Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.4.2.2
4.4.2.2 Gescheiden behandeling
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466776:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De onderhavige beperking ziet mijns inziens niet op het geval dat de OK zich, mede aan de hand van het partijdebat, een oordeel heeft gevormd over de vraag of het enquêteverzoek voor toewijzing in aanmerking komt (dit oordeel lijkt mij alsdan definitief), maar nog niet de beschikking wijst.
OK 17 maart 2008,ARO 2008, 78 (VHR Projekten 20); OK 3 oktober 2008,ARO 2008, 163 (Autobedrijf Frons en Ter Huurne); OK 17 december 2008,ARO 2009, 3 (Medisch Centrum voor Esthetische Geneeskunde); OK 6 februari 2009,ARO 2009, 34 (Twee B Holding). Het is mijns inziens overigens de vraag of uit feit dat het slechts om vier uitspraken gaat, mag worden geconcludeerd dat de OK sinds december 2007 minder snel ontkoppelt dan daarvoor. Ik wijs er in dit verband op dat de OK in 2003 in 11 impassebeschikkingen onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen en in alle gevallen ook meteen een onderzoek heeft gelast.
OK 17 maart 2008,ARO 2008, 78, r.o. 3.7 (VHR Projekten 20).
OK 7 april 2006,ARO 2006, 72, r.o. 3.1 (Punching Technology Gaanderen Houdstermaatschappij). Zie eveneens OK 17 februari 2000, rekestnr. 106/2000 OK (Big Blue Europe).
108. De Hoge Raad heeft in de beschikking inzake DSM geoordeeld dat de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen mag treffen vóórdat zij op het enquêteverzoek heeft beslist, maar dat van deze bevoegdheid slechts een terughoudend gebruik kan worden gemaakt, omdat in dit stadium slechts aan de hand van een beperkt partijdebat voorlopig kan worden beoordeeld of er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen.1 Ik heb deze voorwaarde me-de in het licht van de beschikking betreffende Gucci Group aldus uitgelegd, dat het belang van de vennootschap moet vergen dat onverwijld wordt ingegrepen en dat niet op de beoordeling ten gronde van het enquêteverzoek kan worden gewacht (vergelijk paragraaf 3.3.4.2).
De vraag of in de impasseprocedures waarop in paragraaf 4.4.1.4 is gedoeld, sprake is van een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld, kan niet aan de hand van de beschikkingen worden beantwoord. De reden hiervoor is dat de Ondernemingskamer in de desbetreffende beschikkingen in het midden heeft gelaten wáárom zij nog geen partijdebat ter terechtzitting heeft doen plaatsvinden over het enquêteverzoek respectievelijk nog geen def initief oordeel heeft gegeven over dit verzoek: een motivering op dit punt ontbreekt in alle uitspraken, daaronder begrepen die welke zijn gewezen ná december 2007.2 De analyse van de onderhavige uitspraken voert dan ook tot de conclusie dat de handelwijze van de Ondernemingskamer niet in overeenstemming is met de door de Hoge Raad in DSM gestelde voorwaarde dat ‘van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen (mijn cursivering, FV) bestaan’, gesteld althans dat hierin besloten ligt dat de Ondernemingskamer een en ander óók kenbaar dient te maken in haar beschikkingen. Deze voorwaarde houdt mede in dat de Ondernemingskamer ‘een billijke afweging moet maken van de belangen van de betrokken partijen’ (rechtsoverweging 3.6), waartoe ik ook reken hun belang bij een debat ter terechtzitting over en een def initieve beoordeling van het enquêteverzoek.
Een fraai voorbeeld vormt de procedure inzake VHR Projekten 20 . Op de openbare terechtzitting van 31 januari 2008 is alleen het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandeld, hoewel door de vennootschap en belanghebbenden ook verweer is gevoerd tegen het enquêteverzoek. De Ondernemingskamer wijst het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen toe omdat de verhoudingen tussen de betrokken partijen zodanig ernstig zijn verstoord dat (behoorlijk) overleg niet meer mogelijk is, ook niet indien dit met het oog op het belang van de vennootschap en in verband met een behoorlijke uitvoering van projecten nodig is: ‘De conclusie uit het hiervoor overwogene kan slechts zijn dat de conflicten tussen de broers [H] schade toebrengen of kunnen toebrengen aan (de belangen van) VHR20 en mogelijk ook aan (die van) derden, en wel van zodanige aard dat ingrijpen is gebo-den.’3 Hoewel uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat er in de beleving van de Ondernemingskamer gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, bevat de beschikking geen voorlopig oordeel van deze aard. Ook heeft zij in deze uitspraak niet gemotiveerd waarom het enquêteverzoek nog niet is beoordeeld (aan de hand van een debat). Uit het tijdsverloop lijkt te kunnen worden opgemaakt dat de reden hiervoor niet is dat er een groot spoedeisend belang is bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen: de Ondernemingskamer treft pas anderhalve maand later onmiddellijke voorzieningen (op 17 maart 2008). Tekenend is voorts de beschikking inzake Punching Technology Gaanderen Houdstermaatschappij, waaruit blijkt dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat over de vraag of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid bij Punching en de Stans-techniek-vennootschappen en dat de Ondernemingskamer de visie onderschrijft dat bedoelde gegronde redenen aanwezig zijn: waarom zal de definitieve beoordeling van het enquêteverzoek desondanks plaatsvinden ‘ter een nader op het eerste verzoek van (een van) partij(en) te bepalen terechtzitting’?4