Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.5.5
3.5.5 Conclusie
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS496038:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In Hof Leeuwarden 12 mei 2004, NJ F 2004/518, r.o. 6 (Weevers Stous/Stichting Parkwoningen); in Hof Leeuwarden 21 maart 2007, LJN BA1381, r.o. 8 wordt dit onderscheid sterk aangescherpt.
Hof Amsterdam 7 mei 1998, NJ 2000/559 (AssoudISNS) (redelijke verwachtingen en belangenafweging); Ktr. Alkmaar 29 maart 2006, LJN AX4043 (redelijke verwachtingen en afweging); Ktr. 's-Gravenhage 26 juli 2000, Prg. 2001/5630, r.o. 9 (wet en afweging); Rb. 's-Hertogenbosch 9 februari 2001, NJ kort 2001/19 (redelijke verwachtingen en beperkte afweging); Hof Leeuwarden 16 april 2008, LJN BC9764 (redelijke verwachtingen en afweging).
124. De Nederlandse onredelijk bezwarendheidstoets bestaat, wanneer een beding niet voorkomt op een lijst, uit een beoordeling van het nadelige beding in relatie tot zijn context. De rechter brengt heel soms een onderscheid aan tussen de abstracte vaststelling van het nadeel (bezwarendheidstoets) en de omstandighedentoets (onredelijkheidstoets).1 In de meeste toetsingen aan de open norm is van een dergelijke tweedeling geen sprake. De onredelijk bezwarendheidstoets komt vaak neer op een afweging van de belangen van partijen of de vaststelling van de redelijke verwachtingen in het licht van de omstandigheden van het geval. In de praktijk worden de verschillende in deze paragraaf onderscheiden methoden regelmatig gecombineerd.2