Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/8.6
8.6 Daderschap van en toerekenbaarheid aan natuurlijke en rechtspersonen
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Hulk, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht (2009), p. 451. Zie voor een recent voorbeeld HR 5 oktober 2010, NJB 2010/1940.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 79. Overwogen werd dat medeplichtigheid aan overtredingen niet strafbaar is, dat doen plegen, dat wil zeggen het plegen van een delict door middel van een ander die zelf niet strafbaar is, ook in het strafrecht een zeldzame figuur is (de leer van het functioneel daderschap volstaat), terwijl uitlokking bij lichtere delicten evenmin veel voor komt en bovendien veelal een uitvoerig feitenonderzoek vergt waarvoor de bestuursrechtelijke procedure zich minder goed leent.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 78-79. In ABRvS 8 april 2009, AB 2009/291 werd overwogen dat degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk schendt in de eerste plaats degene is die de verboden handeling fysiek verricht, maar dat daarnaast in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk kan worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. De Afdeling achtte het aannemelijk dat niet de bewoner de vuilniszak op onjuiste wijze ter inzameling had aangeboden doch zijn schoonmoeder, maar nu de schoonmoeder als toenmalige logee van de bewoner moet worden geacht dit in opdracht van hem te hebben gedaan, diende het onjuist aanbieden van het huishoudelijk afval aan hem te worden toegerekend.
Zie de wetsgeschiedenis terzake in Bakker, Langeveld, Maas-Cooymans, Pennarts en Van der Sluis, Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (bestuurlijke handhaving). Praktische handreiking, parlementaire geschiedenis en strafrechtelijke jurisprudentie (2010), p. 41-45.
CBb 22 december 2009, AB 2010/216. Het zal overigens de vraag zijn of in deze casus is voldaan aan de strenge eisen die de Hoge Raad stelt aan de figuur van medeplegen. Er moet sprake zijn van een bewuste en nauwe samenwerking, aldus HR 30 maart 2006, NJ2006/315 en 24 mei 2011, LJNBP6581. De Hoge Raad lijkt functioneel daderschap en medeplegen daarbij scherp te onderscheiden.
Onder meer ABRvS 21 maart 2007, LTN BA1198; 16 juli 2008, J73 2008/197 en 17 maart 2010, AB 2010/183.
Kamerstukken // 1975/76, 13 655, nr. 3, p. 8.
BR 21 oktober 2003, NJ 2006/328 (Drijfmest). De criteria zijn herhaald in onder meer BR 22 juni 2010, NJ BK3526.
Met betrekking tot dit laatste wordt aangesloten bij de oude ijzerdraadcriteria die met het oog op het functionele daderschap van een natuurlijke persoon zijn ontwikkeld. Zie BR 23 februari 1954, NJ 1954/378 (LIzerdraad).
BR 16 december 1986, NJ 1987/321 (Slavenburg). Zie ook BR 1 juni 1993, NJ 1994/53 en 8 juni 1999, NJ 1999/579.
HR 1 februari 2005, NJ 2006/421 (SE Fireworks).
Niettemin hoeft niet voor iedere taxirit opdracht te worden gegeven om van opdrachtgeven te kunnen spreken, aldus HR 23 oktober 1984, NJ 1985/319.
Zie art. 50 lid 2 Meststoffenwet (oud) en CBb 22 december 2009, AB 2010/216. Zie ook art. 2.7 lid 2 Wet handhaving consumentenbescherming (oud) en Vzr Rb Rotterdam 15 februari 2011, LJN BP5303. En zie voorts art. 56 lid 4 Mededingingswet (oud). In de concentratiezaak Wegener merkte de NMa een directeur en vier commissarissen van een onderneming aan als feitelijk leidinggevende en legde hen een boete op. Zie daarover Vinken en Noordeloos `NMa beboet Wegener en feitelijk leidinggevenden voor C20 miljoen', Bedriffsjuridische berichten 2010/43, p. 155-159.
Zie ABRvS 13 augustus 2008, AB 2008/370 en CBb 28 februari 2008, AB 2008/139.
Zie Stijnen, 'Strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders. Ontwikkelingen bezien vanuit de financiële toezichtswetgeving', NJB 2008/169, p. 208-209 en Roth 'Het effect van de Vierde tranche Awb op de handhaving van de Wet op het financieel toezicht', Ondernemingsrecht 2008/146, p. 501.
CBb 26 juni 2008, RF 2008/66 (BFD).
Onder meer CBb 7 juli 2010, AB 2010/235 en 18 november 2010, JB 2011/55.
Kamerstukken II 2006/07, 29 702, nr. 11, 12 en 13.
Zie voor een overzicht van de oudere rechtspraak Brants en De Lange, Strafvervolging van overheden (1996), hoofdstuk 2.
HR 6 januari 1998, NJ 1998/367 (Pikmeer II).
In HR 18 september 2007, NJ 2007/512 oordeelde de Hoge Raad dat er geen sprake was van strafrechtelijke immuniteit van de gemeente die (door overstorten) oppervlaktewater verontreinigt bij de verwerking van overtollig regenwater, ondanks haar bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater op grond van art. 10.16a lid 1 Wet milieubeheer, nu deze zorgplicht nog niet betekende dat het feitelijk inzamelen en transporteren van afvalwater niet door anderen dan bestuursfunctionarissen kon worden verricht. In HR 29 april 2008, NJ 2009/130 werd geoordeeld dat de gemeente Etten-Leur kon worden vervolgd voor het medeplegen van het doen van een onjuiste aangifte omzetbelasting en valsheid in geschrift bij het realiseren van een woonproject en het verplaatsen van sportvelden binnen de gemeente. De gemeente genoot hier geen strafrechtelijke immuniteit, nu bezwaarlijk kon worden gezegd dat het hier ging om gedragingen die naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen konden worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak.
HR 25 januari 1994, NJ 1994, 598 (Volkel).
Zie voor dit laatste Rb Amsterdam 7 juli 2010, 1,1NBN2052, waarin werd geoordeeld dat het geven van toestemming om het afval terug te pompen in de Probo Koala een exclusieve bestuurstaak was, zodat het OM niet-ontvankelijk was in haar vervolging van de gemeente Amsterdam.
Zie onder meer Kamerstukken II 2007/08, 30 538, nr. 7.
HR van 3 maart 1998, VR 1998/130.
ABRvS 22 november 2006, AB 2007/25.
ABRvS 23 april 2008, AB 2010/180.
ABRvS 12 mei 2010, AB 2010/185, par. 2.4.1.
1-112 24 november 1987, NJ 1988/395.
1-11( 8 maart 1994, NJ 1994/408; 24 september 2002, LJNAE0553 en 2 oktober 2007, NJ2008/550.
1-112 20 maart 1990, NJ 1991/8 en 8 maart 1994, NJ 1994/408.
1-11( 20 maart 1990, NJ 1991/8 en 17 april 2007, NJ 2007/248.
1-11( 8 maart 1994, NJ 1994/408 en 23 november 1999, NJ 2000/587.
HR 6 april 1999, LJN ZD3918. Kritiek hierop heeft de Hullu. Volgens hem kan in het strafrecht beter geen aansluiting worden gezocht bij het burgerlijke vennootschapsrecht, omdat het mede met het oog op de schuldvraag de voorkeur zou verdienen geen consequenties te verbinden aan ontbinding en rechtsovergang. Zie De Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht (2009), p. 120-121. Ik meen daarentegen dat het juist wenselijk is waar mogelijk aansluiting bij het vennootschapsrecht te zoeken. Rechtspersonen zijn immers, anders dan natuurlijke personen, hoe dan ook constructies.
Zie bijvoorbeeld HR 29 april 2005, BNB 2005/318 en CBb 13 juni 2006, LJN AX8797.
Rb Rotterdam 21 november 2005, JOR 2006/15. Eerder anders: Rb Rotterdam 19 december 2001, JB 2002140.
Vzr Rb Rotterdam 8 juli 2009, JOR 2009/234 (Vedior).
Zie ABRvS 7 april 2010, AB 2011/6; 4 mei 2010, AB 2011/14 en 16 juni 2010, AB 2011/15 en de noot van Jansen bij deze uitspraken.
ABRvS 7 oktober 2009, J73 2009/250.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 125.
In art. 47 Sr worden als dader aangemerkt zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen en zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken. Art. 48 Sr voorziet in de strafbaarstelling van medeplichtigheid, bestaande uit het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf of het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Wat in de spreektaal veelal als medeplichtigheid zal worden geduid — denk aan de uitkijk bij een inbraak of roofoverval — wordt in de jurisprudentie gewoon als medeplegen geduid.1 Dit is geen louter academische kwestie want bij medeplichtigheid gaat een derde af van de maximum hoofdstraffen (art. 49 lid 1 Sr). In art. 5:1 lid 2 Awb is bepaald dat onder overtreder wordt verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Met de Vierde tranche zijn dus niet alle strafrechtelijke deelnemingsvormen gecodificeerd. Doen plegen, uitlokking en medeplichtigheid zullen dan ook niet tot een bestuurlijke boete kunnen leiden.2 Er moet echt sprake zijn van plegen of medeplegen. Dat plegen moet wel ruim worden opgevat:
`Kort gezegd: in het strafrecht kan een sanctie niet alleen worden opgelegd aan degene die de gedraging in fysieke zin verricht, maar ook [aan] degene die daarvoor maatschappelijk gezien verantwoordelijk is. (...) In het bestuursrecht behoort dit niet anders te zijn. Dit betekent dat in veel gevallen een bedrijf of instelling of de leiding van een bedrijf of instelling als overtreder zal kunnen worden aangemerkt, ook al is de gedraging in fysieke zin gepleegd door een werknemer (…).’3
In de wetsgeschiedenis van de Vierde tranche Awb is de nodige aandacht besteed aan de vraag of een belastingadviseur als (mede)pleger kon worden beboet voor het doen van onjuiste aangifte. Die vraag is bevestigend beantwoord. Volgens de regering hoeven niet alle medeplegers de hoedanigheid van belastingplichtige te hebben, maar is voldoende dat één van hen die hoedanigheid bezit. Opgemerkt is verder dat indien al naar medeplegers wordt gezocht dit alleen het geval zal zijn bij vergrijpen en niet bij verzuimen.4 Een mooi voorbeeld van medeplegen in het bestuursrecht vormt de casus waarin twee bedrijven (met één feitelijk leidinggevende) dierlijke meststoffen hadden afgevoerd zonder die te kunnen verantwoorden. Vanwege de nauwe bedrijfsvoering van de twee bedrijven en het gegeven dat het ging om dezelfde 530 vrachten mest die zijn aangevoerd op de locatie van onderneming 1 en van daaruit zijn vervoerd door onderneming 2, was per vracht mest de facto sprake van het slechts één maal niet (kunnen) verantwoorden van de afvoer van de desbetreffende hoeveelheid dierlijke mest en derhalve van één overtreding in de zin van art. 50 lid 1, onderdeel a, Msw. De conclusie was volgens het College derhalve dat de ondernemingen 1 en 2 de overtreding gezamenlijk, als medeplegers, hadden gepleegd en hen ieder de helft van de opgelegde boete kon worden opgelegd in plaats van ieder het volledige bedrag.5 In het kader van de Wet arbeid vreemdelingen hanteert de Afdeling een zeer ruim werkgeversbegrip, hetgeen met zich brengt dat meerdere personen of bedrijven dezelfde vreemdeling dezelfde arbeid laten verrichten en derhalve worden aangemerkt als werkgever. Die personen of bedrijven kunnen dan ook ieder als overtreder worden aangemerkt en ieder afzonderlijk ten volle worden beboet, aldus de Afdeling.6 Het hier gemaakte onderscheid tussen plegen en medeplegen kan aldus voor de boetehoogte van belang zijn.
Het functionele daderschap is neergelegd in art. 51 Sr. Art. 51 Sr luidt:
`1. Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.
2. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:
1°. tegen die rechtspersoon, dan wel
2°. tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel
3°. tegen de onder 1° en 2° genoemden te zamen.
3. Voor de toepassing van de vorige leden wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen.'
In het daderschap van een rechtpersoon ligt een zekere fictie besloten. Door in het strafrecht rechtspersonen evenals natuurlijke personen strafbaar te stellen worden immers handelingen van natuurlijke personen, die daarbij in het verband van de rechtspersoon optreden en te samen de inhoud van een delict vervullen, aan de rechtspersoon toegerekend.7 In het Drijfmestarrest8 heeft de Hoge Raad de maatstaf gehanteerd dat de verboden gedraging in beginsel — in redelijkheid — kan worden toegerekend aan de rechtspersoon indien die heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan zal volgens de Hoge Raad sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.9
Die fictie werkt door voor het feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging die door een rechtspersoon wordt gepleegd. In de Slavenburgbeschikking10 werd overwogen dat van feitelijk leiding geven onder omstandigheden sprake kan zijn indien de verdachte — hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden — maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze zich zullen voordoen. Zie voor die tweede benadering ook de zaak SE Fireworks,11 waarin de Hoge Raad overwoog dat een bestuurder ook feitelijk leiding kan geven aan een culpoos delict. Dit laatste is zeker ook van belang voor het bestuursrecht waarin opzet meestal geen bestanddeel uitmaakt van de beboetbare gedraging. Met betrekking tot opdrachtgeven is de jurisprudentie schaars. Dat is niet zo vreemd, want dit begrip is minder ruim dan het begrip leidinggeven. Daaronder valt niet, zoals bij feitelijk leidinggeven, het toelaten van het feit.12
Hoe is één en ander in het bestuursrecht vormgegeven? Voor de invoering van de Vierde tranche Awb was — uitzonderingen daargelaten13 — in de bijzondere bestuurswetten niet bepaald wie als overtreder kon worden aangemerkt. Algemeen werd aangenomen dat ter zake van kostenverhaal bij bestuurdwang en de oplegging van een last onder dwangsom degenen die het in hun macht hebben de overtreding te beëindigen als overtreder kunnen worden aangemerkt. Zo kon de eigenaar van een perceel waar illegale activiteiten plaatsvonden worden geconfronteerd met bestuurlijke handhaving.14 Ten aanzien van andere sancties was maatgevend tot wie de norm zich richtte. Met name bij de bestuurlijke boete in het financieel toezicht speelde de vraag of slechts de onderneming of ook de leidinggevende in persoon kan worden beboet. Daarbij zou voorts van belang kunnen zijn of de overtreden norm zich richt tot eenieder of enkel tot (onder toezicht staande) ondernemingen.15 Het College van Beroep voor het bedrijfsleven overwoog dat indien het bestuursorgaan van oordeel is dat een onderneming een overtreding heeft begaan, niet aan de bestuurder als feitelijk leidinggever een bestuurlijke boete kon worden opgelegd, omdat art. 51 Sr niet naar analogie kon worden toegepast en evenmin kon worden geanticipeerd op de Vierde tranche Awb. De vraag of DNB wel aan de bestuurder een boete had kunnen opleggen, indien zij die zelf als (mede)dader had bestempeld liet het College hier in het midden, omdat die koerswijziging volgens het College zou betekenen dat de grondslag van de boeteoplegging zou worden verlaten.16 In dit verband moet worden bedacht dat de mogelijkheden tot bestraffing onder het oude recht soms groter waren dan gedacht.17 Voor overtredingen die zijn gepleegd op of na 1 juli 2009 speelt dit probleem niet meer nu in de uiteindelijk vastgestelde tekst van art. 5:1 Awb niet slechts is neergelegd dat overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen, maar tevens dat het tweede en derde lid van art. 51 Sr van overeenkomstige toepassing zijn. Met betrekking tot kartelzaken kan nog worden opgemerkt dat overtredingen ook aan de moedermaatschappij kunnen worden toegerekend.18
Dat art. 5:1 lid 3 Awb niet zonder meer verwijst naar art. 51 Sr, maar alleen naar art. 51 lid 2 en lid 3 Sr, terwijl het daarnaast bevat dat overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen, heeft als achtergrond dat de wetgever niet de bestuursrechter wilde vastleggen op de strafrechtelijke jurisprudentie inzake (beperkte) vervolgbaarheid van de overheid.19 De Hoge Raad meende tot 1998 dat openbare lichamen strafrechtelijke immuniteit genoten en dat slechts individuele overheidsfunctionarissen die op eigen houtje hadden gehandeld konden worden vervolgd voor strafbare feiten.20 De strafrechtelijke jurisprudentie die met Pikmeer II in 1998 is ingezet houdt in dat de strafrechtelijke immuniteit van openbare lichamen als bedoeld in hoofdstuk 7 Grondwet niet langer absoluut is. Lagere overheden kunnen zich vanaf Pikmeer II alleen op strafrechtelijke immuniteit beroepen als de desbetreffende gedragingen naar hun aard en gelet op het wettelijke systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen en geldt deze evenmin voor de in art. 51 lid 2 Sr bedoelde rechtspersonen. Wel dient daarbij aansluiting te worden gezocht bij het in het strafrecht ontwikkelde stelsel van rechtvaardigingsgronden.21 Veel decentrale overheidstaken kunnen (feitelijk) ook door derden worden uitgevoerd, zodat de immuniteit van lagere overheden hierdoor danig is ingeperkt.22 Niettemin blijft de centrale overheid buiten beeld23 en zal soms ook de vervolging van een lokale overheid niet mogelijk zijn.24 Al enige jaren geleden is een initiatiefwetsvoorstel ingediend tot opheffing van de strafrechtelijke immuniteit van de Staat en van andere overheden, alsmede van hun leidinggevers.25
Hoewel de Hoge Raad al vrij snel in een Mulderzaak oordeelde dat de Pikmeer IIdoctrine niet gold voor de bestuurlijke boete en ook de Staat zelf onder het bereik van de WAHV viel,26 hield de Afdeling zich lange tijd op de vlakte voor wat betreft de eventuele grenzen aan beboetbaarheid van overheden. Die vraag meende zij namelijk steeds in het midden te kunnen laten omdat in de haar voorgelegde casus immuniteit reeds aan de hand van de Pikmeer II-doctrine, zoals de Afdeling deze uitlegde, kon worden uitgesloten. Zo werd inzake een ongeval waarbij drie brandweerlieden omkwamen geoordeeld dat het nakomen van veiligheidsvoorschriften niet rechtstreeks in verband stond met de specifieke gemeentelijke overheidstaak, want iedere werkgever dient die voorschriften na te komen.27 Voorts werd inzake het laten verrichten van het noodzakelijk onderhoud aan de openbare weg door vreemdelingen waarvoor geen vergunning was aangevraagd, geoordeeld dat reeds geen aanspraak op strafrechtelijke (en dus ook niet op bestuursrechtelijke) immuniteit kon worden gemaakt, omdat niet welbewust, met inroepen van de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor voormeld onderhoud en motivering van de noodzaak daartoe, besloten was tot het laten verrichten van werkzaamheden in strijd met art. 2 lid 2 Wet arbeid vreemdelingen (Way).28 Toen de Staat voor eenzelfde vergrijp, het uitvoeren van wegwerkzaamheden in strijd met de Wav, werd beboet moest de Afdeling wel kleur bekennen. Zij overwoog:
`De strafrechtelijke immuniteit die de Staat volgens voormeld arrest van de HR van 25 januari 1994 geniet, plaatst hem binnen het strafrecht in een uitzonderingspositie. De Wav noch de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet biedt een aanknopingspunt om aan te nemen dat de Staat ook bij het opleggen van bestuurlijke boetes op grond van deze wet een dergelijke positie toekomt. Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1993/1994, 23 574, nr. 3, blz. 14) bij de artikelen 1 en 2 van de Wav heeft de wetgever juist beoogd de reikwijdte van de Wav ten opzichte van die van de — voordien geldende Wet arbeid buitenlandse werknemers te verruimen, in die zin dat ook aanstelling in overheidsdienst onder de reikwijdte van de Wav valt. Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wav in verband met invoering van bestuursrechtelijke handhaving (Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen, Kamerstukken II 2003/2004, 29 523, nr. 3, blz. 1) kan niet worden afgeleid dat de wetgever voormelde reikwijdte vervolgens weer heeft willen inperken door de overheid uit te sluiten van boeteoplegging bij overtreding van de Wav. Steun voor de opvatting dat boetes op grond van de Wav ook aan de Staat kunnen worden opgelegd, vindt de Afdeling in het arrest van de HR van 3 maart 1998 (VR 1998/130).'29
Gelet op art. 69 Sr en art. 5:42 lid 1 Awb kan geen strafvervolging worden ingezet respectievelijk geen bestuurlijke boete worden opgelegd indien de overtreder is overleden. Gelet op art. 75 Sr vervalt de strafexecutie door de dood van de overtreder, met uitzondering van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl uit art. 5:42 lid 2 Awb volgt dat een (onherroepelijke) bestuurlijke boete vervalt met de dood van de overtreder (indien die nog niet is voldaan). Deze bepalingen lijken te zijn opgesteld met het oog op natuurlijke personen. Bij rechtspersonen ligt het wat ingewikkelder, omdat rechtspersonen niet sterven. Wel kunnen rechtspersonen ophouden te bestaan, hetgeen verglijkbaar is met doodgaan. Toch kan de boete na beëindiging van een vennootschap volgens de Hoge Raad nog worden ingevorderd op dezelfde wijze als iedere andere schuld van de ontbonden vennootschap.30 Met betrekking tot art. 69 Sr heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het recht tot strafvordering ten aanzien van een rechtspersoon slechts vervalt indien op het tijdstip dat een vervolging wordt aangevangen voor derden kenbaar is dat een rechtspersoon is ontbonden. De datum van inschrijving van de ontbinding in het handelsregister zal dan (veelal) de maatstaf zijn.31 Er wordt dus niet volledig aansluiting gezocht bij het burgerlijk recht (art. 2:6 lid 1 BW). Een faillissement staat in elk geval geen vervolging in de weg.32 Verder zal sprake kunnen zijn van overgang van de onderneming. De vraag is dan wie bij rechtsopvolging als overtreder kan worden vervolgd of beboet. Indien het bedrijf inmiddels wordt voortgezet door een andere vennootschap staat dit niet in de weg aan vervolging van de vennootschap die destijds de overtreding heeft begaan.33 Bovendien kunnen ook na ontbinding de feitelijk leidinggevers en opdrachtgevers worden vervolgd.34 Door de Hoge Raad wordt overigens niet uitgesloten dat de rechtsopvolgende onderneming wordt vervolgd voor een gedraging van haar rechtsvoorganger:
`Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting is in hoger beroep onder meer het verweer gevoerd dat de strafvervolging is ingesteld tegen de verkeerde rechtspersoon welk verweer het Hof heeft verworpen met de motivering zoals weergegeven op blz. 1 van de bestreden uitspraak. In deze motivering ligt als oordeel van het Hof besloten dat de maatschappelijke realiteit beslissend is voor het antwoord op de vraag of de verdachte krachtens art. 51 Sr kan worden vervolgd voor feiten gepleegd voorafgaand aan de oprichting van de verdachte in het kader van de door de rechtsvoorgangster van de verdachte gedreven onderneming, welke door de verdachte is voortgezet. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld met betrekking tot de rechtspersoon [A] B.V., de voortzetting van de bedrijfsvoering daarvan door de verdachte op 16 december 1991 en de oprichting op eveneens 16 december 1991 van de verdachte, de rechtspersoon [verdachte] en de achtergronden daarvan, een en ander in onderlinge samenhang met hetgeen het Hof heeft vastgesteld met betrekking tot de feitelijke zeggenschap bij de vroegere rechtspersoon [A] B.V. en de huidige rechtspersoon [verdachte] is het in 4.1 bedoelde oordeel van het Hof evenmin onbegrijpelijk. Het middel faalt daarom.’35
Het bestuursrecht lijkt aansluiting te zoeken bij het burgerlijk recht waar het gaat om faillissement en rechtsopvolging.36 Echter, niet zonder meer waar het gaat om bestuurlijke boetes. De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat art. 8:22 Awb desnoods buiten toepassing gelaten diende te worden gelaten, indien die bepaling met zich brengt dat het aan de curator is om te bepalen of wordt opgekomen tegen een bestuurlijke boete die aan de gefailleerde onderneming is opgelegd, omdat uit art. 6 lid 3, onderdeel c, EVRM volgt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder het recht heeft zich zelf te verdedigen.37 Ook wordt bij rechtsopvolging wel aansluiting gezocht bij de strafrechtelijke jurisprudentie.
Zo overwoog de Rotterdamse voorzieningenrechter: 'De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling verder voorop dat de stelling van Randstad dat zij als rechtsopvolger van Vedior niet kan worden beboet wegens een gedraging of een nalaten van Vedior niet opgaat. Hoewel de jurisprudentie met betrekking tot de strafrechtelijke en de civielrechtelijke aansprakelijkheid bij rechtsopvolging niet volstrekt gelijk opgaat, zoals wordt geillustreerd in het door Randstad genoemde arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2007 (LJN BA5825), waaruit volgt dat een strafvervolging kan worden voortgezet tegen een rechtspersoon waarvan ten tijde van de aanvang van de vervolging niet kenbaar was dat die was ontbonden, is het niet zo dat bij rechtsopvolging een overtreding nimmer zou kunnen worden toegerekend aan de rechtsopvolger. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1999 (LJN ZD3918). Juist gelet op de strekking van onderhavige publicatieverplichtingen waar het gaat om voorwetenschap met betrekking tot een mogelijke overname ligt het in de rede dat bij een overnamebod als hier aan de orde, het niet nakomen van het in artikel 5:59, eerste lid, (oud) van de Wft besloten liggende publicatiegebod door de doelvennootschap na overname kan worden toegerekend aan de biedende partij.’38
Met betrekking tot het overlijden van rechtspersonen loopt de Afdeling uit de pas met de strafrechtelijke jurisprudentie. De Afdeling kijkt namelijk slechts of voor derden kenbaar was of de entiteit nog bestond tijdens de overtreding, dus niet ten tijde van de boeteoplegging.39 De boetebevoegdheid vervalt dan in feite nimmer door de ontbinding van de vennootschap, hetgeen op gespannen voet lijkt te staan met art. 5:42 lid 1 Awb. Wel nam de Afdeling aan dat de rechtsopvolgende entiteit die de boete had voldaan met uitsluiting van de rechtsvoorganger beroep kon instellen tegen de boeteoplegging.40
Ten slotte hier nog enkele opmerkingen over uitsluiting van strafbaarheid en leeftij dsgrenzen. In het strafrecht geldt geen aansprakelijkheid voor personen aan wie vanwege een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens het feit niet kan worden toegerekend (art. 39 Sr).41 Verder kan niemand strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit, begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt (art. 486 Sv) en geldt voor minderjarigen een apart regime (art. 488 e.v. Sv). In het bestuursrecht is niet expliciet de beboetbaarheid van gestoorden uitgesloten. Het ligt in de rede hier art. 5:41 Awb (geen bestuurlijke boete bij het ontbreken van verwijtbaarheid) toe te passen. Ten aanzien van jeugdigen is door de Vierde tranchewetgever het volgende overwogen:
`Evenmin is behoefte aan een speciale regeling voor het opleggen van sancties aan jeugdigen vergelijkbaar met het jeugdstrafrecht; deze kwestie speelt in de praktijk van de bestuurlijke handhaving geen grote rol. Bij de oplegging van een bestuurlijke boete zou de leeftijd van de overtreder wel een factor kunnen zijn: het evenredigheidsbeginsel kan meebrengen dat in de bijzondere omstandigheden van het geval een lagere boete zou moeten worden opgelegd. De bijzondere wet waarin de mogelijkheid van een bestuurlijke boete wordt geïntroduceerd, kan ten aanzien van de hoogte van de op te leggen boete ook rekening houden met minderjarigen. Zo bepaalt artikel 2, vierde lid van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften dat de op grond van deze wet op te leggen boetes worden gehalveerd voor personen die ten tijde van de beboetbare gedraging nog geen zestien jaar oud waren.'42