HR, 03-10-2025, nr. 24/00617
ECLI:NL:HR:2025:1475
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-10-2025
- Zaaknummer
24/00617
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1475, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:230
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑10‑2025
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025100315
NDFR Nieuws 2025/1530
FutD 2025-1953
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/1070
NTFR 2025/1557 met annotatie van mr. E. Alink
NLF 2025/2045 met annotatie van Theo Hoogwout
FED 2025/115 met annotatie van D.M. Broekhuijsen
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; art. 14 EVRM; art. 1 EP; art. 5.2 Wet IB 2001; Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet); Besluit rechtsherstel box 3, werkelijk rendement, ongerealiseerde waardemutaties
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00617
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
de erven van [A] (hierna: belanghebbenden)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 januari 2024, nr. BK-23/000301., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/6960) betreffende de aan [A] (hierna: erflaatster) voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Op 1 januari 2018 had [A] bank- en spaartegoeden van € 95.428 en een goudbaar met een waarde van € 33.873.
2.2
Aan erflaatster is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd naar onder meer een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.658.
2.3
De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vervolgens verminderd tot € 1.479. De Inspecteur heeft zich daarbij gebaseerd op het Besluit rechtsherstel box 32., welk besluit, voor zover hier van belang, inhoudelijk overeenstemt met de nadien vastgestelde Wet rechtsherstel box 33..
2.4
De Rechtbank heeft het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen berekend op basis van het werkelijke rendement en vastgesteld op € 566. Het werkelijke rendement is daarbij bepaald op een gerealiseerde waardevermeerdering van het spaargeld van € 38 en een ongerealiseerde waardevermeerdering van de goudbaar van € 701. Bij de berekening van de belasting in box 3 over dit werkelijke rendement heeft de Rechtbank rekening gehouden met het heffingvrije vermogen.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar het juiste bedrag is vastgesteld.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank de aanslag eerder tot een te hoog dan een te laag bedrag heeft vastgesteld, omdat met de niet-gerealiseerde waardestijging van de goudbaar geen werkelijk rendement is gerealiseerd. Het Hof heeft het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen becijferd op € 29, gebaseerd op een gerealiseerde waardevermeerdering van het spaargeld van € 38 en rekening houdend met het heffingvrije vermogen bij de berekening van de belasting in box 3 over dat bedrag.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het middel betoogt onder meer dat het aan de wetgever is, en niet aan de rechter, om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met een schending van het EVRM en het EP als gevolg van het stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3. Het middel faalt in zoverre. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.2
Het middel slaagt voor zover het erover klaagt dat het Hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip werkelijk behaald rendement, aangezien daartoe ook ongerealiseerde waardeveranderingen moeten worden gerekend. De Hoge Raad verwijst naar rechtsoverweging 5.4.8 van het arrest van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705 (hierna: het arrest van 6 juni 2024).
4.3
Ook is het middel terecht voorgesteld voor zover het erover klaagt dat het Hof bij het bepalen van het voordeel uit sparen en beleggen rekening heeft gehouden met het heffingvrije vermogen. De Hoge Raad verwijst naar rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 6 juni 2024.
5. Slotsom
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 en 4.3 is overwogen kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het Hof heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat de waardevermeerdering van het spaargeld in 2018 € 38 bedraagt en de niet-gerealiseerde waardevermeerdering van de goudbaar € 701 bedraagt. Aangezien die vaststelling in cassatie niet is bestreden, dient het werkelijke rendement van erflater in 2018 te worden gesteld op € 38 + € 701 = € 739.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behalve de beslissing over het griffierecht,
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, en
- vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 739 onder handhaving van de overige elementen van de aanslag.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Beroepschrift 03‑10‑2025
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 24/00617) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 januari 2024, nr. 23/00030, inzake de erven [A] te [Z] betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2018.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 27 februari 2024 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht dan wel van verzuim van vormen, in het bijzonder van het bepaalde in de Wet rechtsherstel box 3, artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 14 EVRM en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat het door de wetgever geboden rechtsherstel, zoals vormgegeven in de Wet rechtsherstel box 3, de evenredigheidstoets van artikel 1 EP EVRM in samenhang met artikel 14 EVRM niet kan doorstaan en dat de op rechtsherstel gerichte compensatie in het onderhavige geval dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement op de bank- en spaartegoeden en de baar goud, waarbij naar het oordeel van het Hof het werkelijke rendement 1) enkel bestaat uit direct gerealiseerde vermogensopbrengst zodat voor de baar goud geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, en 2) dient te worden berekend rekening houdend met het heffingvrije vermogen, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting op het middel
Feiten en oordeel Hof
- •
In het jaar van geschil, 2018, behoren bij belanghebbenden tot de rendementsgrondslag van artikel 5.3, eerste lid, Wet IB 2001, bank- en spaartegoeden en een baar goud als overige bezitting. De rendementsgrondslag bedraagt € 129.301. De grondslag sparen en beleggen bedraagt € 99.301.
- •
Op basis van het Besluit rechtsherstel box 31. (het Besluit) heeft de Inspecteur het voordeel uit sparen en beleggen berekend naar een bedrag van € 1.479.2.
- •
In 2018 is met betrekking tot de bank- en spaartegoeden een bedrag van € 38 aan rente ontvangen.
- •
De waarde van de baar goud bedroeg op 1 januari 2018 € 33.873 en op 1 januari 2019 € 34.574.
- •
Voor de overige feiten verwijs ik naar onderdeel 2 van de uitspraak van het Hof.
In afwijking van de Wet rechtsherstel box 33. heeft het Hof belanghebbenden compensatie geboden door het voordeel uit sparen en beleggen voor 2018 vast te stellen op € 29. Het Hof is daarbij uitgegaan van een naar zijn oordeel werkelijk gerealiseerd rendementspercentage van 0,03% (€ 38/€ 129.301). Dit rendementspercentage vermenigvuldigt het Hof vervolgens met de grondslag sparen en beleggen van € 99.301, bestaande uit de rendementsgrondslag van € 129.301 verminderd met het heffingvrije vermogen van € 30.000. Naar het oordeel van het Hof bedraagt het voordeel uit sparen en beleggen (ter zake van de bank- en spaartegoeden) € 29 (0,03% × € 99.301). Voor de baar goud heeft het Hof geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen, omdat ongerealiseerde vermogenswinsten volgens het Hof niet passen binnen de term ‘werkelijk rendement’.
Beschouwing
De Hoge Raad (HR) heeft in het Kerstarrest4. geoordeeld dat het box 3-stelsel dat geldt vanaf 1 januari 2017 in bepaalde gevallen in strijd is met het EVRM. Bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten dient de rechter in het algemeen aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende aanknopingspunten zijn af te leiden voor de beantwoording van de vraag hoe dit dient te geschieden, aldus de HR. Zulke aanknopingspunten aan de hand waarvan de rechter binnen het bestaande wettelijk stelsel zou kunnen vaststellen hoe de geconstateerde schending valt op te heffen, zijn in dit geval niet voorhanden. Dan is het naar het oordeel van de HR aan de wetgever om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met de geconstateerde schending. De HR is van oordeel dat het formuleren van een daartoe geschikte rechtsregel en de in dat verband te maken keuzes aan de wetgever dienen te worden overgelaten.5.
Het Kerstarrest heeft geleid tot een (politieke) discussie over de consequenties van het arrest en het te bieden rechtsherstel in box 3. In mijn brief van 15 april 20226. en tijdens het commissiedebat van 20 april 2022 zijn verschillende mogelijkheden voor het rechtsherstel in box 3 aan bod gekomen. Ik heb in de brief aangegeven dat de enige uitvoerbare en acceptabele wijze van rechtsherstel een geautomatiseerd rechtsherstel op basis van een nieuwe forfaitaire berekening is. Hierbij wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het box 3-vermogen (werkelijke vermogensmix), maar niet van het werkelijk behaalde rendement. De Belastingdienst beschikt namelijk niet over informatie van voldoende kwaliteit over het werkelijke rendement. Daarnaast zullen niet alle belastingplichtigen beschikken over informatie over in het verleden door hen behaalde werkelijke rendementen. Bovendien is ook na het Kerstarrest het gebruik van forfaits toegestaan, mits bij het vaststellen van de forfaitaire grenzen wordt getracht de werkelijkheid te benaderen; zie onderdeel 3.2.3 van het Kerstarrest en onderdeel 2.4.1.2 van het arrest HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129.
Door voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen de werkelijke vermogensmix te gebruiken en af te stappen van de forfaitaire vermogensmix wordt een belangrijk bezwaar tegen de box 3-heffing weggenomen;7. zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal (A-G) Niessen bij het Kerstarrest.8. De A-G is in onderdeel 7.7 van de conclusie van mening dat het rechtstekort in box 3 wordt opgeheven wanneer wordt uitgegaan van de daadwerkelijk aangehouden spaargelden en overige bezittingen. In mijn brief van 28 april 20229. heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd dat het kabinet heeft besloten het rechtsherstel10. in gang te zetten volgens de forfaitaire spaarvariant. Er wordt gewerkt met drie forfaits, te weten voor spaargeld, schulden en overige bezittingen. De forfaits worden toegepast op de werkelijke vermogensmix, dat wil zeggen op de werkelijke spaartegoeden, schulden en overige bezittingen. In de brief van 28 april 2022 is verder vermeld dat via een beleidsbesluit regels worden vastgelegd om de precieze vormgeving van het rechtsherstel te verankeren en dat dit besluit daarna in wetgeving wordt omgezet. Met de forfaitaire spaarvariant kan geautomatiseerd rechtsherstel geboden worden, indien de nieuwe forfaitaire berekening van het voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het oorspronkelijk berekende voordeel uit sparen en beleggen. Met de forfaitaire spaarvariant wordt het rechtsherstel toegespitst op spaarders, die meer spaargeld hebben dan volgens de forfaitaire vermogensmix. De forfaitaire spaarvariant voorkomt dat beleggers in slechte jaren geld terugkrijgen, ook als ze bezien over meerdere jaren wel een goed rendement hadden. Verder is een voordeel van de forfaitaire spaarvariant dat de budgettaire derving fors wordt beperkt. Via een brief met dagtekening 30 juni 202211. heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd dat de precieze vormgeving van het rechtsherstel volgens de zogenoemde forfaitaire spaarvariant, vooruitlopend op wetgeving, is verankerd in het Besluit. Het Kerstarrest heeft geleid tot een majeure hersteloperatie. Het arrest heeft directe werking en moest daarom direct uitgevoerd worden. De Belastingdienst heeft hiervoor in korte tijd grote inspanningen geleverd om de benodigde aanpassingen aan de systemen te kunnen bewerkstelligen. Het rechtsherstel is zodanig vormgegeven dat het grotendeels geautomatiseerd kan worden uitgevoerd op basis van reeds beschikbare gegevens. Burgers hoeven in beginsel zelf geen actie te ondernemen. Uit de bij het Besluit behorende uitvoeringstoets blijkt dat het geautomatiseerde rechtsherstel voor de Belastingdienst uitvoerbaar is.12. Uit de uitvoeringstoets blijkt evenwel dat de impact van het rechtsherstel voor de uitvoering groot is.
Het bieden van rechtsherstel over de kalenderjaren 2017 t/m 2020 is per 1 juli 2022 op grond van het Besluit In gang gezet. Het Besluit bevat voor de toepassing van hoofdstuk 5 Wet 1B 2001 een nieuwe forfaitaire berekening van het voordeel uit sparen en beleggen. De totstandkoming van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen is in punt 1.2 van het Besluit als volgt onderbouwd:
‘Bij het rechtsherstel wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement, geldt voor iedere vermogenscategorie een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage. Bij de vormgeving van dit rechtsherstel zijn diverse aspecten betrokken, waaronder budgettaire, uitvoeringstechnische en maatschappelijke aspecten. Het is erop gericht om op een geautomatiseerde wijze uitvoering te geven aan het bovengenoemde arrest. Met de in dit besluit beschreven nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen wordt naar de mening van het kabinet naar redelijkheid op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel geboden.’
Met terugwerkende kracht tot 1 januari 201713. is de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen neergelegd in de Wet rechtsherstel box 3.14. De wetgever heeft de keuze om de box 3-heffing niet te baseren op het werkelijk behaalde rendement als volgt toegelicht:
‘Na de voorgestelde aanpassingen zal het voordeel uit sparen en beleggen beter aansluiten bij het werkelijk behaalde rendement. Dit geldt in het bijzonder voor belastingplichtigen met een groter aandeel banktegoeden dan forfaitair werd verondersteld. Ook na de voorgestelde aanpassingen is geen sprake van een heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement. Het werkelijke rendement van een individuele belastingplichtige kan in een belastingjaar hoger of lager zijn dan het forfaitair bepaalde rendement. De regering werkt aan de invoering van een stelsel op basis van het werkelijk behaalde rendement. Het is uitvoeringstechnisch nog niet mogelijk om op dit moment al het werkelijke rendement te belasten. Voor het rechtsherstel is gekozen voor een methode die in grote mate geautomatiseerd is uit te voeren door de Belastingdienst, waarbij belastingplichtigen zo min mogelijk aanvullende gegevens hoeven aan te leveren. Door het loslaten van een forfaitaire samenstelling van het vermogen en het hanteren van rendementspercentages, voor de hierboven beschreven vermogenscategorieën, wordt het werkelijk behaalde rendement beter benaderd. Hoewel het voorgestelde forfaitaire stelsel in een zeker opzicht ruw is, 1s de regering van oordeel dat het voorstel de proportionaliteitstoets van het EVRM kan doorstaan. Voor de proportionaliteitstoets is van belang dat een redelijke verhouding bestaat tussen de gehanteerde middelen en het beoogde doel van de heffing. Hierbij heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Deze redelijke verhouding is aanwezig gelet op het maatschappelijke en budgettaire belang van een heffing op vermogensinkomsten, de nadelen van overwogen alternatieven — zoals in paragraaf 5 nader beschreven en het feit dat de regering werkt aan een zo spoedig mogelijke invoering van een heffing op basis van het werkelijke rendement. Bij de keuze voor een forfaitair stelsel is verder van belang dat bij het vaststellen van de forfaits getracht wordt de werkelijkheid te benaderen, zoals met het voorstel wordt beoogd.’
‘Een uitvraag bij alle belastingplichtigen of tegenbewijsregeling zou het nadeel kunnen wegnemen dat de belastingheffing over een hoger inkomen plaatsvindt dan over het werkelijke rendement. Hier is echter bij het rechtsherstel niet voor gekozen. Het belangrijkste argument is dat het met terugwerkende kracht aansluiten bij en uitvragen van het daadwerkelijke rendement te veel zou vergen van de uitvoering bij de Belastingdienst en van het doenvermogen van burgers. Bovendien kan de Belastingdienst door de beperkt beschikbare contra-informatie niet met zekerheid vaststellen of het werkelijke rendement op de juist[e] manier is berekend. Dat zou onder meer leiden tot niet-gebruik en oneigenlijk gebruik. Een tegenbewijsregel1ng betekent de facto de introductie van een stelsel op basis van werkelijk rendement vanaf 2017. Wel werkt de regering aan een zo spoedig mogelijke invoering van een stelsel op basis van het werkelijk behaalde rendement.’
Het Hof is van oordeel dat in afwijking van de Wet rechtsherstel box 3 compensatie moet worden geboden waarbij de op rechtsherstel gerichte compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement en dat niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty's en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst. De wetgever heeft er echter bewust niet voor gekozen om de compensatie te laten aansluiten bij de directe, gerealiseerde vermogensopbrengst. Voor het vaststellen van het voordeel uit sparen en beleggen heeft de wetgever in de Wet rechtsherstel box 3 het werkelijke vermogen onderverdeeld in drie categorieën met voor iedere vermogenscategorie een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage, dat zoveel mogelijk aansluit bij het werkelijk behaalde rendement over de betreffende vermogenscategorie.
De keuze voor forfaitaire rendementspercentages is door de wetgever als volgt toegelicht:
‘Bij de bepaling van de forfaitaire rendementspercentages is net als in het huidige box 3-stelsel uitgegaan van een breed rendementsbegrip. Het rendementsbegrip omvat zowel het directe rendement (zoals rente en dividend) als gerealiseerde en niet-gerealiseerde waardemutaties. (…) Uitgaan van het brede rendementsbegrip is in lijn met het eerder met de Tweede Kamer gedeelde advies van drie externe deskundigen. Dit rendementsbegrip ligt ook ten grondslag aan het huidige box 3-stelsel.15.
(…)
Overwogen is om in de nieuwe berekening voor meer vermogenscategorieën (dan de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen drie vermogenscategorieën) een afzonderlijk rendementspercentage op te nemen.16. In die variant worden voor alle rubrieken uit de belastingaangifte: spaargeld, onroerende zaken, effecten (aandelen en obligaties), contant geld, vorderingen et cetera, de forfaitaire rendementspercentages gebaseerd op de gemiddelde rendementen voor deze vermogenscategorieën in het betreffende belastingjaar. Het nadeel van deze variant is dat belastingplichtigen met beleggingen in gemiddeld genomen slechte beleggingsjaren geld terugkrijgen, ook als zij over de gehele periode 2017–2022 een hoog rendement hebben behaald. Voor jaren waarin het voordeel uit sparen en beleggen volgens de regels van rechtsherstel hoger is kan echter niet worden bijgeheven. Bovendien blijft het ook in deze variant niet mogelijk om geautomatiseerd onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld aandelen en obligaties, omdat deze posten niet worden onderscheiden in de systemen van de Belastingdienst. Gelet op het bovenstaande heeft de regering gekozen voor de voorgestelde variant, waarbij voor overige bezittingen wordt uitgegaan van het huidige meerjarige gemiddelde rendement uit rendementsklasse II.’
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, blz. 7 en 8.
Voor de toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 behoort de baar goud tot de vermogenscategorie overige bezittingen. Deze categorie kent veel verschillende typen vermogensbestanddelen die op basis van de gegevens in de aangifte niet altijd te onderscheiden zijn. Bovendien kan het rendement van de verschillende vermogensbestanddelen binnen de categorie overige bezittingen per jaar sterk fluctueren, terwijl met de investering vaak op de lange termijn een rendement nagestreefd en behaald wordt. Bij het bepalen van de forfaitaire rendementspercentages is, net als in het box 3-stelsel dat gold tot 2017, uitgegaan van een breed rendementsbegrip dat niet enkel directe, gerealiseerde rendementen bevat.17. In de Wet rechtsherstel box 3 wordt uitgegaan van een breed rendementsbegrip, hetgeen in lijn is met het eerder met de Tweede Kamer gedeelde advies van drie externe deskundigen. Gelet op de moeilijkheden bij het nader uitsplitsen van deze vermogensbestanddelen en het uitgangspunt van een geautomatiseerd rechtsherstel, wordt met het gehanteerde forfait voor overige bezittingen op de meest rechtvaardig mogelijke manier aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. Daarbij speelt ook een rol dat alle overwogen alternatieven, zoals het uitvragen van het werkelijke rendement bij belastingplichtigen of het invoeren van een tegenbewijsregeling, belangrijke nadelen kennen.18. Ten slotte is in dit kader van belang dat de Belastingdienst niet beschikt over informatie over aan- en verkopen van overige bezittingen binnen eenzelfde belastingjaar en over eventuele met die verkoop in de loop van het jaar behaalde resultaten.
Door bij het bieden van het rechtsherstel uit te gaan van een nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen heeft de wetgever een balans gevonden tussen enerzijds de noodzaak om recht te doen aan het Kerstarrest en anderzijds de praktische mogelijkheden gelet op het doenvermogen van belastingplichtigen en de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst.19. De keuze voor een geautomatiseerde regeling waarbij belastingplichtigen zo min mogelijk aanvullende gegevens hoeven aan te leveren, is gemaakt om op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel te bieden. Hoewel de beschreven methodiek in een zeker opzicht ruw is, kan deze naar mijn mening de proportionaliteitstoets van het EVRM doorstaan. Voor de proportionaliteitstoets is van belang dat een redelijke verhouding bestaat tussen de gehanteerde middelen en het beoogde doel van de heffing, waarbij de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft. De redelijke verhouding is mijns inziens aanwezig gelet op het maatschappelijke en budgettaire belang van een heffing op vermogensinkomsten, de nadelen en onmogelijkheden van overwogen alternatieven en het feit dat wordt gewerkt aan een zo spoedig mogelijke invoering van een heffing op basis van het werkelijke rendement.20. Ook de Afdeling advisering van advies van de Raad van State benadrukt het belang van een werkbare en evenwichtige afwikkeling. Een regeling die optimaal tegemoetkomt aan het Kerstarrest maar niet uitvoerbaar is, draagt uiteindelijk niet bij aan rechtsherstel voor betrokkenen. Door de omvang van de hersteloperatie kan deze naar de mening van de Afdeling alleen op uniforme, geautomatiseerde — in een wet neergelegde — wijze worden uitgevoerd.
Als het voordeel uit sparen en beleggen ingevolge de Wet rechtsherstel box 3 lager is dan het vóór inwerkingtreding van de Wet rechtsherstel box 3 berekende voordeel uit sparen en beleggen (het oorspronkelijke voordeel uit sparen en beleggen), dan wordt het voordeel uit sparen en beleggen op het lagere bedrag vastgesteld.21. Het Hof gaat ten onrechte niet uit van het ingevolge de Wet rechtsherstel box 3 berekende voordeel uit sparen en beleggen. Het Hof gaat bij het vaststellen van het voordeel uit sparen en beleggen van belanghebbenden enkel uit van het daadwerkelijk genoten inkomen ten aanzien van de bank- en spaartegoeden (€ 38) en de baar goud (nihil). De kennelijke opvatting dat nu het ingevolge de Wet rechtsherstel box 3 forfaitair berekende voordeel uit sparen en beleggen niet tot dat bedrag daadwerkelijk is ontvangen en dus niet mag worden belast, is niet juist. Met de invoering van box 3 in de Wet 18 2001 heeft de wetgever bepaald dat in beginsel alle bezittingen van de belastingplichtige, behalve bepaalde wettelijke uitzonderingen, bij wijze van fictie worden geacht forfaitair bepaalde inkomsten op te leveren. De omstandigheid dat het rendement op een inkomensbestanddeel op forfaitaire wijze is bepaald, maakt niet dat geen sprake is van ‘genoten’ inkomen in de zin van artikel 2.3 van de Wet 1B 2001. Het is de wetgever toegestaan om zich bij een nationale bepaling te bedienen van forfaits en ficties als het onderhavige forfait. Het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 9 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4633 overwogen dat uit de wetsgeschiedenis22. blijkt dat met het begrip genoten inkomen wordt bedoeld dat het bij de belastingplichtige moet zijn opgekomen of op grond van specifieke bepalingen geacht moet worden bij de belastingplichtige te zijn opgekomen. De HR heeft in het arrest van 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1108, onder verwijzing naar zijn arresten van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 en ECLI:NL:HR:2019:817, het cassatieberoep van de belanghebbende in die procedure verworpen met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
In de memorie van toelichting op het Belastingplan 2016 is in het kader van de herziening van het box 3-stelsel met ingang van 2017 al toegelicht dat het totale rendement op vermogen bestaat uit enerzijds de inkomsten uit het vermogen, zoals rente, dividend, royalty's en huur, en anderzijds de waardestijging of — daling van het vermogen.23. Ook voor het rechtsherstel (en de Overbruggingswet box 324. en25.) wordt het voordeel uit sparen en beleggen niet vastgesteld op enkel de feitelijk genoten directe vermogensopbrengst (zoals rente en dividend). De HR heeft geoordeeld dat de wetgever bij het hanteren van een forfaitair stelsel de werkelijkheid moet trachten te benaderen. Voor zover het Hof van oordeel is dat het Kerstarrest dwingt tot een box 3-heffing over het werkelijk behaalde directe rendement, vindt dat oordeel geen steun in het recht. Noch de Wet 1B 2001 noch de Wet rechtsherstel box 3 bieden de mogelijkheid om het voordeel uit sparen en beleggen vast te stellen op de feitelijke opbrengst.
Het werkelijke rendement
Mocht in het kader van het te bieden rechtsherstel toch moeten worden uitgegaan van het werkelijke rendement, dan dient mijns inziens tot het werkelijke rendement niet alleen feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty's en andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst te worden gerekend maar ook ongerealiseerde waardemutaties van de bezittingen. In dit verband verwijs ik naar de recente gemeenschappelijke bijlage bij een vijftal conclusies van de Advocaat-Generaal (A-G) Pauwels.26. Het werkelijk behaalde rendement dient naar de mening van de A-G zoveel mogelijk aan te sluiten bij het inkomen/rendement dat de wetgever heeft beoogd te treffen met het forfaitaire box 3-stelsel. Hij pleit voor een rendementsbegrip waartoe ongerealiseerde waardemutaties behoren, omdat ook het voordeel uit sparen en beleggen daarmee rekening houdt.27. Volgens de A-G lijken de gerechtshoven te zijn uitgegaan van een tegengestelde (dus zijns inziens onjuiste) opvatting, waarin het werkelijk behaalde rendement abstraheert van ongerealiseerde waardemutaties.28. In lijn met deze opvatting van de A-G meen ik dat in casu tot het werkelijke rendement tevens behoort de (ongerealiseerde) waardemutatie van de baar goud. Uitgaande van de waarde van de baar goud per 1 januari 2018 en 1 januari 2019 bedroeg de vermogensmutatie daarvan in het jaar 2018 € 701.
Na tot het oordeel te zijn gekomen dat de op rechtsherstel gerichte compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement, besluit het Hof het voordeel uit sparen en beleggen toch niet vast te stellen op het werkelijk behaalde rendement maar op een bedrag van € 29. Het Hof is daarbij uitgegaan van een naar zijn oordeel werkelijk gerealiseerd rendementspercentage van 0,03% (€ 38/€ 129.301). Dit rendementspercentage vermenigvuldigt het Hof vervolgens met de grondslag sparen en beleggen van € 99.301, bestaande uit de rendementsgrondslag van € 129.301 verminderd met het heffingvrije vermogen van € 30.000. Naar het oordeel van het Hof bedraagt het voordeel uit sparen en beleggen (ter zake van de bank- en spaartegoeden) € 29 (0,03% × € 99.301). Bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen vervangt het Hof de wettelijke regeling in de Wet rechtsherstel box 3 door een andere regeling, waartoe het Hof naar mijn mening niet is bevoegd. De berekening van het Hof is niet juist, reeds omdat deze uitgaat van een (volgens het Hof werkelijk gerealiseerd) rendementspercentage dat afwijkt van de Wet rechtsherstel box 3. Bovendien houdt het Hof bij het bepalen van het voordeel uit sparen en beleggen rekening met het heffingvrije vermogen, hetgeen mijns inziens niet terecht is wanneer het voordeel uit sparen en beleggen dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement. De HR heeft de belanghebbende in het Kerstarrest namelijk rechtsherstel geboden door te bepalen dat met betrekking tot de jaren 2017 en 2018 alleen het genoemde werkelijke rendement in de heffing te betrekken, zonder daarbij rekening te houden met het heffingvrije vermogen; zie ook de onderdelen 7.81 (met verwijzing naar het advies van de drie externen) en 7.82 van de reeds aangehaalde gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 9 februari 2024 van de A-G Pauwels.29.
Voor de baar goud heeft het Hof ten onrechte geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen. In dat kader is onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat tussen partijen niet in geschil is dat op de baar goud in 2018 geen rendement is gerealiseerd. Uit het proces verbaal van de zitting voor het Hof van 24 oktober 2023 blijkt dat de Inspecteur duidelijk heeft aangegeven dat zij het niet eens is met de uitspraken van het Hof van 4 oktober 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:2025, 2026, 2035 en 2036) waarin is beslist dat voor de box 3-heffing moet worden aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement en dat naar het oordeel van het Hof ongerealiseerde vermogenswinsten daarvan geen onderdeel uitmaken.
Conclusie
Het Hof miskent dat het aan de wetgever is om invulling te geven aan het rechtsherstel. Het Hof heeft ten onrechte de Wet rechtsherstel box 3 buiten toepassing gelaten. Het Hof is kennelijk van oordeel dat met de Wet rechtsherstel box 3 geen rechtsherstel wordt geboden dat verenigbaar is met het EVRM. Die opvatting acht ik niet juist. 's Hofs oordeel gaat eraan voorbij dat de vormgeving van het rechtsherstel gepaard is gegaan met een door de wetgever gemaakte afweging van uitvoeringstechnische, maatschappelijke, politieke en budgettaire aspecten. De rechter dient de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij zijn afweging te respecteren, tenzij de afweging van de wetgever evident van elke redelijke grond ontbloot is.30. Van dit laatste is naar mijn mening geen sprake. Indien het voordeel uit sparen en beleggen naar het oordeel van de Hoge Raad toch dient te worden vastgesteld op het werkelijk behaalde rendement (dan is 's Hofs oordeel onjuist vanwege een verkeerde (want te beperkte) uitleg van het begrip werkelijk rendement en het onterecht rekening houden met het heffingvrije vermogen bij het vaststellen van het werkelijke rendement.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑10‑2025
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 (Stcrt. 2022, 17063).
Zie het nader stuk van de Inspecteur in eerste aanleg van 29 september 2022.
Wetsvoorstel 36 203, Wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over de kalenderjaren 2017 tot met 2022 door het lager vaststellen van het voordeel in gevallen waarin dat nodig is om het voordeel in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de HR van 24 december 2021 (Wet rechtsherstel box 3).
HR 24 december 2021, ECLl:NL:HR:2021:1963.
Om de redenen die de HR noemt in onderdeel 3.6.2 van het Kerstarrest ziet hij zich genoodzaakt de belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde verdragsschending. Ervan uitgaande dat de rechtsbescherming een op rechtsherstel gerichte compensatie vergt waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen, biedt de HR rechtsherstel door het werkelijke rendement in de box 3-heffing te betrekken (onderdeel 3.6.3).
Conclusie van de Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen van 1 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1019.
Dit betreft het rechtsherstel voor de massaal bezwaarmakers over de jaren 2017–2020 en voor alle belastingplichtigen wiens aanslag nog niet onherroepelijk vaststond (dat zijn onder meer alle belastingplichtigen over de jaren 2021–2022). Het was nodig om voor het einde van de maand april 2022 een besluit te nemen over de variant van rechtsherstel voor de groep van circa 60.000 bezwaarmakers per jaar, zodat de Belastingdienst aan de slag kon om hen vóór 4 augustus 2022 rechtsherstel te bieden.
Brief van 30 juni 2022, met kenmerk 2022-0000180461 en Kamerstukken II 2021/22, 36 203, nr. 131.
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 7. Vergelijk HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:B11892.
Ingevolge het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 21 december 2022, nr. 286774, (Stcrt. 2022, 31676) zijn de besluiten van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 (Stcrt. 2022, 17063) en van 29 juli 2022, nr. 2022-199150 (Stcrt. 2022, 20318) komen te vervallen. De beleidsbesluiten hebben hun belang verloren door de inwerkingtreding van de Wet rechtsherstel box 3.
Zie in gelijke zin de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 5 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13420, waarin is geoordeeld dat, gezien de hogere (ongerealiseerde) waardestijging van de tweede woning, niet kan worden gezegd dat het behaalde werkelijke rendement lager is dan het in de box 3-heffing betrokken rendement.
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 6, blz. 2 en 3.
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, blz. 2 en 4.
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 37, 78–79.
Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 3, bijlage A.
Kamerstukken I 2022/23, 36 204, C, blz. 6 en 7.
Gemeenschappelijke bijlage (ECLI:NL:PHR:2024:1) bij de conclusies van 9 februari 2024 in de zaken met HR nrs. 22/01571, 22/04676, 23/01022, 23/01736 en 23/02894.
Onderdeel 7.64 van de Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 9 februari 2024.
Onderdeel 7.48 van de Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 9 februari 2024.
O.a. HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:1.