Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/4.8.3
4.8.3 Benoeming van een vereffenaar
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652205:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Eikelboom 2017, p. 549-550; Van Wees & Eikelboom 2018, p. 117; Nethe 2022, p. 925-927. Dat de vereffenaar niet wordt genoemd in art. 2:357 lid 4 BW acht ik dan ook geen ‘misverstand’, zoals Josephus Jitta 2020b, p. 727 betoogt. Anders nog OK 30 augustus 2005, ARO 2005/169 (Zeelandia), waarin de Ondernemingskamer geen beloning vaststelde. De vereffening eindigde hier op de voet van art. 2:23b lid 9 BW.
OK 13 augustus 2012 (r.o. 2.1-2.2; dictum), ARO 2012/126 (Mulix). Zie bijv. ook OK 2 augustus 2018, ARO 2018/188 (Sovereign Trust).
OK 2 februari 2018 (r.o. 2.3), ARO 2018/127 (De Stefano Delft).
Bij de benoeming van een vereffenaar gaat de Ondernemingskamer ook over tot de vaststelling van diens vergoeding. De Ondernemingskamer stelt dan een beloning vast op de voet van art. 2:23 lid 2 BW, dat bepaalt: ‘De vereffenaar die door de rechter is benoemd, heeft recht op de beloning welke deze hem toekent.’1
Zo benoemde de Ondernemingskamer in Mulix een vereffenaar tevens tot OK-bestuurder en OK-beheerder van een door haar ontbonden rechtspersoon. De Ondernemingskamer ontsloeg de OK-functionaris voor zover nodig uit zijn functies en kende hem in zijn hoedanigheid als vereffenaar een beloning van € 22.850 (inclusief btw) toe. Zij overwoog daartoe dat de OK-functionaris heeft opgegeven dat hij van de rechtspersoon een depotbedrag van € 22.850 heeft ontvangen, en dat hij bij een tweetal facturen met urenspecificatie en kostenspecificatie in totaal ook inmiddels € 22.850 (inclusief btw) heeft gedeclareerd. De OK-functionaris deelde de Ondernemingskamer mede verder geen aanspraak te maken op vergoeding van gemaakte reiskosten en enige nog niet gedeclareerde uren. De Ondernemingskamer stelde de vergoeding van de vereffenaar vast in overeenstemming met zijn kostenopgave, nu deze kosten de Ondernemingskamer niet onredelijk voorkwamen.2
In De Stefano Delft stelde de Ondernemingskamer niet alleen de beloning van de door haar benoemde vereffenaar vast, maar ook de beloning van de door de Rechtbank ’s-Gravenhage benoemde vereffenaar, die was benoemd in het kader van de heropening van een door de Ondernemingskamer uitgesproken ontbinding.3