Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.2.3.b
V.2.3.b De taak van de deskundige
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378573:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Groot (2008), p. 214-215.
OK 13 februari 2003, JOR 2003/86 (Hooymans).
OK 7 oktober 2008, JOR 2008/333 (Hooymans), m.3.9 en 3.30. Uit deze uitspraak valt voorts af te leiden dat de deskundige gericht onderzoek moet verrichten om juiste en bruikbare cijfers boven tafel te krijgen, bijvoorbeeld door middel van vragen aan partijen. De OK dacht (ro. 3.8) voorts dat, nu een eerder door de rechtbank benoemde deskundige een onvoldoende onderbouwd waarderingsrapport (met name ten aanzien van de rekenmethode) had uitgebracht, 'bij hem niet een juist begrip heeft bestaan van de door de Rechtbank verstrekte opdracht.' Zie tot slot in deze zaak OK 16 februari 2010, JOR 2010/96 (Hooymans), waarin de OK de diverse aspecten van de berekening van de deskundige beoordeelde en concludeerde (ro. 3.14) dat zij geen reden had 'om aan de juistheid en volledigheid van het deskundigenbericht te twijfelen'.
HR 20 september 1996, NJ 1997, 328 m.nt. Rutgers (Halcion II), ro. 3.1; en HR 15 juni 2001, NJ 2001, 435 (WE/VIB II). De Groot (2008), p. 249-250, doet na uitvoerig rechtsvergelijkend onderzoek enkele voorstellen voor de invulling van de norm 'naar beste weten'.
De taak van de deskundige is dat hij zijn opdracht 'onpartijdig en naar beste weten' volbrengt, zie art. 198 lid 1 Rv. Hij dient onafhankelijk van partijen de aandelen te waarderen. Op dit punt is een duidelijke parallel te maken met de deskundige die ingevolge de blokkeringsregeling de prijs berekent. Ook hij dient onafhankelijk te zijn, zo volgt uit art. 2:195 lid 6 BW (BV) en art. 2:87 lid 2 en 3 BW (NV). Denkt de deskundige dat hij zijn taak niet naar behoren kan volbrengen, dan mag hij de opdracht niet aanvaarden of dient hij deze terug te geven. De rechter vervangt hem dan ex art. 194 lid 4 Rv door een ander. Hij kan eveneens een andere deskundige aanwijzen die een (nadere) waardering moet opstellen, indien het eerste deskundigenbericht gebreken vertoont of een klacht over de deskundige van een van de partijen hem gegrond voorkomt.1
Illustratief in dit verband is de zich al jarenlang voortslepende uittredingszaak Hooymans. In 1996 had de Rechtbank Den Bosch reeds de uittredingsvordering van Geert (ingesteld tegen zijn broers en medeaandeelhouders Wim en Hennie) toegewezen. In 2000 werd een deskundigenbericht ter griffie gedeponeerd, maar de rechtbank achtte zich hiermee onvoldoende voorgelicht. Een nader deskundigenbericht, opgesteld door een andere deskundige, en een aanvullend deskundigenbericht, van de hand van de oorspronkelijk benoemde deskundige, werden bevolen. De rechtbank sloot zich wel reeds aan bij enkele waarderingsaspecten van het eerste deskundigenbericht. Via het Hof Den Bosch, dat zich onbevoegd verklaarde, kwam de zaak bij de OK. De OK maakte korte metten met het deskundigenbericht en stelde dat: `(...) het rapport van de deskundige (...) met betrekking tot de waardering van de aandelen als summier is te kenschetsen en apodictisch van karakter is'. Omdat onderliggende stukken (zoals een jaarrekening) niet bij het rapport waren gevoegd, kon toetsing van het oordeel van de deskundige niet plaatsvinden. De OK (ro. 4.10) vond het 'noodzakelijk dat de deskundige nader, gemotiveerd en concreet aangeeft op welke wijze hij tot zijn oordeel is gekomen, zowel wat betreft de keuze van de door hem gehanteerde methode als wat betreft de daarbij gehanteerde uitgangspunten en gegevens.'2 De OK zag in 2003 dat de reeds lang slepende procedure een efficiënt verloop nodig had en gaf zelf geen opdracht voor een nadere deskundigenrapportage, maar liet dit over aan de rechtbank. Er waren immers reeds deskundigen met een nadere en een aanvullende rapportage belast.
In 2008 (!) kwam de waardering nogmaals bij de OK aan de orde. Zij oordeelde vervolgens dat de door de rechtbank benoemde deskundigen hun conclusie omtrent de waarde van de aandelen 'onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar' hadden gemaakt. Er was een nader deskundigenbericht nodig om tot waardebepaling te kunnen komen. De OK benoemde derhalve (nu zelf) een deskundige en gaf hem de opdracht gemotiveerd toe te lichten waarom hij een bepaalde waarderingsmethode had gebruikt en rekenschap te geven van de berekening en de grondslagen van deze methode. De deskundige diende eveneens alle relevante informatie bij zijn rapport te voegen.3
Niet geheel duidelijk is wat 'naar beste weten' in art. 198 Rv precies betekent. De Hoge Raad geeft de deskundige wel de nodige vrijheid om het onderzoek te verrichten op een wijze die hem het beste voorkomt.4 In één van de Hooymansuitspraken gaf de OK in ro. 4.10 een duidelijke invulling van de taak van de deskundige die de aandelen moet waarderen: hij moet nader, gemotiveerd en concreet aangeven op welke wijze hij tot zijn oordeel komt, zowel wat betreft de keuze van de door hem gehanteerde methode als wat betreft de daarbij gehanteerde uitgangspunten en gegevens. De door de OK gehanteerde norm kan volgens mij dienen als nadere invulling van de norm 'naar beste weten' en zou de standaardnorm voor iedere deskundige in de geschillenregeling moeten zijn.