Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/2.2
2.2 Geschiedenis van de Faillissementswet (1893)
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS301187:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Deze tendens begon in de handelssteden in Italië, waar het adagium 'Fallitus, ergo fraudator' werd aangehangen; vroege strafbaarstellingen zijn terug te vinden in de statuten van deze handelssteden, aldus meer uitgebreid Hilverda, p. 3.
Aldus de memorie van toelichting bij de Faillissementswet, opgenomen in Kortmann & Faber I, p. 5 e.v. onder het hoofdstuk Wenschelijkheid van herziening der oude wetgeving.
Molengraaf 1951, p. 10 e.v.
Memorie van Toelichting, opgenomen in Kortmann & Faber I, p. 7.
Polak/Pannevis 2017, Faillissementsrecht, p. 11.
Asser 2016, paragraaf 6.
Hufman 2015, p. 17.
Memorie van toelichting, opgenomen in Kortmann & Faber I, p. 27.
De in de vorige paragraaf geschetste ontwikkelingen, waarin de maatschappij in Nederland en de omringende landen in de tweede helft van de negentiende eeuw in rap tempo industrialiseerde, leidden noodzakelijkerwijze ook op andere rechtsgebieden dan het arbeidsrecht tot andere wet- en regelgeving, bijvoorbeeld op het terrein van wat wij later het insolventierecht zijn gaan noemen.
Al in de late Middeleeuwen bracht de sterk toegenomen handel in Europa welhaast vanzelfsprekend mee dat ook het aantal situaties waarin een schuldenaar zijn verplichtingen niet meer kon nakomen groeide. In eerste instantie werden hiervoor in het strafrecht de oplossingen gezocht: een faillissement was, zo werd verondersteld, per definitie te kwader trouw veroorzaakt.1 De term faillissement is dan ook afkomstig van het Latijnse werkwoord fallere, dat bedriegen betekent.
In het begin van de negentiende eeuw werd echter voor het eerst onderscheid gemaakt tussen het strafbare karakter van faillissement ('bankbreuk") en het civielrechtelijke faillissement. Tijdens de Franse overheersing in Nederland werd in 1811 (naast de eerder aangehaalde Code Civil) de Code de Commerce ingevoerd. Daarin werd gesproken van enerzijds "banqueroute simple" en anderzijds "banqueroute frauduleuse". Dit wetboek was duidelijk geschreven ten behoeve van het handelsverkeer, terwijl strafrechtelijke sancties werden vermeld in de in 1810 ingevoerde Code Pénal.
In 1838 werd de Code de Commerce vervangen door het Wetboek van Koophandel, met daarin een derde boek onder de titel "voorzieningen in geval van onvermogen van kooplieden". Hoewel deze wetgeving bijna een halve eeuw zou standhouden, voldeed deze volgens een breed gedragen overtuiging al langere tijd niet meer aan de daaraan te stellen eisen.2 De regeling uit het Wetboek van Koophandel bevatte te veel formaliteiten, de afwikkeling van faillissementen was langdurig en kostbaar, de invloed van schuldeisers te beperkt en de regeling kende een aantal grote leemten, zoals het ontbreken van regels betreffende de invloed van de faillietverklaring op bestaande rechtsverhoudingen, zoals de arbeidsovereenkomst.3 Bovendien drukte de industrialisering ook op de ontwikkeling van het faillissementsrecht haar stempel: het aantal en de omvang van ondernemingen nam toe en daarmee het belang van een adequate regeling voor situaties waarin financiële verplichtingen niet meer konden worden nagekomen.4
In 1893 werd de Faillissementswet aangenomen en in 1896 trad zij in werking. De wet gaat blijkens de memorie van toelichting uit van 'het beginsel, dat het faillissement een gerechtelijk beslag op het geheele vermogen des schuldenaars ten behoeve van de gezamenlijke schuldeischers is'. Indien een schuldenaar betaling van zijn schulden staakt dreigt de situatie dat bepaalde schuldeisers beslag gaan leggen en gaan executeren, waardoor er voor andere schuldeisers minder overblijft. Om dit te voorkomen is een gezamenlijk, algeheel beslag nodig geacht.5 Bij de uitoefening van het verhaal geldt voorts als hoofdregel dat de schuldeisers onderling een gelijk recht hebben, na voldoening van de executiekosten, uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering. Men spreekt in dit verband van gelijkheid van schuldeisers (paritas creditorum).6 Voorts wordt algemeen aangenomen dat toentertijd de belangrijkste, zo niet enige doelstelling van de faillissementsprocedure was het liquideren van de failliete onderneming en het vervolgens op eerlijke wijze verdelen van de opbrengst onder de gezamenlijke schuldeisers.7 Deze aanname is hoofdzakelijk gebaseerd op de volgende passage uit de memorie van toelichting:
"De instelling van het faillissement beoogt niets anders dan, bij staking van betaling door den schuldenaar, diens vermogen op eene billijke wijze onder al zijne schuldeisschers, met eerbiediging van ieders recht, te verdeelen, en het geheele samenstel der bepalingen, welke in eenen faillietenwet worden gevonden, heeft geen ander doel dan die billijke verdeeling voor te bereiden, te waarborgen en te bewerkstelligen."8