Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/3.2.2.3.1:3.2.2.3.1 Uitgangspunten van het Verdrag van Brussel
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/3.2.2.3.1
3.2.2.3.1 Uitgangspunten van het Verdrag van Brussel
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258387:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor gedetailleerdere uiteenzetting over deze materie: K. Millenaar, De waarde bij invoer II, Wfr 1955/526.
Artikel II Verdrag van Brussel.
Artikel IV, onderdeel (a) Verdrag van Brussel.
I.S. Forrester & O.E. Odarda, ‘The Agreement on Customs Valuation’, in: P.F.J. Macrory, A.E. Appleton en M.G. Plummer, The World Trade Organization: Legal, Economic and Political Analysis, New York: Springer, p. 535.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in het Verdrag van Brussel ontwikkelde waardedefinitie is bekend komen te staan onder de naam ‘Brusselse Waarde Definitie’ (BWD) en toont sterke gelijkenissen met de wijze waarop de douanewaarde voor het Verdrag van Brussel in het Verenigd Koninkrijk en de Benelux werd vastgesteld.1
De verdragsluitende landen zijn ertoe gehouden om de BWD op te nemen in hun nationale wetgeving.2 In artikel I, lid 1 van Bijlage 1 van het Verdrag van Brussel is bepaald dat:
Voor de heffing van invoerrechten naar de waarde wordt onder de waarde van ten invoer in het vrije verkeer bestemde goederen verstaan de normale prijs, dat wil zeggen de prijs, welke gerekend wordt op het tijdstip, waarop de invoerrechten verschuldigd worden, voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije concurrentie tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.
Als uitgangspunt geldt dat de douanewaarde wordt bepaald op basis van de CIF-prijs.3 Dat betekent dat wordt aangenomen dat de verkoper de kosten draagt die betrekking hebben op de verkoop tot aan de plaats waar de goederen het land van invoer zijn binnengekomen. In beginsel wordt daarbij uitgegaan van de prijs die tussen partijen is overeengekomen waarbij de prijs tot stand moet zijn gekomen onder voorwaarden van vrije mededinging.4 Nadere regelgeving is opgenomen in de zogenaamde ‘Noten voor de interpretatie van de definitie van de waarde in douanezaken’. Deze Noten kunnen in de nationale wetgeving worden opgenomen voor zover de verdragsluitende landen dat nodig achtten.5 Alhoewel de Noten, anders dan de artikelen in Bijlage I, niet verplicht opgenomen hoeven te worden in de nationale wetgeving, moet de douanewaardedefinitie, zoals omgeschreven in de artikelen in Bijlage 1, overeenkomstig de bepalingen van de Noten worden toegepast ex artikel III van het Verdrag van Brussel. In de Noten is nader bepaald op welk tijdstip de douanewaarde bepaald moet worden, welke kosten onderdeel van de douanewaarde moeten uitmaken, hoe de waarde bepaald moet worden indien de normale prijs afhankelijk is van de hoeveelheid waarop de koop en verkoop betrekking heeft en hoe met valuta- en koersverschillen moet worden omgegaan.
Indien twee partijen zijn verbonden kan de transactiewaarde niet worden gebruikt voor het bepalen van de douanewaarde. Onder het Verdrag van Brussel is sprake van verbonden partijen: “[…] indien één van hen enig belang heeft bij de zaken van de andere, of indien beiden een gemeenschappelijk belang hebben bij een handelszaak, welke dan ook, of indien een derde persoon enig belang heeft bij de zaken van ieder van hen, ongeacht of deze belangen rechtstreeks of zijdelings zijn”. In het geval van verbonden partijen moet voor de vaststelling van de douanewaarde een onderzoek plaatsvinden naar de prijzen die gelden op het tijdstip van het bepalen van de douanewaarde. De discretie tot vaststelling van de douanewaarde rustte in dergelijke gevallen bij de douaneautoriteiten, wat het gevaar voor arbitraire waardebepaling met zich bracht. Zo zouden bijvoorbeeld prijzen tussen verbonden partijen zonder nader onderzoek worden afgewezen en verhoogd met een standaard percentage en waren ‘normale waardes’ voor nieuwe producten vaak niet voorhanden waardoor fictieve waardes werden gehanteerd.6 Een en ander verhoudt zich niet tot de overwegingen zoals opgenomen in GATT 1947 en riep (derhalve) weerstand op bij importeurs.