nemen, blijft het bevoegd, ook al zou het aanknopingspunt naderhand komen te vervallen. De ontnemingszaak volgt als sequeel van de strafzaak de competentie van de rechtbank in die strafzaak, waarmee de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam zitting houdende in Haarlem is gegeven, zo heeft de officier van justitie betoogd.
De rechtbank overweegt het volgende.
Bij Aanwijzingsbesluit nevenzittingsplaatsen megastrafzaken van 1 juli 2004 zijn voor de behandeling van megastrafzaken door een rechtbank de hoofdplaatsen van de andere rechtbanken aangewezen als nevenzittingsplaats. Bij besluit van 20 juni 2007 zijn de aanwijzingen, die geldig waren tot 3 juli 2007, verlengd tot 3 juli 2010, waarna in het daarop gevolgde Aanwijzingsbesluit megastrafzaken 2010 Haarlem expliciet als nevenzittingsplaats van de rechtbank Amsterdam is aangewezen voor de behandeling van de zaak Enclave Financieel. De strafzaak tegen veroordeelde is indertijd aangebracht bij de rechtbank Amsterdam zitting houdende te Haarlem (als nevenzittingsplaats). De vraag die thans voorligt is of op basis van voornoemde besluiten Haarlem als nevenzittingsplaats van de rechtbank Amsterdam tevens bevoegd is de ontnemingsvordering te behandelen, nu het Aanwijzingsbesluit megastrafzaken 2010 daarin niet expliciet voorziet.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit wel het geval. Niet alleen valt zulks af te leiden uit de toelichting bij genoemd Aanwijzingsbesluit, waarin staat vermeld dat in de in het besluit met name genoemde zaken eventuele ontnemingsvorderingen zijn inbegrepen, maar ook de aard en het karakter van een ontnemingsprocedure maakt dat zij niet als een geheel los van de strafzaak staande procedure kan worden gezien. Immers, een veroordeling in de strafzaak is een voorwaarde om tot een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te komen, waarbij voorts geldt dat een ontnemingsvordering uiterlijk bij het in de strafzaak te houden requisitoir dient te worden aangekondigd. De samenhang tussen beide procedures is ook door de wetgever benadrukt. In de Memorie van Toelichting bij de wet inzake Verruiming van de mogelijkheden tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is te lezen dat de wetgever de ontnemingsprocedure niet als een geheel op zichzelf staande procedure beschouwt, maar dat zij slechts kan worden gezien als sequeel van een strafvervolging, een van de aanvankelijke strafvervolging afgesplitste procesgang en niet als een toevoeging daaraan (zie tevens HR 8 mei 2001, NJ 2001, 509). Nu de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Haarlem bevoegd was de strafzaak te behandelen is deze rechtbank op grond van het voorgaande tevens bevoegd de ontnemingsvordering, als vervolg van de strafzaak, te behandelen.
Met betrekking tot het verweer van de verdediging inhoudende dat met het vervallen van het Aanwijzingsbesluit nevenzittingsplaatsen megastrafzaken per 1 januari 2013, tevens de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam nevenzittingsplaats Haarlem is komen te vervallen om van onderhavige ontnemingsvordering kennis te nemen en te behandelen, overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt vast dat onderhavige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gedateerd 24 mei 2012 en ter terechtzitting van 22 augustus 2012 aanhangig is gemaakt bij de rechtbank Amsterdam, zitting houdende te Haarlem. Op grond van het overgangsrecht waarin bij de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is voorzien, gaan lopende zaken van rechtswege over op rechtbanken waar deze aanhangig zijn gemaakt.
Dit betekent dat de rechtbank Amsterdam (nog steeds) bevoegd is de ontnemingsvordering te behandelen. De enkele omstandigheid dat Haarlem sinds het vervallen van eerdergenoemd Aanwijzingsbesluit per 1 januari 2013 niet meer als nevenzittingsplaats kan worden aangewezen, kan aan die bevoegdheid niet afdoen en leidt er ook niet toe dat de rechtbank Amsterdam zitting houdende te Haarlem thans niet meer bevoegd zou zijn de vordering te behandelen. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de vordering reeds voor 1 januari 2013 aanhangig is gemaakt en de aanwijzing van Haarlem als nevenzittingsplaats van de rechtbank Amsterdam, zoals hiervoor reeds overwogen, niet alleen voor de strafzaak maar ook voor de daaruit voortvloeiende ontnemingsprocedure heeft te gelden.
Het moet er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart en het daarin neergelegde overgangsrecht niet het oog heeft gehad op een situatie als de onderhavige. Een uitleg van de thans geldende wettelijke regeling zoals door de verdediging is bepleit, strookt naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet met de strekking van het overgangsrecht waarin is bepaald dat lopende zaken blijven dienen bij de rechtbank waar zij reeds aanhangig zijn en zou in zijn algemeenheid in strijd komen met de rechtszekerheid van betrokkenen en met een efficiënte rechtsgang.
De rechtbank verwerpt het verweer en acht zich bevoegd de ontnemingsvordering te
behandelen.
4. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich bij conclusie van eis, onder verwijzing naar de aan de vordering tot ontneming ten grondslag liggende ontnemingsrapportage van 14 mei 2012, opgemaakt door verbalisant RN03-155, werkzaam bij de Dienst Nationale Recherche van het Korps Landelijke Politiediensten, en de daarbij behorende bijlagen, op het standpunt gesteld dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat dient te worden op
€ 25.733.754,45. De officier van justitie baseert de vordering op de gelden die als gevolg van de afpersing van [W.E.] in het vermogen van veroordeelde zouden zijn gevloeid
(€ 17.068.165,75), het door veroordeelde genoten vervolgprofijt door deze gelden te investeren (€ 1.019.650,21, € 191.833,33 en € 1.235.632,67) en de contante stortingen op rekeningen van (vennootschappen van) veroordeelde waarvan het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 16 mei 2012 in de strafzaak heeft vastgesteld dat deze stortingen van enig misdrijf afkomstig zijn (€ 5.218.472,49).
5. Het standpunt van de verdediging
Door de raadslieden van veroordeelde is met betrekking tot de van [W.E.] afgeperste geldbedragen het standpunt ingenomen dat op grond van het arrest van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak is vastgesteld dat de door [W.E.] op bankrekeningen van bedrijven van veroordeelde betaalde geldbedragen niet voor veroordeelde bestemd waren, maar dat deze gelden slechts bewaard werden voor [W.H.] zodat het vermogen van veroordeelde of zijn vennootschappen niet is toegenomen als gevolg van het strafbare feit.
Daarnaast, zo heeft de verdediging betoogd, kan niet worden vastgesteld dat het vermogen van veroordeelde (in privé) is toegenomen omdat de geldbedragen van [W.E.] naar de vennootschappen van veroordeelde werden overgeboekt. Van vereenzelviging van veroordeelde met zijn vennootschappen kan geen sprake zijn, nu dit slechts in bijzondere gevallen mogelijk is en het enkele feit dat veroordeelde enig aandeelhouder is, daarvoor niet doorslaggevend kan worden geacht. Daarbij komt dat tegenover de door de vennootschappen van veroordeelde ontvangen bedragen steeds een vordering van [W.H.] staat zodat ook om die reden het vermogen van veroordeelde of zijn vennootschappen niet is toegenomen.
Met betrekking tot het zogenaamde ‘vervolgprofijt’, het voordeel dat veroordeelde zou hebben genoten door gebruikmaking van door misdrijf verkregen gelden, hebben de raadslieden allereerst aangevoerd dat de bijschrijving van een bedrag van € 3.000.000,- op de rekening van veroordeelde bij de Deutsche Bank, anders dan het Openbaar Ministerie stelt, niet heeft geleid tot een rentebesparing van € 991.660,21 over de periode maart 2003 tot 31 december 2009 en een rentebesparing van € 27.999,- over de periode januari 2010 tot en met juni 2010. Immers, veroordeelde betaalde door middel van de rekening-courantverhouding die hij met zijn vennootschappen had een zakelijke rente over de interne financiering. Ofwel veroordeelde betaalde een zakelijke rente over een lening aan de Deutsche Bank, ofwel hij betaalde een zakelijke rente aan één van zijn vennootschappen door de rekening-courantverhouding, zodat van vervolgprofijt in de zin van besparing van rentekosten geen sprake is, zo is door de verdediging betoogd.
Ten aanzien van het gebruik van de van misdrijf afkomstige gelden door hiervan via Wilbury Ltd. twee leningen te verstrekken aan Gebouw Royal Investment, welke lening rente gegenereerd zou hebben, is er door de raadslieden op gewezen dat door het beslag dat is gelegd op deze vordering, rentebetalingen onmogelijk zijn geweest, waardoor geen voordeel is genoten.
Met betrekking tot het voordeel dat veroordeelde zou hebben genoten als gevolg van het voorhanden hebben van de aandelen van de vennootschap ’t Gooier Hoofd heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde is vrijgesproken ter zake het verwerven van deze aandelen en slechts het voorhanden hebben van deze aandelen is bewezen verklaard, terwijl de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wel is gebaseerd op het verwerven van deze aandelen. Nu in de ontnemingsrapportage wordt vermeld dat voordeel uit het voorhanden hebben van deze aandelen niet kan worden vastgesteld, dient dit voordeel op nul te worden gesteld. Daarbij komt dat in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel het gehele aankoopbedrag van de aandelen als wederrechtelijk verkregen voordeel wordt aangemerkt terwijl de aankoopbedragen onderdeel uitmaakten van een veel hoger saldo dat op de rekening stond en welk saldo, indachtig de overwegingen van het gerechtshof Amsterdam, slechts deels van misdrijf afkomstig is. Hoewel het gerechtshof heeft overwogen dat het gehele saldo op de rekening is besmet, zou het ontnemen van het gehele aankoopbedrag van de aandelen veroordeelde niet terugbrengen in de financiële positie van voor het misdrijf, zoals met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt beoogd. Nu het gerechtshof heeft vastgesteld dat slechts 23,92% van het geld dat op de rekening stond waarmee de aandelen zijn gekocht van misdrijf afkomstig geld betreft, kan van het aankoopbedrag van de aandelen ook hooguit eenzelfde percentage worden ontnomen, zo heeft de verdediging bepleit. Waar het Openbaar Ministerie zich op het standpunt heeft gesteld dat de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor deze gelden niet is gebaseerd op het voordeel dat is verkregen uit het witwassen, maar op voordeel dat is verkregen uit een soortgelijk feit, te weten opzetheling van deze geldbedragen, heeft de verdediging bepleit dat in casu heling niet een soortgelijk feit betreft, maar hetzelfde feit in de zin van de artikelen 68 en 313 van het Wetboek van Strafvordering. Nu veroordeelde door het gerechtshof is vrijgesproken van de verwerving van de aandelen ’t Gooier Hoofd dient de vordering in zoverre te worden afgewezen. Daarbij komt dat als veroordeelde hieruit al voordeel heeft genoten, dit voordeel in het vermogen van de vennootschappen van veroordeelde is gevloeid en niet in het vermogen van veroordeelde in privé.
6. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder vermeld parketnummer aangelegd straf- en ontnemingsdossier aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor hij bij voornoemd arrest is veroordeeld en uit een soortgelijk dan wel ander feit, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank sluit bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan bij voornoemde ontnemingsrapportage en de daarin genoemde bewijsmiddelen die daar als bijlagen zijn bijgevoegd en voor zover deze niet volgen uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 16 mei 2012.
De rechtbank overweegt dat in het kader van deze procedure als vaststaand dient te worden aangenomen dat:
- 1.
veroordeelde in de periode van 1 december 2002 tot en met 31 januari 2004 telkens tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 17.068.165,-, afkomstig van de afpersing van [W.E.];
- 2.
het bedrag van fl 3.000.000 dat op 23 juli 1998 is overgeboekt op de rekening van de aan veroordeelde gelieerde onderneming Ballados Investment NV, afkomstig is uit enig misdrijf
- 3.
het bedrag van fl 8.500.000 dat op 28 mei 1998 door veroordeelde op rekening van de aan veroordeelde gelieerde onderneming Bayline International Ltd. is gestort, uit enig misdrijf afkomstig is.
Ad 1
Ten aanzien van het bewezenverklaarde witwassen van de afpersingsgelden afkomstig van [W.E.] heeft het gerechtshof overwogen dat veroordeelde deze gelden, welke zijn mededader heeft afgeperst bij [W.E.], heeft ontvangen op een buitenlandse coderekening en twee bankrekeningen van aan hem gelieerde rechtspersonen. Dat het geld mogelijk uiteindelijk niet voor veroordeelde bestemd is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gekregen. Immers, uit de bewijsmiddelen waarop genoemde bewezenverklaring door het gerechtshof is gebaseerd volgt dat op rekeningen die aan veroordeelde worden gelieerd in totaal een bedrag van € 17.068.165,- is ontvangen dat afkomstig is van de afpersing van [W.E.] en dat veroordeelde die van afpersing afkomstige geldbedragen tezamen en in vereniging met [W.H.] heeft verworven en voorhanden gehad.
Nu uit de bewijsmiddelen tevens volgt dat veroordeelde de geldbedragen die op zijn coderekening bij de UBS Bank in Zwitserland of de aan hem te liëren rekeningen van Ballados Investment NV en Xenia International Holdings Ltd. binnenkwamen, vervolgens heeft doorgeboekt naar andere rekeningen en aldus met deze gelden, klaarblijkelijk naar eigen inzicht en goeddunken, heeft gehandeld, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank dat veroordeelde feitelijk over deze gelden beschikt of heeft beschikt.
Uit de bewezenverklaring volgt voorts dat de strafbare feiten door veroordeelde in persoon zijn gepleegd en niet door de aan hem gelieerde vennootschappen. Reeds om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank de stelling van de verdediging dat de afpersingsgelden niet in het vermogen van veroordeelde maar in het vermogen van zijn vennootschappen zijn gevloeid, geen stand houden. Vaststaat verder dat veroordeelde van de rekeningen van de vennootschappen waarop de geldbedragen worden ontvangen uiteindelijk als enig aandeelhouder, de begunstigde is en dat het, gelijk hiervoor is overwogen, het veroordeelde in persoon is geweest die blijkens hetgeen er vervolgens met de gelden gebeurt, namelijk het aflossen van een lening, het kopen van aandelen en het verstrekken van een lening, feitelijk over de geldbedragen beschikt of heeft beschikt. Niet gesteld of gebleken is dat veroordeelde betalingen heeft verricht aan [W.H.], zodat reeds hierom de verdediging niet kan worden gevolgd in het standpunt dat hij de gelden slechts heeft bewaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook veroordeelde in persoon geweest die het daadwerkelijke voordeel heeft genoten. Gelet op deze vaststelling behoeft het verweer van de verdediging betreffende de vereenzelviging van veroordeelde met zijn rechtspersonen geen bespreking.
Het voordeel dat veroordeelde met betrekking tot van [W.E.] afgeperste geldbedragen wederrechtelijk heeft verkregen zal derhalve worden geschat op € 17.068.165,75.
De vaststelling dat veroordeelde de van [W.E.] afgeperste geldbedragen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend leidt voorts tot de conclusie dat vervolgprofijt dat met deze gelden is gegenereerd tevens wederrechtelijk verkregen is. Uit de bewijsmiddelen volgt dat veroordeelde per 3 maart 2003 een bedrag van € 3.000.000,- heeft afgelost op een persoonlijke lening bij de Deutsche Bank, welk bedrag is betaald vanuit voornoemde afpersinggelden. Nu de schuld van veroordeelde dusdoende verminderd werd, slonken daarmee zijn rentekosten. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze kostenvermindering als wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden aangemerkt. Zelfs in het geval de stelling van de verdediging dat binnen het concern van veroordeelde door een bestaande rekening-courantverhouding tussen de verschillende vennootschappen rente verschuldigd was, juist zou zijn, betekent dit niet dat door betaling van rente door veroordeelde aan één van zijn vennootschappen het vermogen van veroordeelde daarmee afneemt. Veroordeelde is immers uiteindelijk de enige begunstigde van zijn vennootschappen. In dit verband is uitsluitend relevant dat veroordeelde de afpersingsgelden zonder renteverplichtingen ter beschikking heeft gekregen en reeds daardoor rentevoordeel heeft behaald, hetzij door bijschrijvingen van rente op deze afpersingsgelden, hetzij door besparingen van rente, doordat hij met afgeperste gelden schulden heeft afgelost.
Het voordeel dat veroordeelde door deze rentebesparing wederrechtelijk heeft verkregen schat de rechtbank, overeenkomstig het ontnemingsrapport en welke berekening op zichzelf niet is weersproken, op € 1.019.650,21.
Daarnaast heeft veroordeelde uit de afpersingsgelden, via zijn onderneming Wilbury Ltd, waarvan veroordeelde enig aandeelhouder is, twee leningen verstrekt van in totaal € 4.000.000,- aan de vennootschap Gebouw Royal Investments BV (GRI). Deze lening heeft een looptijd van tien jaar en is afgesloten tegen een rentepercentage van 6% per jaar.
De totale renteverplichting die GRI over de gehele periode van de overeenkomst verschuldigd is, bedraagt € 1.191.833,33. Deze verschuldigde rente merkt de rechtbank aan als wederrechtelijk verkregen voordeel. Anders dan door de verdediging is betoogd doet het enkele feit dat namens GRI niet aan de betalingsverplichting is voldaan daar niet aan af. Veroordeelde heeft immers, via zijn vennootschap, een op geld waardeerbare vordering op GRI.
Van de afpersingsgelden afkomstig van [W.E.] heeft veroordeelde een bedrag van
€ 5.200.000,- gebruikt ten gunste van de Merwede Groep. Zo heeft veroordeelde vanaf zijn zogenaamde [naam]-rekening een bedrag van € 200.000,- overgeboekt naar de Rabobank met als omschrijving ‘aflossing lening Merwede Groep’. Daarnaast is in totaal € 4.600.000,- overgeboekt van de [naam]-rekening naar Merwede Winkels BV en € 400.000,- naar Merwede Woningen BV. Laatstgenoemd geldbedrag is aangewend om de rentelasten voor één kwartaal te voldoen. De overige overboekingen worden gebruikt om een lening van de Rabobank te voldoen. Uit de stukken volgt dat over de periode van deze lening een rentepercentage van 3,768% werd gerekend. Door de aflossing van de lening is een bedrag van € 1.235.632,67 aan rentekosten bespaard, welke besparing als wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde in privé dient te worden aangemerkt.
Ad 2 en 3.
De verdediging heeft bepleit dat deze twee bedragen zijn aangewend voor de aanschaf van de aandelen van ‘t Gooier Hoofd. Nu slechts 23,92% van het geld dat op de rekening stond en waarmee deze aandelen zijn gekocht van misdrijf afkomstig geld betreft, kan volgens de verdediging van het aankoopbedrag van deze aandelen ook hooguit eenzelfde percentage worden ontnomen.
De verdediging ziet er naar het oordeel van de rechtbank aan voorbij dat het openbaar ministerie in het kader van de ontnemingsvordering de (verwerving van de) aandelen buiten beschouwing laat maar uitsluitend het voorhanden krijgen van twee geldbedragen van in totaal fl 11.500.000 ( € 5.218.472,49) aanmerkt als heling nu volgens het gerechtshof Amsterdam deze bedragen van misdrijf afkomstig zijn, zodat deze bedragen als zijnde wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden ontnomen. De rechtbank is met het openbaar ministerie van oordeel dat het voorhanden hebben van het (totaal)bedrag van
fl. 11.500.000, nu deze gelden afkomstig zijn van het misdrijf heling, dient te worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen oordeel.
Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat het (totaal)bedrag van fl. 11.500.000 ook om een andere reden buiten de ontnemingsvordering moet blijven. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet volgens de verdediging worden uitgegaan van de tekst van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zoals die vóór 1 juli 2011 luidde.
Van belang is dat met ingang van 1 juli 2011 lid 2 van artikel 36e Sr inhoudt dat de betalingsverplichting in verband met wederrechtelijk verkregen voordeel uit de strafbare feiten waarvoor een persoon veroordeeld is, ook kan worden opgelegd voor “andere” strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat die door veroordeelde zijn begaan, terwijl blijkens de tekst van eerdergenoemd artikel zoals die voor 1 juli 2011 luidde de betalingsverplichting kon worden opgelegd voor “soortgelijke” strafbare feiten.
De verdediging stelt zich in dit verband op het standpunt dat het door veroordeelde voorhanden hebben van de twee bedragen van fl. 3.000.000 en fl. 8.500.000, ook al zouden deze gelden van misdrijf afkomstig zijn, niet aan te merken valt als een soortgelijk strafbaar feit, waaruit de verdediging de conclusie trekt dat terzake van deze twee bedragen geen betaling kan worden gevorderd uit hoofde van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank kan en zal in het midden laten of in het onderhavige geval de tekst van artikel 36e Sr moet worden toegepast zoals die luidde voor 1 juli 2011 of zoals die thans luidt. Immers, ook wanneer de verdediging wordt gevolgd in haar standpunt dat van toepassing is de bepaling van artikel 36e Sr zoals die vóór 1 juli 2011 gold, het voorhanden hebben door veroordeelde van de genoemde bedragen, waarvan blijkens het arrest van het gerechtshof Amsterdam vast staat dat deze van misdrijf afkomstig zijn, onder het strafbare feit van heling valt, welk feit naar aard, strekking en doel is aan te merken als een soortgelijk strafbaar feit.
Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het genoemde (totaal)bedrag van fl. 11.500.000 aangemerkt kan worden als wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan veroordeelde kan worden ontnomen. Dit onderdeel van de vordering wijst de rechtbank dan ook eveneens toe.
Alles overwegende schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een totaalbedrag van € 17.068.165,75 + € 1.019.650,21 + € 1.191.833,33 +
€ 1.235.632,67 + € 5.218.472,49 = € 25.733.754,45.
Door de verdediging is voorts bepleit dat, nu het niet goed gaat in de wereld van het zakelijk vastgoed en banken ten gevolge van de strafzaak aan veroordeelde de financiering hebben opgezegd, waardoor veroordeelde gedwongen werd vastgoed te verkopen tegen ongunstige prijzen, te verwachten valt dat veroordeelde een substantieel bedrag van de vordering van het Openbaar Ministerie niet zal kunnen betalen hetgeen tot matiging van de hoogte van het te ontnemen bedrag zou moeten leiden.
De rechtbank is van oordeel dat, nu het draagkrachtverweer in zodanig algemene bewoordingen is gegoten, het vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
De rechtbank zal op grond van het hiervoor overwogene en gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van eerder vermelde feiten het hierna te noemen bedrag aan de Staat dient te betalen.
7. Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
De rechtbank:
Legt aan de veroordeelde de verplichting op om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen een bedrag van € 25.733.754,45 (zegge: vijfentwintigmiljoen zevenhonderddrieëndertigduizend zevenhonderdvierenvijftig euro en vijfenveertig eurocent).
9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,
mr. M. Daalmeijer en mr. M. Hoendervoogt, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 maart 2013.