Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.5.2.3
10.5.2.3 Opschorting
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583669:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 565.
Zie HR 14 januari 2000, NJ 2000, 307 (Meissner/Arenda); vgl. t.a.v. ontbinding HR 23 januari 1998, NJ 1999, 97 (Jans/FCN). Wederkerig schuldeiserschap kan wel een aanwijzing zijn dat sprake is van voldoende samenhang tussen de beide verbintenissen.
Vgl. voor verrekening, T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 500.
Anders: Streefkerk 2006a, nr. 24.3 sub 3, die wil aansluiten bij de strengere vereisten voor verrekening.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 267; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 7; Streefkerk 2006a, nr. 24.3; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 26.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 267; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 26; Streefkerk 2006a, nr. 24.3 sub 2 en sub 3.
Vgl. Streefkerk 2006a, nr. 24.3 sub 3. Is een vordering aan hem opgekomen en opeisbaar geworden vóór de overgang, dan is opschorting alleen mogelijk als ook aan het vereiste van voldoende samenhang wordt voldaan.
598. Bij opschorting dient net als bij verrekening het onderscheid te worden gemaakt tussen de bevoegdheid, die nog niet is uitgeoefend, en het verweermiddel, dat ontstaat door de uitoefening van de bevoegdheid. Is de bevoegdheid tot opschorting uitgeoefend jegens de oude schuldeiser vóór de overgang van de vordering, dan kan de schuldenaar de niet opeisbaarheid van de vordering door de opschorting als verweermiddel ook jegens de nieuwe schuldeiser inroepen op grand van art. 6:145 BW.1 Thans is de vraag aan de orde of de schuldenaar ook eerst na de overgang van de vordering de nakoming van zijn verplichting jegens de nieuwe schuldeiser kan opschorten ex art. 6:52 BW of art. 6:262-6:263 BW, als de oude schuldeiser zijn verplichting jegens de schuldenaar niet nakomt. De vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Anders dan voor verrekening bestaat voor opschorting geen eis van wederkerig schuldeiserschap, maar alleen de eis van voldoende samenhang. Dat het vereiste van wederkerig schuldeiserschap niet voor opschorting geldt, volgt onder meer uit het arrest Meissner/Arenda, waarin de Hoge Raad de bevoegdheid tot opschorting ex art. 6:262 BW toekende aan een huurkoper die bij aanvang van het ontstaan van de verbintenis zijn afbetalingsverplichting jegens een andere persoon (een kredietverschaffer) dan zijn schuldenaar (de huurverkoper) had. 2 Bestaat tussen de vordering en de tegenvordering vóór het moment van overgang voldoende samenhang, dan blijft deze samenhang ook ná de overgang bestaan. Het vertrouwen van de schuldenaar op de mogelijkheid van opschorting dat hij ontleent aan de samenhang (de connexiteit) tussen beide vorderingen,3 wordt derhalve reeds op grond van art. 6:52 BW en art. 6:262-6:263 BW beschermd. Een bijzondere beschermingsbepaling als art. 6:130 lid 1 BW is niet nodig. De nieuwe schuldeiser wordt door de uitkomst niet onevenredig benadeeld.4
599. In de literatuur wordt ook anders geleerd. Daar lijkt te worden aangenomen dat de schuldenaar in beginsel géén bevoegdheid tot opschorting heeft na de overgang van de vordering.5 Impliciet wordt de eis van wederkerig schuldeiserschap als vereiste voor opschorting gesteld, net als bij verrekening (art. 6:127 BW). Tegelijkertijd wordt verdedigd dat de bevoegdheid van de schuldenaar uitgebreid dient te worden, waarbij aansluiting wordt gezocht bij art. 6:130 lid 1 BW. Volgens Van Achterberg, Wibier, Hartkamp en Sieburgh en Streefkerk dient de bevoegdheid tot opschorting te worden toegekend als de tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als de overgegane vordering en als de schuldenaar voor de overgang van de vordering een opeisbare tegenvordering op de oude schuldeiser had.6 In deze opvatting kan de schuldenaar niet de nakoming van zijn verplichting opschorten voor een tegenvordering op de oude schuldeiser die niet uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit, maar die wel voldoende samenhang vertoont met de overgegane vordering.7 Deze benadering is naar mijn mening geen geldend recht, omdat zij uitgaat van de eis van wederkerig schuldeiserschap. De uitkomst verschilt niet veel van de uitkomst van de hiervoor, door mij gegeven zienswijze, die naar mijn mening het geldende recht weergeeft. De afwijkende benadering is dogmatisch ingewikkelder, omdat de voorstanders daarvan aan een opschorting eerst de eis van wederkerig schuldeiserschap stellen en vervolgens bij de overgang van de vordering de onredelijke uitkomst repareren door een beroep te doen op de overeenkomstige toepassing van art. 6:130 lid 1 BW. Dit is een omweg, die wordt vermeden als wordt aangenomen dat (conform art. 6:52 BW en de rechtspraak) voor de bevoegdheid tot opschorting alleen de eis van voldoende samenhang geldt, en niet óók de eis van wederkerig schuldeiserschap.
600. De schuldenaar dient zijn opschortingsverklaring te richten, net als bij verrekening, aan zijn nieuwe schuldeiser. Op grond van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2, 6:248 BW) rust op de schuldenaar de verplichting om zijn oude schuldeiser van de opschorting op de hoogte te stellen. Het door de opschorting ontstane verweermiddel, namelijk dat de vordering door opschorting niet opeisbaar is, kan de schuldenaar aan zijn nieuwe schuldeiser tegenwerpen.8
Het is onder omstandigheden denkbaar dat de schuldenaar de nakoming van zijn verplichting jegens de nieuwe schuldeiser kan opschorten ex art. 6:52 BW als de nieuwe schuldeiser een eigen verplichting jegens de schuldenaar niet nakomt. Vereist is dat tussen beide vorderingen voldoende samenhang bestaat als bedoeld in art. 6:52 BW. Van deze opschorting behoeft hij zijn oude schuldeiser niet op de hoogte te stellen.