Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.6.2.1
11.6.2.1 De wettelijke doorschuifregeling
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491548:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 11.3.
Deze eis is besproken in onderdeel 11.3.2.
Normaliter gaat het vermogen dat bij de fiscale outbound GOS overgaat, behoren tot een vi in Nederland van de buiten Nederland gevestigde verkrijgers. Voor zover dat niet het geval is, volgt fiscale afrekening. Zie hierna.
Zie ook Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 3, p. 15. Zie ook het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 2 (zuivere splitsing) en het Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 2 (afsplitsing), waarin staat dat ook aan de eisen in art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 voldaan kan zijn bij een splitsing met een buiten Nederland gevestigde verkrijger. Zou het buitenlandse regime relevant zijn (quod non), dan zou het niet mogelijk zijn om te voldoen aan de onderhavige eis.
Deze vereisten zijn behandeld in de onderdelen 11.3.3, 11.3.4. 11.3.5, 11.3.6, 11.3.7, 11.3.8 en 11.3.9.
De in het buitenland gevestigde verkrijger kan vóór de splitsing binnenlands of buitenlands belastingplichtige zijn.
In het geval van een afsplitsing is de wetssystematiek anders. De omstandigheid dat de afsplitsende rechtspersoon fiscale aanspraken heeft, zoals verliesaanspraken, blokkeert de toepassing van de wettelijke doorschuifregeling niet. Die fiscale aanspraken blijven namelijk achter bij de afsplitser. Overigens geldt dat niet in alle gevallen voor aanspraken op verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten. De huidige wetssystematiek is op dat punt niet sluitend. Zie onderdeel 11.3.4. Als de afsplitser vóór een fiscale outbound GOS de innovatiebox toepast, kan een fiscaal begeleide splitsing alleen plaatsvinden op grond van de doorschuifregeling op verzoek.
Zie over deze eis ook onderdeel 11.3.10.
In de tekening hiervóór is aangenomen dat de verkrijgers na de zuivere splitsing een onderneming in Nederland drijven.
De fiscale indeplaatstreding is uitgebreid geanalyseerd in onderdeel 11.3.11.
Voor de toepassing van de wettelijke doorschuifregeling geldt een aantal wettelijke eisen. In de basis maakt het voor de beoordeling of daaraan is voldaan niet uit of sprake is van een zuiver binnenlandse splitsing of van een fiscale outbound GOS. Daarom verwijs ik primair naar eerdere analyses in dit hoofdstuk.1 Hierna focus ik op bijzonderheden in relatie tot deze eisen bij een fiscale outbound GOS.
Aan het vereiste dat voor het bepalen van de winst bij de splitsingspartners dezelfde bepalingen van toepassing moeten zijn,2 is met betrekking tot een fiscale outbound GOS voldaan ingeval de in Nederland gevestigde splitser is onderworpen aan hetzelfde Nederlandse vennootschapsbelastingregime als waaraan de vi van elke verkrijger wordt blootgesteld.3 Het vereiste ziet dus niet op het per definitie afwijkende buitenlandse regime dat van toepassing is op de verkrijger.4
Wat betreft de vereisten die gaan over fiscale aanspraken en de toepassing van de innovatiebox, spelen niet echt bijzonderheden.5 Het gaat immers over fiscale aanspraken en een preferentiële regeling die zijn uitgewerkt in specifieke bepalingen in de Wet VPB 1969. Verkrijgers die vóór de fiscale outbound GOS niet vennootschapsbelastingplichtig zijn, voldoen per definitie aan deze eisen. Zij passen immers de innovatiebox niet toe en beschikken ook niet over bedoelde fiscale aanspraken. Dat kan anders zijn voor de in Nederland gevestigde splitsende rechtspersoon en de buiten Nederland gevestigde verkrijgers die vóór de zuivere splitsing wel vennootschapsbelastingplichtig zijn.6 Deze gevallen verschillen evenwel niet noemenswaardig van puur nationale splitsingssituaties. De zuivere splitsing kan dan uitsluitend fiscaal begeleid tot stand komen op grond van de doorschuifregeling op verzoek (zie hierna).7
De eis dat de latere heffing van vennootschapsbelasting geheel moet zijn verzekerd, is cruciaal voor de beoordeling of een fiscale outbound GOS in aanmerking komt voor de wettelijke doorschuifregeling.8 Als vermogensbestanddelen na de splitsing functioneel toerekenbaar zijn aan het buitenlandse hoofdhuis van de verkrijgers, is niet aan deze eis voldaan. De toegang tot de wettelijke doorschuifregeling is dan geblokkeerd. Het vermogen verlaat immers het bereik van de Wet VPB 1969. Zelfs wanneer één vermogensbestanddeel met een fiscale meerwaarde overgaat naar het buitenlandse hoofdhuis, is fiscale begeleiding alleen mogelijk op grond van de doorschuifregeling op verzoek. Indien de verkrijgers na de splitsing geen onderneming in Nederland drijven, is fiscale facilitering onmogelijk.9 Als gevolg van de fiscale outbound GOS is het gehele vermogen van de zuivere splitser immers niet meer onderworpen aan de Nederlandse vennootschapsbelasting.10
Komt de fiscale outbound GOS fiscaal begeleid tot stand op basis van de wettelijke doorschuifregeling, dan treden de verkrijgende rechtspersonen met betrekking tot al hetgeen is verkregen, in de vennootschapsbelastingvoetsporen van de splitsende rechtspersoon. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de verkregen vermogensbestanddelen voor dezelfde waarde op de fiscale balans van de vi van de verkrijgers worden opgenomen als waarvoor dat vermogen bij de splitser fiscaal genoteerd stond.11