Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.4.2
1.4.2 Wetenschappelijke relevantie
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661608:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Monroe 2017, p. 100-101, 85-86. Zie ook Scheltema 2021; Happé 2005, p. 39.
Althans, in ieder geval relatief. Zo is bijvoorbeeld, om maar iets te noemen, over het fenomeen ‘horizontaal toezicht’ – dat net als voorlichting een niet-wettelijk geregeld instrument is in de uitvoeringspraktijk van de Belastingdienst ter bevordering van compliance – een aantal proefschriften en vele bijdragen verschenen waarin dit fenomeen tegen het licht wordt gehouden.
In de Amerikaanse literatuur zie Blank & Osofsky 2017; Shapiro 2015; Cauble 2015.
Vgl. Cauble 2015, p. 427-428. Zie bijv. Douma e.a. 2021, 6.2.1.3; Jansen 2013, par. 3.3.1.2; Gorissen 2008, p. 80-82.
Happé 1996.
Zie ook Pauwels 2009, hoofdstuk 8 en het rechtsvergelijkende proefschrift naar het vertrouwensbeginsel van Gorissen 2008.
Asser/Vranken Algemeen deel****2014/ 45.
Zie ook eerdere bijdragen Cramwinckel 2014a; Cramwinckel 2014b; Cramwinckel 2016a; Cramwinckel 2020.
Brouwers 1981; Brouwers 1983; Brouwers 1980; Nobel 1982; Kombrink 1982; Niessen 1982; Niessen 1997, par. 6. Recenter Van Hout 2018a, par. 1 en 3.
Zie in het kader van rechtshulp aan ‘gewone’ belastingplichtigen door fiscale professionals Van Horzen 2020; De Haan 2020. Zie ook Van Hout 2018a inzake een Taxpayer Advocate Service zoals in de VS bestaat.
Zie echter in het kader van de BelastingTelefoon Lalji 1992 en Overdijk 1993; in het kader van hulp bij aangifte bijv. Stevens 1990, par. 4, 9-10; Den Boer in BNB 1982/236.
Bijv. Happé 1993; Reuvers 1985; Pfeil 2009, p. 402-406.
Boer 2013; Boer & Gribnau 2018. Zie verder paragraaf 2.4.3.2.
Vgl. door Boer 2013, p. 61 opgeworpen juridische vragen bij de inzet van communicatie met belastingplichtigen als vorm van tax nudging.
Vgl. Blank & Osofsky 2016, p. 9. Zie aandacht voor de Belastingdienst als dienstverlener in bijvoorbeeld Nijenhuis 2018, p. 143, 154.
Bijv. HR 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311 (cursivering TC): ‘Wanneer het gaat om uitlatingen die niet als een toezegging of goedkeuring zijn op te vatten doch waarin slechts algemene voorlichting wordt gegeven ter vergemakkelijking van het invullen van een aangiftebiljet (…).’ Zie verder paragraaf 4.3.1.
Vgl. Verheij 2018, par. 3, die ingaat op het ‘dilemma dat zich bij overheidsvoorlichting voordoet’ en ‘de spanning tussen wet en voorlichtingsmateriaal’; Gribnau 2013, p. 96-97 over de afhankelijkheid van burgers van voorlichting van de Belastingdienst.
Het ligt voor de hand aan te nemen dat het gebrek aan discussie samenhangt met de beperkte aandacht voor voorlichting in het algemeen.
Paragraaf 4.3.2.4.
De wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek ligt in de stand van de theorievorming en de onderzoeksmethode. Hoewel de omvang van dit boek het wellicht niet direct doet vermoeden (of dus juist wel), is in de fiscale discipline over voorlichting maar weinig bekend. Dat is opvallend, gezien het belang van voorlichting voor belastingheffing. Een verklaring kan zijn dat voorlichting juridisch geen ‘status’ heeft en daarmee minder de aandacht van juristen weet te vatten. Juristen zijn gewoonlijk gericht op de wet als bron van recht – en niet op begrijpelijke toelichtingen daarover.1
In de fiscale wetenschap is voorlichting door de Belastingdienst een onontgonnen terrein.2 Ten eerste bestaat relatief beperkt aandacht voor het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen. Er is weliswaar veel literatuur over het vertrouwensbeginsel, maar niet specifiek ten aanzien van voorlichting.3 Bestaande literatuur richt zich veelal op een beschrijving van de mate waarin uitingen en gedragingen van de Belastingdienst bindend zijn en onder welke voorwaarden.4 Dergelijke publicaties, zoals handboeken, geven de stand van het recht weer en zijn voor de rechtspraktijk uiteraard van groot belang. Dergelijke literatuur is veelal descriptief van aard en gericht op een weergave van de geldende rechtsregel en voorbeelden uit de rechtspraak. Een belangrijke uitzondering in dit verband – en daarmee een essentiële (inspiratie)bron voor het onderhavige onderzoek – betreft het proefschrift van Happé over drie beginselen van fiscale rechtsbescherming uit 1996.5 In dit werk brengt Happé een rechtstheoretisch gefundeerde ordening aan tussen verschillende categorieën vertrouwenwekkende uitingen die in de fiscale jurisprudentie worden onderscheiden, waaronder bij algemene voorlichting en inlichtingen. Zijn werk biedt tevens inzicht in onderliggende belangenconflicten en de wijze waarop de Hoge Raad daar tot midden jaren 90 mee is omgegaan.6 Het onderzoek bouwt op deze theoretische fundamenten voort en beoogt daaraan een verdieping en specialisatie toe te voegen.7 Bovendien wordt in dit onderzoek het perspectief van de burger als invalshoek geïntroduceerd, terwijl het burgerperspectief nog niet eerder in het wetenschappelijk debat ten aanzien van voorlichting is betrokken, maar een onmisbare aanvulling biedt.8
Ten tweede kan voorlichting als vorm van communicatie met de burger in de fiscale literatuur niet op veel aandacht rekenen. Voorlichting komt bijvoorbeeld aan de orde in het kader van het thema van rechtshulp aan belastingplichtigen.9 Dergelijke publicaties zijn veelal gericht op beschrijving en analyse10 van dit fenomeen, maar de juridische consequenties van die verleende hulp, zoals daaraan ontleende verwachtingen, blijven veelal buiten beeld.11 Dat geldt eveneens voor literatuur waarin de dienstverlenende opstelling door de Belastingdienst centraal staat, zoals bij de omslag naar het klantgerichte houding van de Belastingdienst in de jaren 80.12 Verder wordt begrijpelijke communicatie wel aan de orde gesteld in de context van compliancebevordering, zoals in het kader van de door Boer ontwikkelde theorievorming over het concept van ‘tax nudging’.13 Specifiek ten aanzien van voorlichting opkomende juridische vragen zijn nog niet beantwoord.14
Verder is over de ‘voorlichtende taak’ van de Belastingdienst in de fiscale literatuur weinig bekend. Vergeleken met de aandacht voor de rol van de Belastingdienst als rechtshandhaver, is er relatief beperkt zicht op zijn dienstverlenende rol.15 Het bestaan van de voorlichtende taak is onomstreden, maar wat houdt die taak in en waarop is het gebaseerd? Waarom wordt de informatie gezien als ‘slechts’ voorlichting?16 Verder is in de literatuur communis opinio dat bij voorlichting spanning bestaat tussen juridische juistheid en begrijpelijkheid, maar zijn de juridische consequenties daarvan weinig voorwerp van discussie.17
Tot op heden ontbreekt het dus in de wetenschappelijke literatuur aan onderzoek waarin de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting door de Belastingdienst kritisch tegen het licht wordt gehouden.
Men zou overigens uit het gebrek aan wetenschappelijke discussie kunnen afleiden dat in de fiscale discours consensus bestaat over de huidige toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting. Geen discussie, dus geen probleem. Voor zover die interpretatie al klopt – ik denk van niet18 – is er alle aanleiding om de wenselijkheid van de huidige koers aan een kritische beschouwing te onderwerpen (paragraaf 1.2). Er ontbreekt simpelweg wetenschappelijke discussie over het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen. Bovendien onderstrepen de instemmende reacties in de commentaren bij het arrest in BNB 2022/10 dat het niet meer redelijk wordt geacht dat het risico op onjuiste voorlichting in de regel bij de burger wordt gelegd.19 Welke juridische argumenten voor en tegen een dergelijk ‘rechtsgevoel’ pleiten, en hoe afwegingen adequaat kunnen worden gemaakt, is nog niet systematisch onderzocht.
Dit onderzoek beoogt de bestaande leemte in de wetenschappelijke kennis over voorlichting te vullen.20 Het wetenschappelijk belang van dit onderzoek is in dat opzicht erin gelegen dat in kaart wordt gebracht op grond van welke uitgangspunten de Hoge Raad zijn koers heeft bepaald, zodat systematisch kan worden nagegaan of deze bijstelling behoeft, en hoe die herijking eruit moet zien.21