De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.4.2:4.2 Een besluit als onderdeel van een Europees herstructureringsplan
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.4.2
4.2 Een besluit als onderdeel van een Europees herstructureringsplan
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS384021:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Cour d’Appel de Versailles 27 januari 2010 inzake Goodyear Dunlop Tires France (www. ewcdb.eu).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak Goodyear Dunlop ging het om de Franse dochteronderneming van de in Luxemburg gevestigde Europese groep Goodyear Dunlop Tires Europe.1 Goodyear Dunlop Tires France had vier productielocaties in Amiens Nord, Amiens Sud, Montluçon en Riom, waarin agrarische en consumentenbanden werden vervaardigd die op cost-plusbasis werden verkocht aan het hoofdkantoor in Luxemburg. De fabriek in Amiens Nord was eerder onderwerp van een reorganisatieplan, dat in mei 2008 was gepresenteerd en op 18 maart 2009 werd verlaten. Op 26 mei 2009 kondigde het bestuur, in een overlegvergadering met de Franse centrale ondernemingsraad, de voorgenomen sluiting aan van de consumentenbandenproductie van de vestiging Amiens Nord. Voorts zouden verschillende opties over de toekomst van de agrarischebandendivisie in Europa worden besproken. Op 11 juni 2009 was er een overlegvergadering met de centrale ondernemingsraad. Constaterende dat de verstrekte informatie in zijn ogen onvoldoende was en dat informatie aan de Europese ondernemingsraad achterwege was gebleven, wendde de centrale ondernemingsraad zich op 16 juni 2009 tot de president van het Tribunal de Grande Instance van Nanterre en vorderde hij een opschorting van de consultatieprocedure.
De president constateerde dat de informatie verstrekt aan de centrale ondernemingsraad incompleet was en dat het plan onvoldoende inzicht gaf in de toekomst van de productie van de agrarische banden. Die onvolledigheid hield met name in dat de staking van de productie van consumentenbanden wel werd behandeld, maar de toekomst van de op dezelfde locatie vervaardigde agrarische banden onduidelijk bleef en er onvoldoende kon worden geoordeeld over de 83 arbeidsplaatsen die in het geding waren. De consultatieprocedure over de besluiten werd daarom opgeschort totdat er voldoende informatie zou zijn verstrekt.
In appel verzette Goodyear Dunlop zich tegen de stelling van de Franse centrale ondernemingsraad dat de Europese ondernemingsraad bij de besluitvorming betrokken had moeten worden. Zij meende dat dit geen transnationale kwestie was en dat de Europese ondernemingsraad geen medezeggenschap had over een aangelegenheid die zich beperkte tot één land. Bovendien verwees Goodyear Dunlop naar een overlegvergadering van 5 en 6 mei 2009 met de raad, een telefonische conferentie op 26 mei 2009 met het beperkte comité van de raad, en twee besprekingen van 19 juni en 13 juli 2009. Zij gaf te kennen dat de Goodyear-groep voornemens was haar investeringen en innovatie te richten op de sleutelmarkten van consumentenproducten en vrachtverkeer, waardoor de agrarische activiteiten in Europa en Zuid-Amerika onderwerp waren van heroverweging. De agrarische divisie in Noord-Amerika was reeds in 2005 verkocht aan Titan Tire Corporation. Zo vielen er onvoldoende duidelijk omschreven projecten aan te wijzen die onderwerp van bespreking met de Europese ondernemingsraad zouden kunnen zijn.
Het Cour d’Appel van Versailles oordeelde dat de Europese ondernemingsraad tijdens de jaarlijkse bijeenkomst geconsulteerd had moeten worden, aangezien er op 18 maart 2009 gesproken was over een herstructureringsproject voor de fabriek in Amiens Nord en er geen omstandigheden waren veranderd tussen de bijeenkomst van de Europese ondernemingsraad op 5 en 6 mei 2009 en de aankondiging van het staken van de consumentenactiviteiten op 23 mei. Nu het bestuur van de Franse dochteronderneming het project van 18 maart formeel had ingetrokken, was het evident dat het op 23 mei aangekondigde project al eerder door het bestuur bestudeerd moest zijn, waardoor het dit op 5 en 6 mei aan de orde had kunnen stellen bij de Europese ondernemingsraad teneinde daarover van gedachten te wisselen.
Het Cour d’Appel overwoog voorts dat er geen juridische grondslag te vinden was voor de stelling dat de Europese consultatie plaats zou moeten vinden vóór de nationale procedure. De Europese en de nationale consultatieprocedures dienen niet hetzelfde doel en niets staat eraan in de weg dat deze onafhankelijk van elkaar worden gevoerd. Het hof stelde vast dat uit de (notulen van de) overlegvergaderingen en het telefoongesprek met de Europese ondernemingsraad niet was gebleken dat hij was geraadpleegd over de toekomst van de divisie agrarische banden in Europa, en dat hij niet correct was geïnformeerd over de consequenties of de oorzaken van het Europese herstructureringsproject. Het incomplete karakter van de informatievoorziening op Europees en nationaal niveau vormde een obstakel voor een constructieve dialoog, die in dit geval verplicht was gezien de omvang van de intenties voor de agrarische divisie. De vordering tot opschorting van de nationale consultatieprocedure van de centrale ondernemingsraad was daarom voor toewijzing vatbaar. Voorts veroordeelde het Cour d’Appel Goodyear Dunlop tot het starten van een Europese informatie- en consultatieprocedure over de reorganisatie van zijn activiteiten in Europa, inclusief de herstructurering van Amiens Nord. Gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval waren termen aanwezig om de nationale consultatieprocedure op te schorten tot de gedachtewisseling en dialoog met de Europese ondernemingsraad voltooid was.
Dit oordeel van het Cour d’Appel vertoont overeenkomsten met de zaak British Airways. In beide gevallen was sprake van een strategisch besluit in één land dat werd beschouwd als onderdeel van een groter Europees plan, dat bij Goodyear Dunlop strekte tot herstructurering van één of meer divisies en bij British Airways tot uitbesteding van de klantendiensten. De consequenties daarvan waren in beide gevallen dat de rechter de moederonderneming veroordeelde tot het starten van een correcte en volledige informatie- en raadplegingsprocedure met de Europese ondernemingsraad over deze Europese plannen, en dat de uitvoering van de voorgenomen besluiten op nationaal niveau moest worden opgeschort zolang de Europese consultatieprocedure niet was beëindigd. Zowel de Franse als de Belgische rechter was dus bereid om in kort geding verstrekkende consequenties aan de Europese medezeggenschapsverplichtingen te verbinden.