Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.3.1.0
4.3.1.0 Introductie
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS302522:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 126, waar nog andere mogelijkheden vermeld worden.
Zie HR 13 juni 1947, NJ 1947, 385; HR 12 januari 1973, NJ 1973, 148 (DJV); HR 21 maart 1975, NJ 1976, 245 (WHH) en recenter HR 16 januari 1998, NJ 1998, 301. Een specifieke uitzondering voor het faillissementsrecht vormt HR 24 maart 2000, RvdW 2000, 84.
Hoewel dat sinds het nieuwe procesrecht vanwege de invoering van de substantiërings- en bewijsaandraagplicht (art. 113 lid 3 Rv) wel minder is geworden; de 'bezint eer ge begint'-drempel ligt daardoor hoger dan vroeger.
De openbaarheid van behandeling geldt in beginsel gedurende het gehele proces. Het is dan van belang het begin- en eindpunt van de openbare behandeling te bepalen.
Procedures ten overstaan van de civiele rechter vangen in de regel ofwel aan via een dagvaarding (hetgeen dan leidt tot wat wordt genoemd: de eigenlijke rechtspraak) ofwel via een verzoekschrift (oneigenlijke rechtspraak). Maar er zijn nog andere manieren waarop een procedure ingeleid kan worden. Procedures kunnen namelijk ook aanvangen door onder meer een eis in reconventie, een verwijzing, een incidentele conclusie, een akte van procureur tot procureur, een gezamenlijke verschijning van partijen voor de rechter en een voeging van een civiele partij in een strafgeding.1 Vanaf welk moment vangt de openbare civiele procedure aan?
Vooropgesteld zij dat noch de Europese, noch de nationale jurisprudentie enig uitsluitsel over deze vraag geven.
Onderwerpt men de vraag aan een kritische analyse, dan is het antwoord nog niet zo eenvoudig te geven. Het zal blijken dat theorie enerzijds en behoefte van de praktijk anderzijds niet met elkaar in overeenstemming zijn. Beperken wij ons tot de hoofdvormen van rechtsingang, te weten de dagvaardings- en de verzoekschriftprocedure.
Theoretisch zou men voor de dagvaardingsprocedure het aanvangsmoment kunnen laten samenvallen met de aanhangigheid der zaak. Art. 125 lid 1 Rv bepaalt dat een zaak aanhangig is vanaf de dag der dagvaarding, waaronder moet worden verstaan de dag waarop de dagvaarding aan de gedaagde door een bevoegde deurwaarder is betekend. Deze regel vormt een codificatie van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.2
Maar hoe moet men zich de openbaarheid (en dan met name de openbaarheid voor het publiek) voorstellen direct na de betekening van de dagvaarding, doch vóór het moment waarop de zaak werkelijk ten gerechte dient? Van een echte openbare procedure kan dan nog geen sprake zijn. De dagvaarding houdt niet meer in dan een tot gedaagde gerichte oproep om in persoon of vertegenwoordigd door een procureur te verschijnen teneinde een bepaalde vordering tegen zich te horen instellen. Het kan echter bij die oproep blijven. Menigmaal komt het voor dat gedaagde onder druk van de tegen hem uitgebrachte dagvaarding ertoe gebracht wordt alsnog (gedeeltelijk) aan de eisen van de insteller van de vordering te voldoen of met deze tot een vergelijk te komen, zonder dat er een rechter in de verste verte aan te pas komt.3
Het getuigt van meer realiteitszin de procedure openbaar te achten op het moment waarop de zaak dient, normaal gesproken de rechtsdag, die in de dagvaarding is uitgedrukt of in een voorkomend geval door gedaagde is vervroegd (art. 126, art. 127 Rv). Dát is het moment waarop formeel in het strijdperk getreden wordt. Niets staat dan in beginsel nog aan openbaarheid in de weg. Eén en ander geldt uiteraard niet alleen voor de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg voor de rechtbank, maar ook voor de dagvaardingsprocedures in hoger beroep ex art. 353 Rv. Ook in cassatie kan op grond van art. 407 e.v. Rv van dezelfde regel worden uitgegaan.
De wijze van inleiding der zaak is bij de verzoekschriftprocedure wezenlijk anders geregeld dan bij de dagvaardingsprocedure: het verzoekschrift wordt ingediend ter griffie van het gerecht, dat vervolgens zorgdraagt voor oproeping van verzoeker en eventueel andere belanghebbenden, na dag en uur voor behandeling van het verzoekschrift te hebben bepaald (art. 278 en art. 279 Rv; zie voor hoger beroep art. 359 en art. 361 Rv). Mijns inziens heeft ook hier te gelden dat de openbaarheid een aanvang neemt op het moment waarop de zaak formeel ten gerechte dient, dat wil zeggen ter griffie in behandeling genomen en geappointeerd wordt. In voorkomende gevallen is het mogelijk dat een behandeling der zaak achterwege blijft. Zo in eerste aanleg, als de rechter zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst (art. 279 lid 1 Rv) of in cassatie, indien geen (mondelinge noch schriftelijke) toelichting bevolen wordt. In deze gevallen geldt: waar geen behandeling plaatsvindt, kan deze ook niet openbaar zijn. Een aanvangstijdstip is dan uiteraard niet aan te wijzen. Hier komt men meteen in de uitspraakfase terecht, die op haar beurt in beginsel wel openbaar is.
De aanvangsmomenten van de overige hierboven vermelde rechtsingangen zullen in de regel geen noemenswaardige problemen opleveren. Ik bespreek ze niet in extenso, maar stip er slechts enkele aan:
De eis in reconventie. Het moment waarop een procedure, aangevangen door de indiening van een eis in reconventie, openbaar is, lijkt me evident. De eis in reconventie wordt ingesteld tegelijkertijd met de conclusie van antwoord in conventie van gedaagde. Vanaf het moment van indiening van de eis in reconventie is van openbaarheid sprake. Overigens speelt hier niet een echt probleem. De procedure in conventie, waaraan die in reconventie als het ware gekoppeld wordt, is reeds openbaar (immers reeds aanhangig).
Hetzelfde geldt voor de incidentele vorderingen. Dit zijn vorderingen, die gedaan worden in een reeds aanhangig, en openbaar, geding en die daarmee samenhangen. Het moment van indiening geldt als moment van openbaarheid in de incidentele procedure.
Nu is vastgesteld wanneer de openbare behandeling begint, rest de vraag wanneer de openbare behandeling een einde neemt. Het systeem der wet volgend, zou men kunnen stellen dat dit het geval is zodra de rechter, na door partijen - schriftelijk en/of mondeling - geïnformeerd te zijn, zich een oordeel over de zaak vormt: de fase van de besluitvorming of beraadslaging. In het normale geval is dat het moment waarop partijen in een civiele dagvaardingsprocedure na de definitieve wisseling van processtukken vonnis vragen (vgl. art. 2.12 LRr). Daar zou de openbare behandeling dan (voorlopig) mee ophouden. Het komt echter veel voor dat de rechter een tussenvonnis geeft aan de hand waarvan door partijen weer voortgeprocedeerd wordt (in een interlocutoir vonnis wordt bijvoorbeeld aan één der partijen een bewijsopdracht verstrekt). Zodra partijen voortprocederen moet aangenomen worden dat de procedure dan haar openbaar karakter weer herneemt, zulks totdat de fase der beraadslaging weer is bereikt. Bij de verzoekschriftprocedure geldt mutatis mutandis hetzelfde: op grond van art. 286 Rv bepaalt de rechter na de mondelinge behandeling de dag waarop hij uitspraak zal doen. Na een tussenbeschikking wordt de openbare behandeling wederom hervat. In cassatie ligt de situatie in zoverre anders dat niet reeds na de overlegging door partijen van de stukken, doch eerst na de door het Openbaar Ministerie genomen conclusie de openbare behandeling gesloten is. Zie art. 418 lid 1 en 2 Rv, en voor de verzoekschriftprocedure art. 429 lid 1 Rv.