Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.3.3
8.5.3.3 De parlementaire behandeling
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS451678:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 2011/12, 86, 3, o.a. p. 14-17; Handelingen I 2011/12, 34, 10, o.a. p. 72-74.
Kamerstukken II 2011/12, 33221, 10; Handelingen II 2011/12, 87, 5, p. 8; Handelingen II 2011/12, 87, 11, p. 28.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 14.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 14.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 16.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 15.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 16.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 16.
Handelingen I 2011/12, 34, 10, p. 73
Handelingen I 2011/12, 34, 10, p. 73.
Handelingen I 2011/12, 34, 10, p. 82.
Bijlage bij Kamerstukken I 2011/12, 33221, F.
Beide Kamers bleken hiermee niet tevreden en brachten de externe controle van het ESM ter sprake tijdens de plenaire behandeling van de gebundelde wetsvoorstellen.1 Om het belang van de inhoud van de by-laws te benadrukken, nam de Tweede Kamer een motie aan waarin de regering werd verzocht om zich in te zetten voor ruime publicatiemogelijkheden en een onafhankelijk onderzoeksmandaat voor de board of auditors.2
Opvallend bij de mondelinge behandeling was verder dat de minister deed voorkomen alsof de Algemene Rekenkamer vol lof was over de wijze waarop de externe controle in het ESM-verdrag was geregeld. Zo zei hij daarover:
‘De Rekenkamer stelt dat een en ander in het verdrag goed is geregeld en dat de Nederlandse regering zich daar zeer voor heeft ingezet. Dat erkent de Rekenkamer. Zij complimenteert het kabinet voor de inzet die wij hebben gepleegd als het gaat om de verantwoording en de externe controle. Dat is nu in het verdrag goed geregeld.’3
Ook ging de minister nader in op de nog tot stand te komen by-laws. Mochten de onderhandelingen daarover, ondanks eerste positieve concepten, toch niet de goede kant op gaan, dan zou dat volgens de minister geen problemen opleveren. Het kabinet zou dan de ratificatie van het ESM-verdrag als pressiemiddel kunnen gebruiken om de besprekingen bij te sturen.4 Om die reden was het volgens de minister ook geen groot probleem dat de vaststelling van de by-laws door de raad van gouverneurs bij gekwalificeerde meerderheid zou plaatsvinden.5 Via de weigering van de bekrachtiging van het ESM-verdrag was er immers toch sprake van een vetorecht.
In reactie op de vraag wat de rol van de Kamer dan nog was bij de totstandkoming van de by-laws herhaalde de minister dat dit huishoudelijk reglement door de raad van gouverneurs wordt vastgesteld, wat pas mogelijk is nadat het ESM-verdrag in werking is getreden, en dat de by-laws niet ‘ter ratificatie’ voorliggen.6 Hierop stelde PVV-Tweede Kamerlid Van Dijck:
‘De minister houdt nu achter de hand dat hij het verdrag nog moet bekrachtigen, maar vraagt de Kamer wel om het alvast te ratificeren. De Kamer kan ook die stok achter de deur houden en pas ratificeren als de verantwoording in de statuten goed is geregeld. De minister vraagt ons iets te doen, terwijl hij zelf dreigt om het niet te doen als het niet goed is geregeld. Vindt hij dat redelijk?’7
Hierop antwoordde De Jager:
‘Jazeker, want ik leg verantwoording af in dit parlement. Daar gaat het parlement zelf over. Ik heb heel goed gehoord wat dit parlement wil en dat doen we ook. Dat kan ik op die manier bereiken.’8
In de Eerste Kamer kwam dit punt nogmaals aan de orde. CU-Kamerlid Ester formuleerde de vraag daar als volgt:
‘Wij hadden het net in het debat ook over het feit dat het traject van het ratificeren van het ESM niet synchroon loopt met het ratificeren van de by-laws. Daar zit een volgordelijk aspect in. Maar het feit dat die twee zaken ontkoppeld zijn lijkt mij toch problematisch. Je kunt wel instemmen met het ESM, erop vooruitlopend dat het ook goed zal gaan met het ratificeren van de by-laws, maar dat is natuurlijk niet een gegeven waarvan je a priori kunt uitgaan. Kunt u daarop reageren?’9
Over de by-laws was op dat moment overigens al overeenstemming bereikt, zo blijkt uit de brief die de minister van Financiën een ruime week voor het debat in de Eerste Kamer stuurde aan de Tweede Kamer.10 Daarin bood hij de by-laws vertrouwelijk aan de Tweede Kamer aan. De minister antwoordde in de Eerste Kamer:
‘Inderdaad moet natuurlijk eerst het verdrag er zijn voordat die by-laws er komen. Die volgordelijkheid is dan ook onvermijdelijk. Vervolgens moeten de by-laws worden aangenomen door het ESM, dat nu nog niet bestaat. Dat moet in het leven worden geroepen door dit verdrag. Echter, wij hebben het overeengekomen concept. Als dat verslechtert, gaan wij daar niet mee akkoord, zoals wij ook hebben laten weten.’11
Tot slot kwam in de Eerste Kamer aan de orde dat het totale bedrag waarvoor de Nederlandse staat garant staat met het aannemen van het ESM-verdrag wel erg hoog zou worden.12 Verwezen werd naar waarschuwingen vanuit de Algemene Rekenkamer voor de daarmee gepaard gaande budgettaire risico’s. De minister kondigde in reactie daarop aan dat er vanaf dat moment een ‘nee, tenzij’-beleid gevoerd zou gaan worden voor nieuwe garantieregelingen. Verder zou een nog op te richten commissie alle bestaande risicoregelingen gaan toetsen. Het doel hiervan was om vast te stellen hoe groot die risico’s precies zijn en welke maatregelen genomen zijn om de risico’s te beperken. Ook het ESM werd langs dit toetsingskader gelegd.13