Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.1.16
2.1.16 Rechtsgevolgen hulpzaken
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645046:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
En §98 BGB, zie hieronder.
Zie hieronder §2.1.16.
Voorwaarde is wel dat de hulpzaken toebehoren aan de vervreemder.
Hetzelfde gold onder het Romeinse recht. Zie bijvoorbeeld D. 18, 1, 47 – 49 en D. 19, 1, 13, 31 en Hoofdstuk 1, §1.2.7.
§926 BGB lid 1: “Sind der Veräußerer und der Erwerber darüber einig, dass sich die Veräußerung auf das Zubehör des Grundstücks erstrecken soll, so erlangt der Erwerber mit dem Eigentum an dem Grundstück auch das Eigentum an den zur Zeit des Erwerbs vorhandenen Zubehörstücken, soweit sie dem Veräußerer gehören. Im Zweifel ist anzunehmen, dass sich die Veräußerung auf das Zubehör erstrecken soll.”
Staudinger/Stieper (2021) BGB §97, Rn 31 e.v.
§1120 BGB: “Die Hypothek erstreckt sich auf die von dem Grundstück getrennten Erzeugnisse und sonstigen Bestandteile, soweit sie nicht mit der Trennung nach den §§954 bis 957 in das Eigentum eines anderen als des Eigentümers oder des Eigenbesitzers des Grundstücks gelangt sind, sowie auf das Zubehör des Grundstücks mit Ausnahme der Zubehörstücke, welche nicht in das Eigentum des Eigentümers des Grundstücks gelangt sind”. Baur/Stürner (2009), p. 16.
Anders dan naar Nederlands recht is naar Duits recht de fiduciaire eigendomsoverdracht (eigendom strekkende tot zekerheid) mogelijk.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §97 Rn 32.
§865 ZPO Lid 1: “Die Zwangsvollstreckung in das unbewegliche Vermögen umfasst auch die Gegenstände, auf die sich bei Grundstücken und Berechtigungen die Hypothek, bei Schiffen oder Schiffsbauwerken die Schiffshypothek erstreckt. Lid 2: Diese Gegenstände können, soweit sie Zubehör sind, nicht gepfändet werden. Im Übrigen unterliegen sie der Zwangsvollstreckung in das bewegliche Vermögen, solange nicht ihre Beschlagnahme im Wege der Zwangsvollstreckung in das unbewegliche Vermögen erfolgt ist.”
§55 Zwangversteigerungsgesetz (ZVG) Lid 1: “Die Versteigerung des Grundstücks erstreckt sich auf alle Gegenstände, deren Beschlagnahme noch wirksam ist. Lid 2: Auf Zubehörstücke, die sich im Besitz des Schuldners oder eines neu eingetretenen Eigentümers befinden, erstreckt sich die Versteigerung auch dann, wenn sie einem Dritten gehören, es sei denn, daß dieser sein Recht nach Maßgabe des §37 Nr. 5 geltend gemacht hat. §90 ZVG Lid 2: Mit dem Grundstück erwirbt er zugleich die Gegenstände, auf welche sich die Versteigerung erstreckt hat.” Zie ook: BGH 20-11-2008 – IX ZR 180/07, Rn 12 e.v.
§1135 BGB: “Einer Verschlechterung des Grundstücks im Sinne der §§1133, 1134 steht es gleich, wenn Zubehörstücke, auf die sich die Hypothek erstreckt, verschlechtert oder den Regeln einer ordnungsmäßigen Wirtschaft zuwider von dem Grundstück entfernt werden.”
§1121 lid 1 BGB: “Erzeugnisse und sonstige Bestandteile des Grundstücks sowie Zubehörstücke werden von der Haftung frei, wenn sie veräußert und von dem Grundstück entfernt werden, bevor sie zugunsten des Gläubigers in Beschlag genommen worden sind.”
Het doel van §97 BGB1 is hetzelfde als dat van §93 en §94 BGB, namelijk om de economische waarde en de “bruikbaarheid” (Nutzbarkeit) van samenhangende zaken te behouden.2 Vandaar dat de hulpzaken in bepaalde gevallen het juridische “lot” van de hoofdzaak delen, ondanks dat zij zelfstandige zaken zijn.3 Zo vallen in geval van twijfel de hulpzaken binnen een koopovereenkomst (§311c BGB).4 Voor overdracht van hulpzaken van de grond is geen afzonderlijke overeenkomst en levering nodig.5 Een koper verkrijgt deze hulpzaken volgens §926 BGB in eigendom, als hij de eigendom van de grond verkrijgt.6 In het geval de koper hulpzaken in zijn bezit verkrijgt die niet toebehoren aan de vervreemder, gelden de regels van verkrijging van roerende zaken door een niet-gerechtigde, opgenomen in §932 e.v. BGB.
Voorts geldt dat, in geval van twijfel, de beperkte rechten die op de hoofdzaak rusten, eveneens rusten op de hulpzaken.7 Een hypotheekrecht strekt zich in beginsel uit tot de hulpzaken (§1120 BGB), ondanks dat de hulpzaken roerende zaken zijn.8 Zelfs hulpzaken die onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd vallen onder dit zekerheidsrecht, aangezien de verkrijger door die levering een Anwartschaftsrecht heeft, oftewel een eigendomsverwachting of anders gezegd een “eigendomsrecht in wording”. Een voorbeeld uit de rechtspraak.
Een hoteleigenaar heeft het recht van hypotheek gegeven aan A, die hypotheekhouder is. De aanwezige inventaris in zijn hotel had hij gekocht en geleverd gekregen onder eigendomsvoorbehoud van S. De koopprijs was nog niet volledig betaald. Om de koopprijs te voldoen, leende de hoteleigenaar een som geld van X. Tot zekerheid van terugbetaling van dat geld heeft de hoteleigenaar de aangeschafte inventaris, die hij na afbetaling in eigendom heeft verkregen, overgedragen aan X (fiduciaire eigendomsoverdracht).9 De hoteleigenaar gaat failliet.
De vraag rijst of het hypotheekrecht van A ook de inventaris omvat en of hij voorrang heeft op het eigendomsrecht van X. A stelde van wel, aangezien hij een zekerheidsrecht op het Anwartschaftsrecht op de inventaris had voordat deze in eigendom van de hoteleigenaar was komen te vallen. Dit recht had betrekking op de hulpzaken van het hotel en dus vielen de hulpzaken onder het hypotheekrecht. Het BGH geeft A hierin gelijk:
“Die Meinung, daß die Hypothek sich auch auf das Anwartschaftsrecht hinsichtlich des Zubehörs erstrecke, das der Grundstückseigentümer unter Eigentumsvorbehalt des Verkäufers erworben habe, verdient den Vorzug. Sie entwickelt die Auffassung, das Vollrecht könne vom Anwartschaftsberechtigten durch Verfügung über die Anwartschaft mit der Wirkung auf einen Dritten übertragen werden, daß dieser das Eigentum unmittelbar vom Eigentümer erwerbe, folgerichtig fort. Dieser zutreffenden Ansicht liegt eine weitgehende Gleichstellung von Eigentum und Anwartschaft zugrunde.”10
Ondanks dat de hulpzaken niet ingeschreven zijn in het register/Grundbuch, vielen ze toch onder het hypotheekrecht.11 Als de hypotheekhouder zijn hypotheekrecht uitoefent en de hoofdzaak gaat executeren, dan gaan bij de verkoop de hulpzaken mee over op de koper.12 De hulpzaken die aan een ander dan aan de grondeigenaar toebehoren, maar die in het bezit van de grondeigenaar zijn, worden ook mee verkocht bij de executie, als de eigenaar van de hulpzaken zijn eigendomsrecht niet (op tijd) geldend heeft gemaakt.13 Worden de hulpzaken door toedoen van iemand minder waard, dan kan de hypotheekhouder diegene aanspreken.14 Wanneer echter de hulpzaken zijn overgedragen en verwijderd van de grond nog voordat de schuldeiser daar beslag op heeft kunnen leggen, vallen zij niet meer onder het hypotheekrecht.15
Als een roerende zaak een hoofdzaak is, dan gelden andere regels. De hulpzaken van deze roerende zaak zijn niet automatisch bezwaard met het pandrecht dat op de hoofdzaak rust. Het pandrecht strekt zich alleen uit over de hulpzaken indien voldaan is aan de vereisten van §§1205 BGB. Deze vereisten houden onder meer in dat de hulpzaken in het bezit moeten zijn van de pandhouder.
Tussenconclusie
Hulpzaken zijn bestemd om ondergeschikt te zijn aan een andere zaak, de hoofdzaak. Ondanks dat deze twee zaken niet fysiek zijn verbonden, hebben ze wel invloed op elkaar, zoals de maan op de aarde. Een hulpzaak deelt daarom het juridische lot van de hoofdzaak. De reden hiervoor is om de economische waarde te behouden die de hulpzaak en de hoofdzaak gezamenlijk creëren. Wordt de hoofdzaak overgedragen, dan zijn de hulpzaken bij deze overdracht inbegrepen, tenzij partijen de hulpzaken hierbij uitsluiten. Zo blijft de “eigendomseenheid” bestaan. Ook kunnen beperkte rechten die rusten op de hoofdzaak, zoals het hypotheekrecht, zich automatisch uitstrekken tot de hulpzaken. Voorwaarde is wel dat sprake is van een “eigendomseenheid”, wat wil zeggen dat de hoofdzaak en de hulpzaak aan dezelfde eigenaar toebehoren. Is dit niet het geval, dan deelt de hulpzaak niet het juridische “lot” van de hoofdzaak. De hulpzaak is immers, ondanks dat zij duurzaam bestemd is om ondergeschikt te blijven aan de hoofdzaak, een zelfstandige zaak. De kwalificatie van “Zubehör” doet geen zakelijke rechten tenietgaan. Deze blijven bestaan. Op de roerende hulpzaken zijn de “normale” artikelen van de onbevoegde vervreemder van toepassing (§§932 BGB). De verkrijger te goeder trouw wordt na de levering eigenaar van de hulpzaken. De BGB-paragrafen over derdenbescherming beëindigen de zakelijke rechten.
Het onderzoek zal zich nu richten op de gevallen waarin een zaak na de verbinding een wezenlijk bestanddeel is geworden. Centraal staat daarbij de vraag in hoeverre sprake is van continuïteit van de zakelijke rechten die vóór de verbinding op het wezenlijk bestanddeel rusten. De hoofdregels over deze rechtsgevolgen bij onroerende zaken zijn geregeld in §946 BGB. De rechtsgevolgen van de verbinding van roerende zaken zijn geregeld in §947 BGB.