Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/3.2.3.2
3.2.3.2 Overeenstemming over een waardedefinitie o.b.v. de positieve conceptie
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258633:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 1 november 1979, Pb. 1980, L 71, 107 (Tokyo-overeenkomst).
Voor een complete studie naar de verschillen tussen de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig de Brusselse Waarde Definitie en de Tokyo-overeenkomst, verwijs ik naar: Customs Co-operation Council, The Brussel definition of value and the GATT valuation agreement: a comparison, New York: McMullin Publishers Ltd. 1985.
Zie voor de verklaring van de Europese Unie: GATT (Group “Non-Tariff Measures” – Sub-Group “Customs Matters”) – Statement made by the Commission of the European Communities at the meeting of de sub-group of 15 November 1977, MTN/NTM/W/126, 21.11.1977. Voor het daaropvolgende voorstel, zie: GATT (Group “Non-Tariff measures” – Sub-Group “Customs Matters”) – Customs Valuation, MTN/NTM/W/122, 08.11.1977.
V. Rege, ‘Customs Valuation and Customs Reform’, in: B. Hoekman, A. Mattoo & P. Englisch, Development, Trade and the WTO – A Handbook, Washington, D.C.: The World Bank 2002, p. 129 en voetnoot 3.
De inkomsten uit invoerrechten maken in ontwikkelingslanden een groot deel van de overheidsinkomsten uit, zie voetnoot 9 in hoofdstuk 1. In aanvulling zie K. Kubota, “Fiscal Constraints, Collection Costs and rade Policies”, Policy Research Working Paper Series 2366, Washington, D.C.: The World Bank 2000, p. 3. In voornoemde publicatie wordt opgemerkt dat inkomsten uit invoerrechten 25,9% van de belastingopbrengsten uitmaken in lage-inkomenslanden, 15,5% in lage-midden-inkomenslanden, 16,1% in hoge-midden-inkomenslanden en 0,5% in OESO-landen.
In 1979 is te Genève tijdens de Tokyo Ronde (1973-1979) van de GATT besloten tot het afsluiten van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1979 (hierna: Tokyo-overeenkomst).1 De Tokyo-overeenkomst bepaalt de douanewaarde op een andere wijze dan het Verdrag van Brussel. De BWD, zoals vastgelegd in het Verdrag van Brussel, gaat uit van de ‘normale waarde’ van het ingevoerde goed. Dit is de prijs die geacht wordt voor de ingevoerde goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koopovereenkomst, welke tussen twee onafhankelijke partijen wordt gesloten. De BWD bepaalt daarmee de douanewaarde op basis van de theoretische conceptie; de prijs waarvoor het goed zou kunnen worden verkocht. Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten waren geen partij bij het Verdrag van Brussel en hanteerden een douanewaardesysteem uitgaande van de positieve conceptie. In de Tokyo-overeenkomst wordt de theoretische conceptie verlaten en wordt de douanewaarde bepaalt op basis van de positieve conceptie.2 Om de douanewaarde vast te stellen wordt bij de positieve conceptie uitgegaan van de werkelijk betaalde of te betalen prijs waartegen het ingevoerde goed wordt verkocht. Zodoende bepaalt artikel 1, lid 1, van de Tokyo-overeenkomst:
De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het land van invoer [...]
De totstandkoming van de Tokyo-overeenkomst verliep niet zonder slag of stoot. De Europese Unie was penvoerder van het voorstel en stelde aanvankelijk voor om een douanewaardesysteem te ontwikkelen gebaseerd op de BWD, omdat zij vreesde dat de positieve conceptie onderwaardering van goederen in de hand zou werken. De Verenigde Staten verzette zich daartegen en was voorstander van een waardedefinitie gebaseerd op de positieve conceptie, omdat dat beter aansluit bij de handelspraktijken in de internationale handel.3 In een door de Europese Unie gedaan voorstel tot een overeenkomst in het najaar van 1977, lijkt de Europese Unie als een blad gedraaid.4 Naar verluidt zou deze ‘draai’ te maken hebben gehad met een geheime afspraak die de Europese Unie sloot met de Verenigde Staten.5 Een aantal ontwikkelingslanden hebben zich nog wel verzet tegen de nieuwe overeenkomst. Zij vreesden dat de vaststelling van douanewaarde gebaseerd op de factuurwaarde, te weinig handvatten zou verschaffen aan douaneautoriteiten om onderwaardering van de ingevoerde goederen te detecteren en belemmeren, wat tot inkomstenderving zou kunnen leiden.6 Het verzet had echter geen kans van slagen tegenover de brede consensus die onder de geïndustrialiseerde landen bestond.
Tussen het moment van sluiten van de Tokyo-overeenkomst en 31 december 1993, hebben 34 landen het verdrag ondertekend. Dat maakt dat niet alle GATT-landen zich hadden aangesloten. Dit kan worden verklaard vanuit het feit dat in de pre-WHO-periode het verdragslanden van de GATT 1947 vrijstond om zich al dan niet te binden aan overeenkomsten die werden aangegaan ter aanvulling op of ter verduidelijking van de GATT 1947. De overeenkomsten die onder auspiciën van de GATT 1947 werden gesloten, maakten namelijk geen integraal onderdeel uit van de GATT 1947, maar moeten als zelfstandig afgesloten multilaterale overeenkomsten worden beschouwd.