Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.5:12.1.5 Algehele reflectie op de onderzoeksvraag
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.5
12.1.5 Algehele reflectie op de onderzoeksvraag
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258705:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek is ingegaan op de vraag in hoeverre de douanewaarde van ingevoerde goederen in de Europese Unie, in het huidige tijdsgewricht en gelet op de doelstelling die aan het stelsel ter bepaling van de douanewaarde ten grondslag ligt, op basis van de transactiewaarde van goederen kan worden vastgesteld. Met dit onderzoek heb ik aangetoond dat de wijze waarop de douanewaarde wordt bepaald zich niet altijd verhoudt met de elementen uit het toetsingskader. Zo werken de bepalingen in het DWU-wetgevingspakket niet altijd rechtvaardig, éénvormig en neutraal uit. In dat kader kan bijvoorbeeld worden gewezen op de onzorgvuldige en daarmee onrechtvaardige formulering van artikel 128 UDWU waaruit het in de Europese Unie toegepaste last-sale principe volgt (onderdeel 9.4). Het last-sale principe kan er in voorkomende gevallen bijvoorbeeld toe strekken dat de importeur niet bij de verkooptransactie is betrokken op basis waarvan de douanewaarde wordt bepaald. Het niet voorhanden hebben van de aan de transactie ten grondslag liggende stukken kan er in dat geval (onbedoeld) toe leiden dat de douanewaarde op basis van een alternatieve waarderingsmethode moet worden vastgesteld (onderdeel 9.4.2). Dit schaadt daarmee ook de eenvoud van het systeem. Ook artikel 136, lid 4, onderdeel c, UDWU is naar mijn mening onzorgvuldig geformuleerd. Qua bewoordingen lijkt deze bepaling namelijk een ‘catch-all’bepaling te omvatten voor het in aanmerking nemen van betalingen voor royalty’s en licentierechten aan derde-licentiegevers, terwijl dit – aldus onder andere de Europese Commissie in de Guidance document on customs valuation – niet de bedoeling lijkt te zijn (onderdeel 11.5.6.3.2). De bepaling is daarmee onrechtvaardig en kan – weliswaar onbedoeld – de vaststelling van te hoge en daarmee arbitraire of fictieve douanewaardes tot gevolg hebben. De éénvormigheid van de douanewaardebepalingen in het DWU-wetgevingspakket staat ook onder druk (lees: de uniforme toepassing van de douanewaardebepalingen in het DWU-wetgevingspakket door de EU-lidstaten). Exemplarisch is de wijze hoe de verschillende EU-lidstaten omspringen met het vraagstuk in hoeverre interne verrekenprij(s)(zen)(aanpassingen) in aanmerking kunnen worden genomen voor het (definitief) vaststellen van de douanewaarde (onderdeel 10.5.3). Daarnaast wordt de neutraliteit van het stelsel in het DWU-wetgevingspakket niet altijd gewaarborgd. Zo vertoont de werkingssfeer van de prijselementen van de transactiewaarde in voorkomende gevallen overlap, terwijl naar mijn mening elk prijselement zijn eigen reikwijdte heeft en voor elk prijselement een eigen set aan voorwaarden geldt waaronder zij in aanmerking genomen moeten worden. In dat kader kan onder andere worden gewezen op inkoopcommissies, die in voorkomende gevallen, naar mijn mening onterecht, onder vervoerskosten worden geschaard (onderdeel 11.2.3.3.2). De neutraliteit van het stelsel wordt naar mijn mening ook geschaad doordat interne verrekenprijzen niet standaard in aanmerking worden genomen indien de transactie op basis van een intragroepstransactie tot stand komt. Dit werkt de vaststelling van arbitraire en fictieve waardes in de hand (onderdeel 10.2.2). Ik heb geen aanwijzingen gevonden waaruit volgt dat de douanewaarde in het DWU-wetgevingspakket op enige wijze wordt ingezet als middel ter bestrijding van dumping. Met dit onderzoek is kortom aangetoond dat de transactiewaarde van de ingevoerde goederen als methode om de douanewaarde te bepalen onder druk is komen te staan ten gevolge van economische globalisering en dat dit in het bijzonder consequenties heeft voor de bepaling van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen bij opeenvolgende verkopen (hoofdstuk 9), bij intragroepstransacties (hoofdstuk 10) en voor het vaststellen van de elementen van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen (hoofdstuk 11). Om de druk te verlichten, zijn in het hiernavolgende onderdeel diverse aanbevelingen geformuleerd.