Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.2.1.3
10.4.2.1.3 Consultatie vooraf of aanwezigheid bij verhoor?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497125:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Borgers 2010.
Zie bijvoorbeeld HR 30 juni 2009, NJ 2009, 349 (m.nt. Schalken) en Ölçer 2011, p. 561 e.v.
Vgl. Reijntjes 2011, p. 30-31.
Zie onder meer Kraniotis e.a. 2011, p. 80.
EHRM 24 oktober 2013 (Navone, Lafleur en Re t. Monaco).
In tegenstelling tot eerdere Salduz-zaken zoals EHRM 28 juni 2011, (Šebalj t. Kroatië) en EHRM 11 december 2008 (Panovits t. Cyprus), hadden de klagers in deze zaak de mogelijkheid om vanaf het begin van de (politie)detentie en voorafgaand aan de verlenging daarvan een advocaat te consulteren. Zie A-G Spronken, conclusie bij HR 1 april 2014, NJ 2014, 268 (m.nt. Schalken), pt. 41 e.v.
PbEU 2013, L294.
Wet van 17 november 2016, houdende implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294), Stb. 2016, 475.
EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267.
Spronken 2016.
Voor deze studie is van bijzonder belang de relatie tussen het zwijgrecht en het consultatierecht bij verhoor, welke relatie in de Salduz-rechtspraak van het EHRM centraal staat. Uit deze rechtspraak volgt niet eenduidig hoe het recht op rechtsbijstand volgens het EHRM moet worden vormgegeven. Het lijkt niet geneigd zich hierover duidelijk uit te spreken. Zie Borgers, die meent dat het misschien geen toeval is dat de Straatsburgse wegen vooralsnog enigszins ondoorgrondelijk zijn en dat het Hof het vooral aan de verdragsstaten wil overlaten om te bepalen in welke vorm de bijstand wordt verleend – aanwezigheid tijdens het verhoor dan wel consultatie vooraf en eventueel ook tijdens het verhoor (al dan niet in combinatie met audio- en videoregistratie). Wanneer dit juist is, dan betekent het dat van een strak Straatsburgs keurslijf geen sprake is, maar juist dat een zekere marge bestaat om te zoeken naar modaliteiten die een adequate rechtsbijstand in de fase van het politieverhoor mogelijk maken, maar die ook passen bij de strafrechtspleging van de individuele verdragsstaten.1
Tot op heden geeft de Salduz-rechtspraak geen definitief uitsluitsel over de vraag in welk stadium van het verhoor bijstand geboden moet worden.2 Moet de aangehouden verdachte vóór verhoor de gelegenheid wordt geboden om een raadsman te raadplegen of moet hem ook tijdens het verhoor toegang worden verleend?3 De Nederlandse literatuur was aanvankelijk vrij terughoudend in het aannemen van het recht op aanwezigheid van een advocaat tijdens verhoor.4 Recentere uitspraken van het Hof zoals Navone, Lafleur en Re5, lijken echter duidelijk te wijzen op een recht op bijstand in de vorm van de aanwezigheid van een raadsman tijdens verhoor.6
EU-Richtlijn 2013/48/EU: verhoorbijstand
Voor zover de Salduz-jurisprudentie (nu en straks) nog ruimte laat voor discussie, dan is het debat over het stadium waarin verhoorbijstand moet worden geboden – voor of tijdens verhoor – in de staten die lid zijn van zowel de Raad van Europa als de EU in ieder geval achterhaald. Dit vanwege de Richtlijn 2013/48/EU van 22 oktober 2013 over ‘het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming’.7 De verplichtingen uit de Richtlijn zijn bij wet van 17 november 2016 omgezet in Nederlandse regelgeving, middels wijziging van (onder meer) het Wetboek van Strafvordering.8
De richtlijn is van toepassing op alle verdachten vanaf het moment dat zij in kennis zijn gesteld van een verdenking tegen hen, ongeacht of zij van hun vrijheid zijn beroofd. Kleine vergrijpen die niet worden bedreigd met een vrijheidsbenemende sanctie zijn uitgezonderd. De Richtlijn geeft verdachten in de gehele EU zes rechten, te weten de toegang tot een advocaat vanaf het eerste politieverhoor gedurende het gehele strafproces; toereikende, vertrouwelijke ontmoetingen met een advocaat; bijstand van een advocaat tijdens het verhoor; het informeren van een familielid bij arrestatie; het recht om met een familielid te communiceren; en het recht op contact met zijn consulaat, wanneer de verdachte buiten zijn eigen land wordt aangehouden.9
Hier is vooral van belang dat de advocaat op grond van de Richtlijn tijdens het verhoor een actieve rol mag spelen. Hij mag vragen stellen. Hij mag vragen om verduidelijking en hij mag zijn cliënt vragen om een nadere verklaring af te leggen. Een meer precieze invulling van dit recht mogen de verdragsstaten zelf bepalen, maar dit zijn de minimumnormen. Voorzienbaar is dat de aandacht straks vooral zal uitgaan naar de vraag hoe de bijstand tijdens verhoor eruit moet zien. Ik wijs hier ook op het feit dat (nog) geen overeenstemming is bereikt over de financiering van deze rechten. Dit kan de realiteitswaarde van het recht op toegang tot een advocaat uithollen.
Belang Salduz-rechtspraak blijft bestaan
(De ontwikkeling in) de Salduz-rechtspraak blijft ook na de omzetting van de EU-Richtlijn 2013/48/EU in nationale regelgeving (per 17 november 2016) van belang. Onduidelijk is bijvoorbeeld nog hoe die regelgeving in Nederland uiteindelijk zal luiden, hoe die beleidsmatig zal worden ingevuld en ook hoe de rechter die zal uitleggen en toepassen. Mogelijk zal het Hof in toekomstige Salduz-uitspraken (op onderdelen) strengere minimumeisen aan het recht op rechtsbijstand stellen dan uit de Richtlijn en/of de nationale regelgeving zal volgen. Evengoed is een (harmoniserende) uitleg voorstelbaar, waarin het Hof bij de uitleg van art. 6 EVRM inspiratie bij de Richtlijn zoekt.
Dat de Salduz-rechtspraak in ontwikkeling is, illustreert de meergenoemde zaak Ibrahim e.a.10 Spronken wijst erop dat het Hof in zijn algemene overwegingen de bright-line rule, die uit zijn eerdere Salduz-rechtspraak spreekt, verlaat. Het Hof relativeert zijn in beginsel absolute regel dat behoudens uitzonderlijke omstandigheden de rechten van de verdediging onomkeerbaar zijn geschonden als verklaringen van verdachten voor het bewijs worden gebruikt, terwijl zij geen toegang hebben gehad tot rechtsbijstand, aldus Spronken.11