Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/8.3.1
8.3.1 Het bevel en de andere remedies
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657436:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3392, NJF 2019/361.
HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8976, NJ 1986/356, m.nt. M. Scheltema (Claas/Van Tongeren), r.o. 3.3; HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, NJ 2020/41, m.nt. J. Spier (Urgenda), r.o. 8.2.1. Een eventueel misbruik van recht daargelaten, natuurlijk.
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, m.nt. J. Spier (Aardbevingsschade Groningen I), r.o. 2.11 (afwachtende houding t.o.v. de vergoeding van waardevermindering) en r.o. 2.12 (erkenning mogelijkheid vergoeding gederfd woongenot).
Daarop bestaan wel twee beperkingen. Ten eerste vervalt het recht op schadevergoeding als de gedaagde spontaan overgaat tot afbraak: er is dan immers geen schade meer. In praktisch opzicht heeft de gedaagde dus wel degelijk invloed op de vrije keuze van de eiser. Ten tweede vervalt het recht op afbraak als dat gegeven de omstandigheden dermate onredelijk is dat gesproken kan worden van misbruik van recht, zie HR 17 april 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5012, NJ 1971/89, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Kuipers/De Jongh).
Het meest voorkomende geval van ‘samenloop’ is dat van het bevel en de schadevergoeding in geld. Zoals hiervoor gezegd is het bevel vrijwel altijd beschikbaar en omdat de meeste normen zien op de voorkoming van schade is de schadevergoeding dat meestal ook. Een goed voorbeeld is het in § 4.4.2.1 omschreven geval waarin een bedrijf in zijn achtertuin een appartementencomplex optrekt, waardoor omwonenden lichthinder ondervinden.1 Omdat het hier gaat om een voortdurende onrechtmatige daad is zowel het bevel als de schadevergoeding beschikbaar. De omwonenden hebben namelijk het recht een jegens hen voortdurende onrechtmatige daad (i.e. de hinder) te laten beëindigen én hebben recht op compensatie van gederfd woongenot voor zolang de hinder heeft geduurd of nog zal duren.2 Deze twee vorderingen kunnen in beginsel worden gecumuleerd, maar daarbij moet wel oog gehouden worden voor de vormgeving daarvan. Het is natuurlijk niet toegestaan een veroordeling tot afbraak te combineren met een veroordeling van vergoeding van gederfd woongenot in de toekomst: na afbraak zal immers geen woongenot meer worden gederfd.
Dit voor de hand liggende resultaat is goed te verklaren vanuit de idee dat de remedie een instrument is om de gerechtigde zoveel mogelijk te bieden waar de norm hem recht op gaf. In dit geval geeft de norm hem recht op het hindervrij leven met alle voordelen die daarbij horen. Zolang hij een schadevergoeding voor gederfd woongenot tot aan de afbraak combineert met een bevel tot afbraak, verwezenlijkt hij ook niet méér dan dat scenario. Daarmee krijgt hij uiteindelijk exact datgene wat de norm voorschreef (nl. vrij zijn van lichthinder) en voor zover dat niet meer mogelijk is (nl. zolang het gebouw er nog staat) krijgt hij via de schadevergoeding in geld het ‘second best.’ Daar is niets tegenstrijdigs aan. Het zou pas tegenstrijdig worden als hij zou proberen naast een bevel tot afbraak ook vergoeding van gederfd woongenot voor de periode na afbraak te vorderen. Cumulatie van die twee remedie zou ridicuul zijn: hij lijdt die schade immers niet. Ook vanuit remedierechtelijk oogpunt is dat logisch: je kunt niet én vrij zijn van schade én vergoeding van schade krijgen.
Compliceren we de kwestie echter enigszins, dan is dat resultaat niet zo eenvoudig te bereiken. Stel dat de omwonenden in dit geval niet alleen schadevergoeding voor gederfd woongenot maar ook voor de waardedaling van hun woningen zouden vorderen. Hoewel de woning als gevolg van de lichthinder waarschijnlijk in waarde gedaald zal zijn, zal de waarde weer toenemen na afbraak van het appartementencomplex. Is combinatie hier nu toegestaan of niet? Doordat de woning nu minder waard is, is de schade in zekere zin al geleden, maar naleving van het bevel zou die schade in de toekomst wel weg kunnen nemen. Ook hier kan de gedachte dat de verschillende remedies samen niet meer dan één scenario mogen verwezenlijken inzichtelijk maken in welke gevallen een combinatie als ‘tegenstrijdig’ zou moeten worden aangemerkt. De benadering van de Hoge Raad in de Groningse aardbevingenzaak suggereert van niet.3 Hij overweegt dat die schade pas voor vergoeding in aanmerking komt als sprake is van een definitieve waardedaling. Vanuit de hier verdedigde benadering is dat ook terecht, want als de bewoners deze waardedaling vergoed zouden krijgen én het complex zou worden afgebroken, dan zouden zij meer krijgen dan waar de norm hen oorspronkelijk recht op gaf.4