Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.1.1:6.5.1.1 Voorwaardelijke verbintenissen
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.1.1
6.5.1.1 Voorwaardelijke verbintenissen
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298223:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu het met name vanuit processueel opzicht bij een vordering uit afgebroken onderhandelingen van belang is om vast te stellen of de fase van de (romp)overeenkomst al is ingetreden, wijs ik er volledigheidshalve op dat in de literatuur algemeen wordt aangenomen dat het begrip "voorwaardelijke verbintenis" niet moet worden gelezen als een "voorwaardelijke rechtshandeling". Het is de rechtshandeling die een verbintenis voorwaardelijk maakt en haar werking doet afhangen van een toekomstige onzekere gebeurtenis.1 Anders gezegd: Niet de rechtshandeling is voorwaardelijk maar het resultaat.2 Een en ander is niet onbelangrijk indien men bedenkt dat in de praktijk veel voorbehouden lijken te zijn geformuleerd als een voorwaardelijk aanbod of een voorwaardelijke aanvaarding. Wie bijv. in een intentieverklaring overeenkomt dat hij onderhandelt onder het voorbehoud van goedkeuring van de raad van commissarissen, lijkt daarmee aan te geven dat al hetgeen hij de onderhandelingen naar voren brengt, dus ook een eventueel aanbod of eventuele aanvaarding strekkende tot het sluiten van een overeenkomst, voorwaardelijk wordt gedaan. Zulks aldus dat van een aanbod of aanvaarding in juridische zin eerst sprake kan zijn nadat de voorwaarde (bijv. de van de raad van commissarissen verkregen toestemming) is vervuld. Zou die gedachtegang juist zijn, dan zou bij een onder een dergelijke voorwaarde gedaan aanbod geen overeenkomst tot stand komen terwijl, indien men de heersende opvatting in de literatuur volgt, moet worden aangenomen dat, bij aanvaarding van een dergelijk aanbod, nu juist wel een overeenkomst tot stand komt, zij het dat de werking daarvan afhankelijk is van een onzekere, toekomstige gebeurtenis. Consequenties van dit uitgangspunt zijn onder meer dat nakoming vóór vervulling van de opschortende voorwaarde onverschuldigd geschiedt (vide art. 6:25 BW) maar dat bijv. wel een voorwaardelijke veroordeling kan worden verkregen.