Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.3.1
5.3.1 Beschouwing – Chapter 11 en reorganisatieplan
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS616874:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het vermogen van de schuldenaar kan in Chapter 11 echter ook geliquideerd worden. Waar in Chapter 7 direct een trustee wordt aangesteld, zal dit in Chapter 11 niet het geval zijn. Zodoende houdt de schuldenaar de controle over het proces. Zie: Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1123(b)(4), § 1123(a) (5)(D); C.J. Tabb, The Law of Bankruptcy, Foundation Press 2009, 2e druk, p. 98, 1041.
E. Warren, Chapter 11: Reorganizing American Businesses, Wolters Kluwer 2008,p. 24.
N.W.A. Tollenaar, ‘Preventieve herstructureringsprocedures volgens het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie van 22 november 2016’, FIP 2017/169, § 3.2; N.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p.3.
Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1121(b) en § 1121(c)(2). Dit plan moet (uiterlijk) binnen 180 dagen na de opening van de procedure zijn aangenomen maar deze termijn kan ook worden verlengd (tot maximaal 20 maanden na de opening van de procedure); Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1121(c) (3) en § 1121(d)(2)(B).
Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 303(h)(1) (“the debtor is generally not paying such debtor’s debts as such debts become due unless such debts are subject of a bona fide dispute as to the liability or amount”).
Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1126(f).
Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1129(a)(8)(A) en (B).
Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1126(c). Bij een klasse van aandeelhoudersgeldt dat het voldoende is als aandeelhouders die twee derde van het bij het doorhet akkoord geraakte eigen vermogen houden, instemmen (Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1126(d)).
Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1129(a)(7)(A): “With respect to each impaired class of claims or interest: each holder of a claim or interest of such class (A) (ii) will receive (…) a value (…) that is not less than the amount that such holder would so receive (…) if the debtor were liquidated under chapter 7 (…).”
H.R. Rep. No. 595, 95th Cong., 1st Sess. 412-413 (1977); N.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 156.
In re Piece Goods Shops Co, LP, 188 BR 778, 791 (Bankr MDNC 1995); In re Genesis Health Ventures, Inc., 266 B.R. 591 (Bankr.D.Del.2001).
R. Olivares-C27 Als de rechten van een klasse volledig worden afgeschreven en deze klasse als gevolg van het akkoord geen belang meer houdt in de onderneming, heeft de betreffende klasse geen stemrecht maar wordt verondersteld dat deze klasse tegen het akkoord stemt. Zie: Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1126 (g).
Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1129(b).
Voor een uitgebreidere uiteenzetting van deze regeling verwijs ik naarN.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, § 6.14.2. en 6.14.3.
Chapter 11 U.S. Bankruptcy Code § 1129(b)(2)(A)-(C). aminal e.a., Debt Restructuring, 2011, p. 105.
T.H. Jackson, The Logic and Limits of Bankruptcy Law, Harvard University Press 1986, p. 215; T.H. Jackson, ‘Bankruptcy, Non-Bankruptcy Entitlements, and the Creditors’ Bargain’, 91 Yale L.J., 857, 893 & n. 168 (1982).
In Re Lason, Inc., 300 B.R. 227 (Bankr. D. Del. 2003): “(…) a chapter 7 liquidation may be done either under “forced sale” conditions or as a going concern.”
C.J. Tabb, The Law of Bankruptcy, Foundation Press 2009, 2e druk, p. 1168.
124 Cong. Rec. S17,420 (daily ed. Oct. 6, 1978) (remarks of Sen. DeConcini); 124 Cong. Reec. H11,104 (daily ed. Sept. 28, 1978) (remarks of Rep. Edwards).
Chemtura, 439 B.R. 561, 592 (Bankr. S.D.N.Y. 2010) (citing In re Exide Techs., 303B.R. 48, 61, 66 (Bankr. D. Del. 2003); In re MCorp Fin., Inc., 137 B.R. 219, 235 (Bankr. S.D. Tex. 1992); In re Future Energy Corp., 83 B.R. 470, 495 n. 39 (Bankr. S.D.N.Y. 1988); In re Walat Farms, Inc., 70 B.R. 330, 335 (Bankr. E.D. Mich. 1987)); see also In re Granite Broad. Corp., 369 B.R. 120, 140 (Bankr. S. D.N.Y. 2007); In re Oneida Ltd., 351 B.R. 79, 87 (Bankr. S.D.N.Y. 2006); In re Exide Technologies, 303 B.R. at 61, 66; In re MCorp Fin., Inc., 137 B.R. 219, 235 (Bankr. S.D. Tex. 1992); Future Energy, 83 B.R. at 495 n.39 (“Clearly, overpayment of senior creditors is violative of the fair and equitable standard.”); In re Walat Farms, Inc., 70 B.R. 330, 335 (Bankr. E.D. Mich. 1987) (“it would do violence to the fair and equitable standard by paying the creditor more than its claim”).
Chemtura, 439 B.R. 561, 592 (Bankr. S.D.N.Y. 2010), p. 21, 41-44; Genco Shipping & Trading Ltd., Case No. 14-11108, p. 10-11; Exide Techs., 303 B.R., § 60-61. Vgl.C.J. Tabb, The Law of Bankruptcy, Foundation Press 2009, 2e druk, p. 1168; I. M. Pachulski, The Cram Down and Valuation Under Chapter 11 of The Bankruptcy Code, North Carolina Law Review, 1980, volume 58, nr. 5, article 3, p. 938. Zie ook: N.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, H6.
T.H. Jackson, The Logic and Limits of Bankruptcy Law, Harvard University Press 1986, p. 211-212. Vgl. W.J. Blum, ‘Corporate Reorganization Doctrine as Recently Applied by the Securities and Exchange Commission’, The University of Chicago Law Review, Vol. 40, No. 1 (Autumn, 1972), p. 96-110.
Chemtura, 439 B.R. 561, 592 (Bankr. S.D.N.Y. 2010), zie: C. Valuation Conclusions.
In re Lason, Inc, 300 BR 227, 233 (Bankr.D.Del 2003); T.H. Jackson, The Logic and Limits of Bankruptcy Law, Harvard University Press 1986, p. 211.
Chapter 11 is de Amerikaanse insolventieprocedure die gericht is op de reorganisatie van de schuldenaar.1 In Chapter 11 kan een schuldenaar een reorganisatieplan voorstellen. Voor dit recht maakt de financiële status van de schuldenaar in beginsel niet uit; er hoeft geen vooruitzicht te zijn dat de schuldenaar zijn schulden niet meer kan betalen. Dat een schuldenaar geen Chapter 11 aanvraagt als daar geen financiële aanleiding voor bestaat, is echter wel het uitgangspunt van de Amerikaanse wetgever geweest.2 De gedachte is dat de procedure juist wordt toegepast vanwege het feit dat de onderneming in financiële problemen verkeert en insolvent is of dreigt te raken.3
De schuldenaar heeft in beginsel gedurende 120 dagen na de “order for relief” het (exclusieve) recht om een akkoord aan te bieden. Als dat niet gebeurt, heeft elke vermogensverschaffer vervolgens de mogelijkheid om een akkoord aan te bieden.4 Voor de aanvraag van Chapter 11 door een crediteur wordt wel getoetst of de schuldenaar financieel insolvent is.5 Vervolgens worden alle vermogensverschaffers voor de stemming over het akkoord in klassen ingedeeld, waarna stemming over het akkoord plaatsvindt. Slechts klassen vermogensverschaffers van wie de rechten worden gewijzigd, zijn bevoegd te stemmen. Een klasse vermogensverschaffers waarvan de rechten niet worden gewijzigd, wordt geacht voor het plan te hebben gestemd.6
De rechter zal het plan goedkeuren als aan een aantal voorwaarden is voldaan, onder andere dat alle klassen vermogensverschaffers van wie de rechten door het akkoord worden gewijzigd met het plan instemmen.7 Voor de aanname van het akkoord in een bepaalde klasse is (slechts) de gewone meerderheid van de schuldeisers nodig, die ten minste twee derde van het bedrag aan schuldvorderingen vertegenwoordigen.8 Kortom, de meerderheid kan de minderheid dwingen aan een akkoord te worden gebonden (de eerste cram down).
Een andere voorwaarde is dat elke individuele tegen het akkoord stemmende vermogensverschaffer toekomt wat hem in een scenario van de liquidatie van het vermogen van de rechtspersoon onder Chapter 7 van de U.S. Bankruptcy Code zou toekomen. Deze toets wordt aangeduid als de “best interests of creditors test”.9 Ook als een klasse (in meerderheid) voor een akkoord stemt dat een uitkering lager dan in Chapter 7 inhoudt, bindt dit de individuele (in minderheid) tegenstemmende crediteuren in deze klasse in dit geval niet.10 Om aan te tonen dat het akkoord aan de best interests of creditors test voldoet, moet een waardering worden overgelegd.11 Partijen die homologatie van het akkoord verzoeken zullen de liquidatie-analyse vaak direct indienen. Een alternatief is dat dit niet gebeurt en de rechter een “independent factual determination” zal verzoeken.12
In het geval van een tegenstemmende (individuele) vermogensverschaffer is in Chapter 11 dus een schatting van de opbrengst op zijn vordering vereist. Deze opbrengst is gebaseerd op de waardering bij de liquidatie van het vermogen van de rechtspersoon. Ik benadruk dat deze test niet slechts ziet op de opbrengst bij liquidatie van de onderneming: de piecemeal liquidatie.13 De liquidatiewaarde in Chapter 7 kan ook de going concern verkoopwaarde van (een gedeelte van) de onderneming zijn.14 Ter illus tratie hiervan verwijs ik voor twee praktijkvoorbeelden naar paragraaf 13.4.
Als een klasse vermogensverschaffers waarvan de rechten worden gewijzigd het plan niet bij meerderheid accepteert, moet het akkoord in beginsel worden afgewezen.15 Bij een tegenstemmende klasse kan het akkoord echter alsnog worden aangenomen. Niet alleen kan de meerderheid de minderheid dus dwingen aan een akkoord te worden gebonden (de eerste cram down), ook kan een bij meerderheid tegenstemmede klasse vermogensverschaffers door de rechter aan het akkoord worden gebonden (de tweede cram down).
Voor deze tweede cram down, de zogenoemde cross cram down, gelden twee additionele voorwaarden. Ten eerste moet het plan niet discriminerend zijn voor vermogensverschaffers met dezelfde rang. Ten tweede moet het akkoord “fair and equitable” zijn.16 Deze voorwaarde wordt verschillend ingevuld voor enerzijds gesecureerde vermogensverschaffers en ander zijds ongesecureerde vermogensverschaffers (waaronder aandeelhouders). Beknopt weergegeven moeten alle vermogensverschaffers delen in de reorganisatiewaarde (voor een toelichting op dit begrip verwijs ik naar paragraaf 3.4).17 Voor de tweede groep, de ongesecureerde vermogensver schaffers, wordt dit bewerkstelligd door onder andere de “absolute priority rule”. Deze regel is als volgt nader uitgewerkt voor concurrente schuldeisers en andere klassen met “interests” (waaronder een aandeelhouder).18
De absolute priority rule houdt de volgende drie onderdelen in:
Onderdeel 1: als een tegenstemmende klasse onder het akkoord volledig voor zijn erkende vordering wordt voldaan, is voor de betreffende tegenstemmende klasse voldaan aan de absolute priority rule.
Onderdeel 2: pas als een tegenstemmende klasse niet volledig voor zijn erkende vordering wordt voldaan, is het relevant vast te stellen of een klasse met een lagere rang een waarde behoudt of ontvangt. Indien dit het geval is, dan geldt dat het akkoord in strijd is met de absolute priority rule.
Onderdeel 3: het akkoord is voorts in strijd met de absolute priority rule als een klasse met een hogere rang meer waarde behoudt of ontvangt dan het nominale bedrag van haar vordering.19 Deze derde voorwaarde staat niet letterlijk in Chapter 11 maar volgt uit de parlementaire geschiedenis20 en de Amerikaanse rechtspraak.21
Voor de vraag of het akkoord fair and equitable is, speelt de reorganisatiewaarde een centrale rol. Aan de hand van de reorganisatiewaarde wordt getoetst of het akkoord al dan niet fair is en gehomologeerd kan worden.22 De absolute priority rule strekt ertoe zeker te stellen dat vermogensverschaffers conform hun rang delen in de reorganisatiewaarde.23 Een afwijking van de wettelijke verdeling van de reorganisatiewaarde is toegelaten, mits alle betrokken klassen daarmee instemmen. Een voorbeeld is het akkoord waarbij aandeelhouders een belang in de geherstructureerde onderneming houden, terwijl de schuldeisers niet volledig worden voldaan. Dit kan rationeel zijn als een aandeelhouder tevens een waardevolle bestuurder is (of extra kapitaal inbrengt).
In de Chemtura casus uit 2010 is dit door de Amerikaanse rechter als volgt verwoord:
“It’s undisputed that the “fair and equitable” requirement encompasses a rule that a senior class cannot receive more than full compensation for its claims. Courts will deny confirmation if a plan undervalues a debtor and therefore would have resulted in paying senior creditors more than full compensation for their allowed claims.”
En:
“If I were required to find a specific valuation for [Chemtura], I think that, based on the foregoing and the additional factual analysis discussed below, any valuation would be at the low end of the Lazard range. But for the purposes of this controversy, I don’t need to find an exact valuation. To determine that the Plan does not violate section 1129(b)’s “fair and equitable” requirement by paying creditors more than in full, I need only find that the [Reorganisatiewaarde] doesn’t exceed the [Reorganisatiewaarde] underlying the Settlement.”24