De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.6:II.6 Synthese
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.6
II.6 Synthese
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382174:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De geschillenregeling kwam er niet zonder slag of stoot. De invoering van de procedures voor de gedwongen aandelenoverdracht duurde jaren, waarbij vele voorstellen de revue passeerden. En terwijl de wettelijke regeling de volwassen leeftijd nog niet heeft bereikt, is men al weer bezig haar aan te passen. De geschillenregeling moet als sluitstuk van de bescherming van de minderheidsaandeelhouder een tegenwicht vormen voor de inrichtingsvrijheid van de Flex-BV. Geheel nieuw is de verzoekschriftprocedure van art. 343c Wv Flex-BV voor aandeelhouders die al weten wie van hen uittreder en betaler wordt. Over de scheiding zijn zij het dus wel eens, maar de prijs is een discussiepunt. Zij kunnen zich in dit geval wenden tot de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap met het verzoek de prijs vast te stellen, een deskundige te benoemen, of een beslissing te nemen over de nog bestaande geschilpunten ten aanzien van de waardering.
De geschillenregeling is niet van toepassing op iedere kapitaalvennootschap. Ingevolge art. 2:335 BW geldt zij slechts voor de vennootschap met een besloten verhouding. Dit is in eerste plaats een BV, maar ook een NV die aan de drie cumulatieve vereisten van lid 2 van art. 2:335 BW voldoet. De derde eis van lid 2 onder sub c behelst een onduidelijkheid. De vraag is wanneer de statuten niet toelaten dat met medewerking van de vennootschap certificaten aan toonder worden uitgegeven.
De Flex-BV verliest met het verdwijnen van de wettelijke verplichte blokkeringsregeling (art. 2:195 BW) haar besloten karakter. De aandelen in een Flex-BV kunnen dan vrij verhandelbaar zijn. De geschillenregeling is echter op deze 'open BV' nog steeds van toepassing. Gezien het feit dat in de praktijk kopers voor de aandelen niet in de rij zullen staan, acht ik dat een goede zaak. Voor de NV blijft het vereiste van de blokkeringsregeling echter onverkort gelden. Mijn conclusie is dat wijziging van art. 2:335 lid 2 BW nodig is. Ik zie goede gronden de geschillen-regeling van toepassing te laten zijn op iedere kapitaalvennootschap waarvan de aandelen niet — op een gereglementeerde markt — eenvoudig verhandelbaar zijn.
Art. 2:335 lid 2 BW zou als volgt kunnen luiden:
(Toepassingsbereik NV)
De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de naamloze vennootschap
(a) waarbij geen certificaten aan toonder met medewerking van de vennootschap [of: zonder statutair vergaderrecht] zijn uitgegeven; en
(b) waarvan de aandelen niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of op een multilaterale handelsfaciliteit, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is.
Bij de uitstoting komt de vraag op of de gedwongen overdracht van aandelen een vorm van onteigening in de zin van art. 14 Gw is. Deze vraag beantwoord ik ontkennend. Zowel de uitkoopvorderingen (art. 2:92a/201 BW) als de vorderingen van de geschillenregeling zijn niet een vorm van publiekrechtelijk handelen. Zij zijn een gevolg van de schending van privaatrechtelijke belangen en normen. Het gaat bij de geschillenregeling in de kern om een privaatrechtelijk conflict tussen (rechts) personen. De vergelijking met een (civielrechtelijke) veroordeling tot ongedaanmaking van de schade acht ik daarom treffender. Mijn conclusie luidt dat de wettelijke geschillenregeling niet in strijd is met art. 14 Gw.
De strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM doet zich evenmin voor. De Hoge Raad oordeelde in Van den Berg dat de procedures van de geschillenregeling niet in strijd zijn met het gegarandeerde recht op ongestoord genot van eigendom van art. 1 Eerste Protocol EVRM. De procedure voldoet aan het in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens neergelegde toetsingskader voor nationale regels.
Het gevolg van de toepassing van de wettelijke geschillenregeling is dat er een gedwongen aandelenoverdracht plaatsvindt tegen een door een aandeelhouder (of de vennootschap) te betalen prijs. Met deze overdracht keert de rust terug in de vennootschap en dat komt de onderneming en de financiële gezondheid van de onderneming veelal ten goede. Een uitstotings- of uittredingsbevel mag echter niet lichtvaardig worden gegeven. Er gelden uitgangspunten waaraan de geschillen-regeling moet voldoen. De geschillenregeling heeft speciaal oog voor de minderheidsaandeelhouder. Voor hem specifiek is art. 2:343 BW geschreven. De positie en de bescherming van de minderheidsaandeelhouder balanceren tussen twee ijkpunten. Hij moet aanvaarden dat er, gezien zijn belang, hem onwelgevallige besluiten worden genomen. De medeaandeelhouders of de meerderheidsaandeelhouder mogen echter niet ongebreideld hun macht laten gelden. Zij hebben jegens de minderheidsaandeelhouder een zorgplicht in acht te nemen. De minderheidsaandeelhouder die in een beknelde positie belandt, mag uittreden.