Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.1
8.1 Inleiding
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258916:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jaarverslag Raad van State 2013, p. 45. De Raad verwijst hier naar zijn adviezen over de verhoging van griffierechten en de versobering van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Bezuinigen was volgens de Raad geen toereikende motivering en er was onvoldoende aandacht voor de opeenstapeling van deze maatregelen. Adviezen van 30 augustus 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 33757, nr. 4; zaak W03.13.0219/II) respectievelijk van 28 juni 2013 (Stcrt. 2013, nr. 26480; zaak W03.13.0127/II).
Jaarverslag Raad van State 2013, p. 45. De Raad noemt hier een aantal instrumenten in het bestuursprocesrecht die nauwelijks worden toegepast. De ‘gereedschapskist’ van de burgemeester wordt zo goed gevuld door de wetgever dat de bestuurders door de bomen het bos niet meer zien en veel bevoegdheden niet meer gebruikten. Kamerstukken II, 33750 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2014.
Jaarverslag Raad van State 2013, p. 43-44. In 2013 zijn aan de Afdeling voorstellen voor advies voorgelegd waarin de noodzakelijke stappen in het wetgevingsproces niet altijd volgtijdelijk zijn gezet. Door stappen over te slaan komt de wetgevingsprocedure onder druk te staan.
Jaarverslag Raad van State 2013. p. 44-45. De Raad noemt hier dat zijn advies het vervangen van detentiefasering door elektronische detentie (Advies van 7 augustus 2013 -Kamerstukken II 2013/14, 33745, nr. 4; zaak W03.13.0213) gebrekkig is gemotiveerd en de Afdeling advisering zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het wetsvoorstel primair budgettaire overwegingen dient.
Jaarverslag Raad van State 2018, p. 11.
Jaarverslag Raad van State 2018, p. 28.
Jaarverslag Raad van State 2018, p. 25; Kamerstukken II 2008/09, 31845 (parlementaire zelfreflectie 2007-2009).
De arbeidsmarkt verandert continu, waaronder het aanbod van en de vraag naar werk. De Werkloosheidwet wordt regelmatig aangepast om te reageren op (dreigende) toename van werkloosheid. De wetgeving veranderen is een van de potentiële sturingsinstrumenten om het beroep op werkloosheidsuitkeringen te verminderen en om, als er toch een beroep op wordt gedaan, de duur daarvan te verminderen (activerende functie). Bij dergelijke wetswijzigingen dient wel de functie van de WW om inkomensverlies als gevolg van werkloosheid gedeeltelijk op te vangen te worden behouden (inkomensverliesfunctie).
Soms wordt de wet gewijzigd om te reageren op maatschappelijke ontwikkelingen of om draagvlak te creëren voor behoud van het sociale stelsel.
Het nastreven van deze verschillende doelen brengt de nodige risico’s met zich mee, vooral als wetswijzigingen elkaar in snel tempo opvolgen. In zijn jaarverslag over 2013 uit de Raad van State zorgen over de wetgevingsstromen, vooral in het sociale domein. Er is volgens de Raad onvoldoende aandacht van het kabinet voor de opeenstapeling van maatregelen.1 Daarnaast vindt de Raad dat het kabinet terughoudend moet zijn met het creëren van nieuwe regels en bevoegdheden. Deze hebben alleen zin als vaststaat dat de bestaande regeling een leemte of een gebrek vertoont, maar de Raad meent dat het geregeld voorkomt dat het kabinet nieuwe regels en bevoegdheden introduceert zonder dat ze aannemelijk heeft gemaakt dat de bestaande mogelijkheden niet volstaan om de gestelde problemen aan te pakken.2 Door een dergelijke fragmentarische aanpak van wetgeving boet volgens de Raad de wetgeving aan doeltreffendheid in.3 Naast de doeltreffendheid van de wetgeving, is een doeltreffende verantwoording van de regeling in de memorie van toelichting ook een relevant aspect. In deze verantwoording kunnen budgettaire overwegingen een belangrijke rol spelen. Budgettaire overwegingen kunnen legitieme en noodzakelijke argumenten zijn bij wetswijzigingen, maar uit het oogpunt van de democratische rechtsstaat kunnen bepaalde beslissingen niet alleen vanwege bezuinigingen of budgettaire redenen worden gemotiveerd, aldus de Raad.4
Vijf jaar later, in 2018, signaleert de Raad van State in zijn jaarverslag dat er niet veel verbeterd is in het proces van de wetgeving. De vele wijzigingen brengen uitvoeringsproblemen met zich mee en kunnen de rechtspositie van betrokkenen uithollen om (politieke) doelen en ambities te verwezenlijken.5 Hij merkt op dat de wetgever lijkt terug te treden ten gunste van het bestuur en dat sociale partners (te) veel worden ingezet voor het maken en legitimeren van wetgeving. De wetgever moet weer de regie in het wetgevingsproces terugnemen.6 Daarnaast lijkt door het veelvuldig gebruik van open normen en door onvoldoende sturing in de wetgeving de rechter een steeds belangrijkere rechtsvormende rol te gaan vervullen.
Ook het kabinet erkent dat er te weinig aandacht is voor het bewaken van de kwaliteit van wetgeving.7
8.1.1 De probleemstelling en deelvragen