Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.4.1
6.5.4.1 Categorie II- en 111-voorbehouden versus beperking van devertegenwoordigings-bevoegdheid
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298217:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Men kan de uitoefening van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid natuurlijk wel afhankelijk stellen van het verkrijgen van goedkeuring door een niet-bevoegde persoon of een niet-bevoegd orgaan van een vennootschap (bijv. bij een bedongen goedkeuring door de raad van commissarissen), maar dat is iets anders dan het beperken van de eigen vertegenwoordigingsbevoegdheid of, zo men wil, het doen van afstand van het recht om te vertegenwoordigen. Verder moet een voorbehoud waarbij de vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt beperkt, worden onderscheiden van de situatie waarin een voorbehoud wordt gemaakt dat erop neerkomt dat eerst gebondenheid ontstaat wanneer het bestuur van de vennootschap schriftelijke goedkeuring verleent. Dit laatste voorbehoud komt m.i. weer neer op een typisch categorie 1-voorbehoud waarbij, aangenomen dat de vertegenwoordiger die het voorbehoud heeft bedongen, daartoe bevoegd was, een vormvoorschrift wordt overeengekomen.
Het is m.i. niet goed denkbaar om categorie II- en categorie III-voorbehouden te plaatsen in de sleutel van de beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid nu men zijn bevoegdheid hooguit kan beperken ten gunste van een persoon of orgaan die of dat vervolgens wel vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft. Daarmee komt men dan al snel uit bij het bestuur van de vennootschap (indien met een vennootschap wordt onderhandeld) of bijv., voor zover de statuten die kennen, een procuratiehouder.1 Of men een goedkeuringsvoorbehoud ziet als een opschortende voorwaarde, als een mededeling dat men iberhaupt geen volmacht tot vertegenwoordiging heeft of als een (al dan niet vrijwillige) beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid die men normaal gesproken heeft, is bepaald niet zonder belang. Ziet men immers het betreffende voorbehoud als een opschortende voorwaarde, is degene die het bedingt zelf bevoegd tot vertegenwoordiging en geldt dat zelfde voor de persoon die de goedkeuring moet verlenen, dan is sprake van een potestatieve voorwaarde. Ziet men het voorbehoud als een mededeling door de onderhandelingspartner dat hij zelf sowieso nimmer bevoegdheid heeft tot vertegenwoordiging en waarbij hij erop wijst dat slechts het bestuur van de vennootschap deze kan vertegenwoordigen, dan is er — strikt genomen — geen sprake van een voorbehoud maar "slechts" van een mededeling die de "vertegenwoordigingsrechtelijke" status quo binnen de vennootschap aangeeft. Voor de onderhandelingspartner is dan duidelijk dat — behoudens toerekenbare schijn van volmachtverlening — er nooit binding kan ontstaan tot het moment waarop de vennootschap wel bevoegd wordt vertegenwoordigd. Ziet men het voorbehoud als een beperking van de bevoegdheid van de onderhandelaar die normaal gesproken bevoegd zou zijn geweest om te vertegenwoordigen, ook dan weet de onderhandelingspartner dat hij, gevallen van schijn van volmachtverlening (wederom) daargelaten, ook in dat geval geen zaken zal kunnen doen met de betreffende onderhandelaar, maar afhankelijk is van de directie/een wel bevoegde vertegenwoordiger van de vennootschap.