Artikel 1 Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten: “Dit besluit is van toepassing op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom. Indien de verbintenis strekt tot vergoeding van schade, is dit besluit daarop alleen van toepassing voor zover deze verbintenis is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst of voor zover de in de eerste zin bedoelde verbintenis tot betaling van een geldsom is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 87 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.”
Hof 's-Hertogenbosch, 27-05-2025, nr. 200.294.183, 01
ECLI:NL:GHSHE:2025:1471
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
27-05-2025
- Zaaknummer
200.294.183_01
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2025:1471, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 27‑05‑2025; (Hoger beroep)
Herstelde arrest: ECLI:NL:GHSHE:2024:238
Herstelde arrest: ECLI:NL:GHSHE:2023:839
ECLI:NL:GHSHE:2024:238, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 30‑01‑2024; (Hoger beroep)
Arrest: ECLI:NL:GHSHE:2025:1471
ECLI:NL:GHSHE:2023:839, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 14‑03‑2023; (Hoger beroep)
Arrest: ECLI:NL:GHSHE:2025:1471
- Wetingang
art. 639 Burgerlijk Wetboek Boek 7
- Vindplaatsen
VAAN-AR-Updates.nl 2025-0835
AR-Updates.nl 2025-0835
AR-Updates.nl 2024-0203
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0020
VAAN-AR-Updates.nl 2024-0203
AR-Updates.nl 2023-0395
JAR 2023/142 met annotatie van mr. S.W. Kleijer
VAAN-AR-Updates.nl 2023-0395
Uitspraak 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Derde arrest tevens eindarrest/ berekeningsmethode vakantieloon/toewijzingen individuele Chauffeurs/ discussie over referentiejaar/ toewijzingen vorderingen individuele Chauffeurs alleen voor vakantiedagen/Wettelijke verhoging 20 procent/proceskostenveroordeling werkgever
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.294.183/01
arrest van 27 mei 2025
in de zaak van
Internationaal Transportbedrijf [ZZ] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. M.D. Vrolijk te Haarlem,
tegen
1. [geïntimeerde sub 1] ,wonend te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonend te [woonplaats] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,wonend te [woonplaats] (Duitsland),
4. [geïntimeerde sub 4] ,
wonend te [woonplaats] ,
5. [geïntimeerde sub 5] ,
wonend te [woonplaats] ,
6. [geïntimeerde sub 6] ,
wonend te [woonplaats] ,
7. [geïntimeerde sub 7] ,
wonend te [woonplaats] (Duitsland),
8. [geïntimeerde sub 8] ,
wonend te [woonplaats] ,
9. [geïntimeerde sub 9] ,
wonend te [woonplaats] ,
10. [geïntimeerde sub 10] ,
wonend te [woonplaats] ,
11. [geïntimeerde sub 11] ,
wonend te [woonplaats] ,
12. [geïntimeerde sub 12] ,
wonend te [woonplaats] ,
13. [geïntimeerde sub 13] ,
wonend te [woonplaats] ,
14. [geïntimeerde sub 14] ,
wonend te [woonplaats] ,
15. [geïntimeerde sub 15] ,
wonend te [woonplaats] ,
16. [geïntimeerde sub 16] ,
wonend te [woonplaats] ,
17. [geïntimeerde sub 17] ,
wonend te [woonplaats] ,
18. [geïntimeerde sub 18] ,
wonend te [woonplaats] ,
19. [geïntimeerde sub 19] ,
wonend te [woonplaats] ,
20. [geïntimeerde sub 20] ,
wonend te [woonplaats] ,
21. [geïntimeerde sub 21] ,
wonend te [woonplaats] ,
22. [geïntimeerde sub 22] ,
wonend te [woonplaats] ,
23. [geïntimeerde sub 23] ,
wonend te [woonplaats] ,
24. [geïntimeerde sub 24] ,
wonend te [woonplaats] ,
25. [geïntimeerde sub 25] ,
wonend te [woonplaats]
26. [geïntimeerde sub 26] ,
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk te noemen: de Chauffeurs,
advocaten: mrs. E.R. Peeters, I.F.H. Nelissen en S.J.M. Peters te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,
in vervolg op de tussenarresten van 14 maart 2023 en 30 januari 2024.
9. Het verdere geding in hoger beroep
9.1.
Bij tussenarrest van 30 januari 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:
238) heeft het hof beide verzoeken van de Chauffeurs om terug te komen van twee eerdere bindende eindbeslissingen afgewezen.
9.2.
Sindsdien is het hof helaas niet toegekomen aan het beslissen op de geschilpunten als kort in het tussenarrest van 30 januari 2024 geschetst.
9.3.
Vervolgens is mr. Van de Rakt gedefungeerd wegens het bereiken van de maximumleeftijd voor rechters, zodat in zijn plaats een andere raadsheer aan de behandelend kamer moest gaan deelnemen.
9.4.
Partijen is vervolgens verzocht - conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad - zich uit te laten over de wens een nieuwe mondelinge behandeling te laten plaatsvinden voor de nieuwe samenstelling van de behandelend kamer van het hof. Een proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 27 oktober 2022 was reeds samen met het tussenarrest van 14 maart 2023 aan partijen verstrekt.
Beide partijen hebben ieder voor zich laten weten geen behoefte te hebben aan een nieuwe mondelinge behandeling en wel bij mail van respectievelijk 19 december 2024 (de Chauffeurs) en 30 december 2024 ( [appellante] ).
10. De verdere beoordeling
10.1.
Het hof zal in dit arrest zich allereerst over diverse algemene aspecten buigen, die in de berekeningen van [appellante] zijn opgenomen en waar de Chauffeurs diverse bezwaren tegen hebben gemaakt. Per aspect zal het hof de respectieve standpunten weergeven en vervolgens een oordeel geven. Het hof heeft daarbij zelf de volgorde bepaald waarin de diverse aspecten ieder worden beoordeeld.
10.2.
Het hof zal voorts een eindoordeel geven over de individuele vorderingen van de respectieve Chauffeurs.
De door [appellante] overgelegde overzichten qua uren en vakantiedagen
10.3.
In onderdeel 4.62. van het tussenarrest van 14 maart 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:839) heeft het hof overwogen:
“Het hof acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om in deze zaak definitief een beslissing te kunnen nemen, waarbij te gelden heeft dat het hof de zaak verder aan zich houdt op de voet van artikel 356 Rv, nu dit gezien hetgeen in dit tussenarrest al is beslist bijdraagt aan een doelmatige afdoening. Het ligt voorts op de weg van [appellante] als meest gerede partij om nieuwe overzichten te overleggen. De overzichten moeten per individuele chauffeur en per relevant kalenderjaar zijn opgesteld. Het overzicht moet per individuele chauffeur inzichtelijk maken wanneer (en hoeveel) de verlofdagen in het relevante kalenderjaar zijn opgenomen. Daarbij moet duidelijk en op een inzichtelijke wijze onderscheid worden gemaakt tussen de (boven)wettelijke vakantiedagen en de (afgekochte dan wel genoten) atv-dagen. Het overzicht moet ook de uitbetaalde bruto toeslagen (als vermeld in 4.23) enerzijds en overwerkuren en daarbij horende bruto toeslagen anderzijds per kalenderjaar bevatten, alsook of met betrekking tot ieder jaar sprake is van 25% of meer uitbetaling van overuren ten opzichte van het totale brutojaarloon.In zoverre slaagt de grief VI.b in incidenteel appel ook, nu de Chauffeurs zich niet meer hoeven uit te laten over de eerder overgelegde overzichten. Wel zal hen de gelegenheid worden geboden zich uit te laten over de hiervoor bedoelde nieuwe overzichten.
Kortom, het moet voor het hof duidelijker worden wat een individuele chauffeur nog tegoed heeft aan achterstallig vakantieloon in het licht wat in dit arrest is overwogen”.
10.3.1.
Op verzoek van het hof heeft [appellante] dus nieuwe overzichten overgelegd, voorzien van inmiddels met de Chauffeurs gedeelde onderliggende informatie (zie onderdeel 6.2. van het tussenarrest van 30 januari 2024). Op basis daarvan en de daartegen gemaakte vele bezwaren aan de zijde van de Chauffeurs, als alle nader te beoordelen, zal het hof de vordering van iedere chauffeur vast gaan stellen. Het hof zal hierbij niet de oorspronkelijke berekeningen van de Chauffeurs tot uitgangspunt nemen, nu daarin geen rekening is gehouden met de reeds beslechte uitgangspunten, zoals de vaststelling dat het loon betreffende atv dagen enerzijds en (bovenwettelijke) vakantiedagen anderzijds op verschillende wijze dient te worden berekend.
10.3.2.
In zoverre is niet relevant wat [appellante] eerder wel of niet precies zou hebben aangevoerd tegen de oorspronkelijke berekeningen van de Chauffeurs. Voldoende is immers gebleken dat [appellante] op diverse plaatsen en wijzen deze berekeningen heeft weersproken, al dan niet voorzien van eigen berekeningen (zoals productie 13 conclusie van dupliek).Wel zullen berekeningen van de Chauffeurs op individueel niveau bij de beoordeling worden betrokken, in het bijzonder de berekeningen die zijn overlegd na het tussenarrest van 14 maart 2023 en de daarin vervatte gegevens waarin wordt ingegaan op de door [appellante] overgelegde gegevens.
10.3.3.
Dat de Chauffeurs aanvankelijk noodgedwongen met eigen berekeningen moesten komen is met de door [appellante] uitgevoerde opdracht van het hof inmiddels achterhaald. Dit betekent niet dat het feit dat [appellante] eerst na opdracht door het hof volledig openheid van zaken heeft gegeven, de eerdere weigerachtige opstelling van [appellante] wegpoetst. Dit zal bij de beoordeling van de proceskostenveroordeling zeker meewegen.
10.4.1.
Bijzondere aandacht verdient nog het feit dat [appellante] de verlofkaarten van 2012 tot met 2014 heeft vernietigd en derhalve een reconstructie heeft moeten maken van die jaren.Als argument heeft [appellante] aanvankelijk aangevoerd dat de bewaartermijn(en) van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) hiertoe noopten. Dit heeft [appellante] later verduidelijkt met de stelling dat de vernietiging van de betreffende verlofkaarten in 2017 werd geëist door een overnemende partij, wederom in verband met de AVG.
10.4.2.
De Chauffeurs hebben laten weten dat de stellingname van [appellante] betreffende de AVG hen bevreemdt. In 2020 heeft [appellante] nog op basis van de loonadministratie de overzichten die als productie 13 bij conclusie van dupliek zijn overgelegd, vervaardigd. Van [appellante] had verwacht mogen worden dat zij de verlofkaarten 2012-2014 zou hebben bewaard. Bovendien is onbegrijpelijk dat de ritregistraties, waarop de reconstructie is gebaseerd, niet gelijktijdig voor de betreffende jaren zijn vernietigd, aldus de Chauffeurs.De Chauffeurs stellen vast dat 3,5 atv dag ineens wel op de nieuwe verlofkaarten opduikt, terwijl dat op de oorspronkelijke kaarten niet zo was. Blijkbaar zijn de nieuwe verlofkaarten ingericht om het standpunt van [appellante] te ondersteunen. De Chauffeurs verzoeken om de nieuwe verlofkaarten voor 2013 en 2014 in ieder geval buiten beschouwing te laten.
10.4.3.
Het hof is van oordeel dat het weggooien van de verlofkaarten over 2012 tot en met 2014 geen rechtvaardiging vindt in de AVG. De AVG bevat immers geen bewaartermijnen. In 2017 was reeds duidelijk – althans behoorde dat voor [appellante] als grote werkgever in de vervoersbranche duidelijk te zijn - dat er discussie te verwachten was over ook de jaren 2012 tot en met 2014 betreffende het uitbetaalde vakantieloon. Daarnaast bevat artikel 2:10 lid 3 BW voor rechtspersonen zoals [appellante] een wettelijke bewaartermijn van zeven jaar en die termijn was op het gestelde moment van vernietiging nog niet verstreken. Voorts heeft [appellante] in de conclusie van dupliek (punt 212), als herhaald in punt 38 van de memorie van antwoord in incidenteel appel, nog aangeboden de verlofadministratie te overleggen, echter zonder melding van het gestelde gedeeltelijk eerder weggooien.Het hof begrijpt evenwel dat de ritregistraties en loonstroken wel zijn behouden en dat op basis van de ritregistraties de reconstructie is vervaardigd.Dat daarbij alsnog ook rekening is gehouden met het door het hof gemaakte onderscheid tussen vakantiedagen enerzijds en atv-dagen anderzijds acht het hof niet bezwaarlijk. Het gaat er immers om vast te stellen welke verhoging per genoten vakantiedag (in brede zin) iedere chauffeur per jaar in de periode 2012-2018 nog toekomt. Voor een atv-dag geldt immers geen verhoging en volstaat derhalve het basisuurloon.
Voor de zogenaamde knv-dagen/uren geldt dat door [appellante] is aangetoond dat het hier extra atv-dagen betrof als beschikbaar te stellen door de Stichting K.N.V. (Koninklijk Nederlands Vervoer)-arbeidsvoorwaardenbeleid (zie productie 43 e.v. als overgelegd door [appellante] voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 27 oktober 2022, zijnde verzoeken tot toekenning van deze extra dagen/uren) aan die werknemers die daarvoor – vanwege hun arbeidsverleden in de vervoersbranche – in aanmerking kwamen. De Chauffeurs hebben dit in zoverre erkend met hun standpunt als verwoord in onderdeel 95 van de antwoordakte van 9 mei 2023.
De zogenaamde pkb (persoonlijk keuzebudget)-uren verdienen echter – gezien het daarover gestelde – een aparte beoordeling.
10.4.4.
De Chauffeurs hebben betoogd dat pkb-uren als vakantiedagen dienen te worden aangemerkt omdat daarvoor 3 bovenwettelijke vakantiedagen dienen te worden ingeleverd, zoals is bepaald in artikel 67b lid 2 CAO 2017-2020 (productie 34 bij inleidende dagvaarding). Bovendien is sprake van een nieuw verweer van [appellante] en dat is in strijd met de twee conclusieleer.
10.4.5.
[appellante] betoogt dat eerder door haar ook over de 3,5 atv dag is gesproken, naast de zogenaamde knv-dagen, te weten o.m. in onderdeel 21 van haar memorie van antwoord in incidenteel appel. Het betreft voorts onderdeel van de door het hof opgedragen nieuwe overzichten. Daarnaast heeft [appellante] steeds betoogd dat de verhoging van het vakantieloon uitsluitend vakantiedagen mocht betreffen en geen atv-dagen, knv-dagen of pkb-dagen, zowel in de conclusie van antwoord (punt 156 e.v.) als in de conclusie van dupliek (punt 158 e.v.).
10.4.6.
Het hof oordeelt als volgt. Het punt van de 3,5 dag is door [appellante] eerder aangekaart in de memorie van antwoord in incidenteel appel, naast bijvoorbeeld (t.a.v. atv-dagen in algemene zin) in onderdeel punt 158 van de conclusie van dupliek. Schending van de twee conclusieleer is derhalve niet aan de orde.
De door de Chauffeurs aangehaalde CAO bepaling geldt vanaf 1 januari 2018. De Chauffeurs maken geen melding van een gelijke regeling in de eerdere CAO’s. Het hof heeft deze in ieder geval niet gevonden in de CAO 2014-2016. Het aangesneden punt kan derhalve uitsluitend een rol vervullen voor 2018. In de jaren daarvoor hebben de zogenaamde pkb-uren/dagen te gelden als atv-dagen. Gezien de onweersproken herkomst van de pkb-uren en het feit dat het hof eerder heeft geoordeeld dat bovenwettelijke vakantiedagen ook als vakantiedagen moeten worden behandeld, dienen in de onderhavige procedure de pkb-uren te worden aangemerkt als vakantie-uren, ook in het kader van de afkoop. Het hof vindt hiervoor steun in HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:816, in het bijzonder de volgende passage: r.o. 3.1.2 (…) Deze klachten falen. Of een vrijetijdsaanspraak heeft te gelden als vakantie in de zin van art. 7:634 BW hangt ervan af of deze aanspraak tot doel heeft de werknemer betaald verlof te verschaffen in verband met de werkbelasting die op hem drukt. Het komt er daarbij op aan of de vrijetijdsaanspraak op het moment van toekenning bedoeld is om de werknemer in verband met zijn werkbelasting gelegenheid te bieden voor rust en ontspanning. Indien de vrijetijdsaanspraak met dit doel is toegekend, verandert de aard van deze aanspraak niet als de toegekende uren vervolgens worden ingezet voor andere doeleinden.
Het hof gaat er dan wel vanuit dat, indien de pkb-dagen/uren geheel of gedeeltelijk aan het eind van het jaar zijn afgekocht, dit is geschied voor de waarde als vermeld in artikel 67b lid 4 CAO 2017-2020, behoudens indien anders is aangevoerd.
10.4.7.
Voor zover de Chauffeurs hebben beoogd aan te voeren dat zij voor iedere genoten vrije dag in de relevante periode alsnog aanspraak kunnen maken op de Europeesrechtelijk voorgeschreven verhoging van het vakantieloon voor (bovenwettelijke) vakantiedagen, nu in de verlofkaarten toentertijd geen onderscheid werd gemaakt tussen vakantiedagen en atv-dagen, geldt - mede gezien het door [appellante] gevoerde verweer - het volgende. In de opdracht als hiervoor herhaald en opgenomen in onderdeel 4.62. van het tussenarrest van 14 maart 2023 ligt besloten dat het hof uitsluitend de verhoging zal toewijzen voor ‘vakantiedagen’ (inclusief bovenwettelijke vakantiedagen) als bestreken door de Europese richtlijn. Anders zou [appellante] geen onderscheid hebben hoeven te maken tussen vakantiedagen en atv-dagen in de nieuwe overzichten/berekeningen. Vertrouwen tegen de bedoeling van de Europese wetgever in – zo ‘vertrouwen’ al aan de orde is, gezien de in de CAO getroffen regelingen en daaruit voortvloeiende vakantiedagen als bedoeld in de richtlijn – kan in dit kader niet tot enige toewijzing leiden.
10.4.8.
Het hof is voorts van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de Chauffeurs nog een extra ronde te bieden om nogmaals in te gaan op de berekeningen van [appellante] per chauffeur.
Uit het tussenarrest van 14 maart 2023 blijkt duidelijk dat zulks reeds naar aanleiding van de overzichten van [appellante] als overgelegd na tussenarrest werd verwacht. Dat dit betekende dat per chauffeur moest worden gereageerd – als bij antwoordakte overigens ook uitdrukkelijk en uitvoerig al gedaan, zie o.m. de inhoudsopgave van die akte – was ook al duidelijk door genoemd tussenarrest. De keuze om voor zesentwintig Chauffeurs in één procedure vorderingen in te dienen is door de Chauffeurs zelf gemaakt. Daarnaast heeft [appellante] terecht opgemerkt dat geen nader uitstel is verzocht voor indiening van de antwoordakte gevuld met per saldo 50 pagina’s inhoudelijk betoog.
Van schending van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake.
10.4.9
Het hof zal de verlofkaarten als zodanig in beginsel tot uitgangspunt nemen en concrete bezwaren van de Chauffeurs op individueel niveau nader bezien.
De berekeningsmethode per vakantie uur
10.5.
Partijen verschillen van standpunt over de vraag hoe de verhoging van de vergoeding per vakantie uur/dag moet worden berekend.
10.5.1.
[appellante] berekent de verhoging per uur op basis van (extra) verdiende toeslagen en verricht overwerk in het referentiejaar door een gemiddeld bedrag te berekenen, te weten door het bruto aan toeslagen en overwerk vergoede totaalbedrag te delen door alle uren, zowel overuren als basisuren. In de eigen woorden van [appellante] : “Om de toeslag per uur te berekenen is het totaal aan ontvangen onregelmatigheidstoeslagen en overwerkvergoedingen gedeeld door het aantal gewerkte uren. Dit betreffen de daadwerkelijk aantal gewerkte uren”.
10.5.2.
De Chauffeurs rekenen op een ander manier. De Chauffeurs stellen dat men voor een vakantiedag 8 basisuren inlevert, dus zij gaan uit van deling van alle bedragen, d.w.z. toeslagen en overwerkvergoeding door het aantal basisuren (en dus niet alle gemaakte uren), met rekenvoorbeelden ter verduidelijking in punt 22 van hun antwoordakte na tussenarrest c.a. van 9 mei 2023. De Chauffeurs stellen dat aldus wordt aangesloten bij de vergoeding die de chauffeur ontvangt in het referentiejaar – en die de verhoging in beginsel bepaalt – en dat de methode die [appellante] hanteert tot een lagere verhoging leidt.
10.5.3.
Het hof is van oordeel dat de rekenmethode van de Chauffeurs de juiste is, d.w.z. aansluit bij de bedoeling van de Europese wetgever zoals nader geduid door het Hof van Justitie. Om te voorkomen dat iedere chauffeur per vakantiedag (uur) minder beloning ontvangt dan wanneer hij werkt moet worden teruggerekend per basisuur.
De door [appellante] voorgestane berekeningsmethode is in strijd met het uitgangspunt “qua beloning vergelijkbaar” van het Hof van Justitie, zoals neergelegd in HvJ 13 januari 2022 (C-514/20) inzake DS tegen Koch Personalsdienstleistungen (ECLI:EU:C:2022:19) (o.m. r.o.33-34 en 43) en eerder in HvJ 13 december 2018 (C-385/17) inzake Hein tegen Holzkamm GmbH & Co (ECLI:EU:C:2018:1018) (r.o. 33 “qua beloning vergelijkbaar’). Voorts laat het hof meewegen dat ook het Hof Den Haag in het arrest van 26 november 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2307), r.o. 6.14-6.16 heeft gekozen voor de rekenmethode als door de Chauffeurs verdedigd, om de redenen als hiervoor benoemd.
10.5.4.
Dit betekent dat het hof zelf zal gaan berekenen welke vergoeding iedere chauffeur toekomt per vakantiejaar, althans indien alle daartoe vereiste informatie beschikbaar is en alle overige discussiepunten aangaande deze informatie zijn beslecht.
10.5.5.
Gezien het bovenstaande hebben de Chauffeurs er geen belang meer bij dat het hof onderzoekt of de door [appellante] verdedigde rekenmethode impliciet een nieuw verweer van [appellante] zou behelzen. In het midden kan dan ook blijven of de stellingnames van [appellante] in de CvA in eerste aanleg (punten 148 e.v. en 164 e.v.) niet al als betwisting kunnen worden aangemerkt.
In ieder geval begrijpt het hof de thans na tussenarrest van 14 maart 2023 gekozen en verdedigde berekeningsmethode door [appellante] aldus dat [appellante] afziet van het eerder verdedigde standpunt dat in ieder geval niet meer verhoging kan worden bepaald dan de nieuwe berekeningsmethode van de CAO vanaf 1 januari 2019 voorschrijft (22,75% van het functieloon, zie CvA punt 168).
10.5.6.
Overigens is het hof ten overvloede van oordeel ten aanzien van laatstgenoemd verweer van [appellante] dat de CAO zich juist niet heeft uitgelaten over de wijze van berekening van de achterstallige verhoging in de periode vóór 2019, in het bijzonder 2012-2018 zodat het niet voor de hand ligt daarbij überhaupt aansluiting te zoeken voor de in deze zaak te beslechten discussie.In de CAO wordt ten aanzien van de periode vóór 1 januari 2019 uitdrukkelijk de mogelijkheid geschapen voor werknemers om een vaststellingsovereenkomst te sluiten (zie het tussenarrest van 14 maart 2023, onderdeel 3.5. en 3.6.) dan wel, zoals in de zaak als thans te beoordelen, alsnog middels een procedure het nog te verkrijgen bedrag aan achterstallige verhoging over het vakantieloon te laten vaststellen. Ook om die reden ligt het niet voor de hand in deze procedure bij de nieuwe regeling bij wijze van aanvulling op grond van de redelijkheid en billijkheid aansluiting te zoeken.
De bepaling van het referentiejaar, de referentieperiode en de 25% grens.
10.6.
Bij het opstellen van de verzochte overzichten heeft [appellante] klaarblijkelijk het standpunt betrokken dat indien tijdens het referentiejaar 2012 (en later) nog niet voor [appellante] werd gewerkt, er voor het eerste jaar waarbij de chauffeur voor [appellante] werkte überhaupt geen verhoging gold voor het vakantieloon. Zulks blijkt bijvoorbeeld uit de berekeningen voor [geïntimeerde sub 4] (productie 109b), [geïntimeerde sub 13] (productie 118b), en [geïntimeerde sub 15] (productie 120b). De Chauffeurs hebben deze aanpak betwist en gepleit voor een andere periode als referentiejaar - of periode.
10.6.1.
De aanpak van [appellante] is niet in overeenstemming met het Europese uitgangspunt “qua beloning vergelijkbaar” (zie hiervoor) en getuigt overigens van weinig welwillendheid, als door een goed werkgever wel te betrachten.
10.6.2.
Het hof zal dan ook zelf een alternatieve referentieperiode per chauffeur waar dit bij speelt vaststellen, afhankelijk van de wel verschafte informatie (en dit in lijn met het slot van onderdeel 4.25. van het tussenarrest van 14 maart 2023). Het hof zal aansluiten bij het voorstel van de Chauffeurs te kijken naar het eerste jaar dat bij [appellante] werd gewerkt als referentiejaar, en wel naar evenredigheid.
10.6.3.
Hierbij gaat het er per saldo om ervoor te zorgen dat de alsnog vast te stellen verhoging van het vakantieloon per jaar ertoe leidt – conform HvJ 13 december 2018 (C-385/17, ECLI:EU:C:2018:1018) inzake Hein c. Holzkamm GmbH & Co r.o. 52 – dat het aldus in totaliteit (deels alsnog) te ontvangen loon per chauffeur “niet lager is dan het gewone loon dat zij in perioden van daadwerkelijke arbeid gemiddeld ontvangen”.
10.6.4.
Het voorgaande geldt ook voor de gevallen waarin in het referentiejaar sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid. Ook dan zal naar evenredigheid gekeken worden naar de verhouding tussen de ontvangen overwerkurenvergoedingen en de daadwerkelijk gewerkte uren (exclusief de ziektedagen). Overigens tellen de ontvangen vergoedingen als zodanig (voor de berekening van het verhogingsbedrag, indien aldus de 25% grens wordt gehaald) wel ongecorrigeerd mee. Wat feitelijk is ontvangen telt aldus mee.
10.6.5.
Voor de vraag tenslotte of in een referentiejaar de 25% grens is overschreden zal het hof de overuren meenemen die zijn gemaakt in het weekend en die rekenkundig behoren tot de categorie ‘toeslagen’ (die op zich altijd tot een verhoging als zodanig leiden). In onderdeel 4.34. van het eerste tussenarrest heeft het hof immers geoordeeld dat van overuren in zijn algemeenheid sprake is wanneer de 40 uren in de week worden overschreden, hetgeen inhoudt dat voor de vraag of de vergoeding voor overuren een belangrijk onderdeel van het loon vormt (het soortelijk gewicht van deze uren) deze uren moeten meetellen. Voor de bepaling van het verhogingsbedrag als zodanig tellen ze maar één keer mee (bij toeslagen).
Wettelijke rente over verhoging
10.7.
De Chauffeurs hebben betoogd dat het hof in het tussenarrest van 14 maart 2023 hierover nog geen beslissing heeft genomen, terwijl wel al is bepaald dat een wettelijke verhoging van 20 procent toewijsbaar is over de achterstallige niet uitbetaalde ‘vermeerdering’ van het vakantieloon per jaar (zie onderdeel 4.57). Dit is juist.[appellante] heeft dit punt niet apart betwist en haar algemene bezwaren zijn al in het kader van de wettelijke rente in algemene zin beslecht.De vordering ook wettelijke rente toe te kennen over de verhoging is derhalve in beginsel toewijsbaar – en wel op gelijke wijze als voor de ‘vermeerdering’ zelf bepaald, zie onderdeel 4.56. van het tussenarrest van 14 maart 2023, dus vanaf 1 januari van het opvolgende kalenderjaar - en zal derhalve bij de vaststelling van het aan iedere chauffeur per jaar toekomende bedrag worden betrokken.
Wettelijke rente over brutobedragen
10.8.
Dit punt is door de Chauffeurs bij antwoordakte van 9 mei 2023 naar voren gebracht.
10.9.
Het hof heeft steeds beoogd over brutobedragen de wettelijke rente toe te wijzen, en zal zulks ook doen per respectieve chauffeur.Overigens is de weergave van grief V van de Chauffeurs in onderdeel 4.55 van het tussenarrest van 14 maart 2023 onvolledig door het hof opgenomen, nu de Chauffeurs tevens hebben gevorderd alsnog de wettelijke rente toe te wijzen vanaf – kort gezegd – de respectieve vervaldatum per maand waarin vakantie is genoten (zie de Akte vermeerdering eis van 20 juni 2019 punt 4), nu zij bij memorie van grieven in incidenteel appel (onderdeel 360) hebben gepersisteerd bij toewijzing van hetgeen eerder is gevorderd.Het hof heeft vervolgens hierop in onderdeel 4.56 van voormeld tussenarrest beslist als aldaar vermeld.
De individuele vorderingen van de respectieve Chauffeurs
10.10
[geïntimeerde sub 1]
10.10.1.
In productie 142 aan de zijde van de Chauffeurs heeft [geïntimeerde sub 1] becijferd welk bedrag voor de respectieve jaren als verhoging per vakantie uur heeft te gelden en het resultaat daarvan in de antwoordakte van 9 mei 2023 in een kolom aangevoerd. [appellante] heeft dit vervolgens in algemene zin weersproken omdat de verkeerde rekenmethode zou zijn gehanteerd, maar dat is onjuist gezien hetgeen het hof hiervoor (onderdeel 10.5.3) heeft beslist. [appellante] heeft de cijfers, de rekenkundige uitwerking, als zodanig niet weersproken. In het bijzonder heeft [appellante] de door [geïntimeerde sub 1] gehanteerde gegevens zoals aantal basisuren per respectief kalenderjaar/referentiejaar, niet weersproken. Hiermee staan de verhogingen per jaar vast.
10.10.2.
In productie 141 aan de zijde van de Chauffeurs is een overzicht opgenomen, mede samengesteld op basis van de atv-dagen als door [appellante] genoemd in productie 13 bij conclusie van dupliek.
Zowel bij [geïntimeerde sub 1] als bij de andere Chauffeurs zijn uitsluitend de in productie 13 bij conclusie van dupliek per chauffeur opgenomen atv-dagen in mindering gebracht per kalenderjaar, en is geen aandacht besteed aan de door [appellante] in de, in opdracht van het hof, vervaardigde nieuwe overzichten en daarin opgenomen gegevens aangaande opgenomen vakantiedagen en atv-dagen als gespecificeerd. Dat [appellante] hierbij steeds eerst de vakantiedagen heeft afgeboekt - vanwege de beperkte ‘houdbaarheid’ - is niet betwist.
Het vasthouden aan productie 13 voornoemd vormt geen adequate weerspreking van het door [appellante] na tussenarrest van 14 maart 2023 verschafte overzicht per chauffeur, in dit geval [geïntimeerde sub 1] . Strijd met de redelijkheid en billijkheid is niet aan de orde nu [appellante] in hoger beroep nieuwe standpunten mag innemen en in dat kader mag komen tot een herberekening van het exacte aantal atv-dagen per chauffeur, zeker indien dit een herberekening ten opzichte van een eerdere productie (productie 13 bij conclusie van dupliek) betreft, waarvan het hof heeft bepaald dat de Chauffeurs daarop niet meer hoeven te reageren (zie onderdeel 4.62 van het tussenarrest van 14 maart 2023) omdat er nieuwe berekeningen moeten worden gemaakt waarin rekening is gehouden met hetgeen het hof al heeft beslist.
10.10.3.
Het voorgaande betekent dat door [geïntimeerde sub 1] de door [appellante] middels productie 80d bij akte na tussenarrest overlegging overzichten en berekeningen van 11 april 2023 van de zijde van [appellante] - zowel opgenomen als uitbetaalde - opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2013 - 2018 niet gemotiveerd heeft betwist en daarmee staan deze vast.De atv- en knv-uren tellen voor de berekening van het door [appellante] nog verschuldigde
bedrag aan verhoging niet mee, zoals eerder beslist.Uit het overzicht blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 1] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht en nu niet anders is gesteld of gebleken gaat het hof ervan uit dat daarvoor de volledige in de CAO opgenomen vergoeding is betaald (zie eerder onderdeel 10.4.6.).
10.10.4.
Indien voor andere Chauffeurs hetzelfde geldt als hiervoor in dit onderdeel besproken en beslist ten aanzien van respectievelijk het in de antwoordakte per jaar opgevoerde verhogingsbedrag en de volgens opgave van [appellante] aan de orde zijnde vakantie uren, zal het hof dit aanduiden als “conform de [geïntimeerde sub 1] criteria”, in plaats van steeds tekstueel dezelfde overwegingen te herhalen, en daarbij vervolgens verwijzen naar de relevante producties die aan de respectieve berekening ten grondslag zijn gelegd.
10.10.5.
Bovenstaande vaststellingen leiden gezien de in de genoemde producties opgenomen informatie tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 1] :
- -
Voor 2013 225 uur maal € 11,47, zijnde € 2.580,75 bruto;
- -
Voor 2014 224 uur maal € 11,00, zijnde € 2.464,00 bruto ;
- -
Voor 2015 224 uur maal € 10,88, zijnde € 2.437,12 bruto;
- -
Voor 2016 224 uur maal € 11,12, zijnde € 2.490,88 bruto;
- -
Voor 2017 224 uur maal € 11,95, zijnde € 2.676,80 bruto;
- -
Voor 2018 224 uur maal € 13,18, zijnde € 2.953,32 bruto.
10.10.6.
De bedragen zullen in het dictum als hierna uit te spreken onder het kopje “ [geïntimeerde sub 1] ” met alle bijbehorende nevenvorderingen respectievelijk beslissingen ten aanzien van nevenvorderingen worden opgenomen.
Hierbij zal noodzakelijkerwijs de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd, nu het hof per chauffeur de vorderingen beoordeelt en zal afdoen.
10.11.
[geïntimeerde sub 2] .
10.11.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 143 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 81d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2012 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 2] :
- -
Voor 2014 208 uur maal € 10,06, zijnde € 2.092,48 bruto;
- -
Voor 2015 216 uur maal € 9,66, zijnde € 2.086,56 bruto;
- -
Voor 2016 216 uur maal € 8,99, zijnde € 1.941,84 bruto;
- -
Voor 2017 216 uur maal € 9,92, zijnde € 2.142,72 bruto;
- -
Voor 2018 216 uur maal € 9,59, zijnde € 2.071,44 bruto.
10.11.2.
In 2013 zijn alleen knv-uren, dus atv- uren opgenomen en bestaat geen reden voor verhoging van het in dat jaar uitbetaalde vakantieloon. [geïntimeerde sub 2] vordert thans ook slechts een nadere verhoging over de jaren 2014 en volgende (zie onderdeel 120 van de Antwoordakte c.a. van de Chauffeurs van 9 mei 2023).
10.11.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.12.
[geïntimeerde sub 3]
10.12.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 144 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 82d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2013 tot en met 2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 3] :
- -
Voor 2013 216 uur maal € 9,15, zijnde € 1.976,40 bruto;
- -
Voor 2014 208 uur maal € 10,21, zijnde € 2.123,68 bruto ;
- -
Voor 2015 208 uur maal € 9,28, zijnde € 1.930,24 bruto;
- -
Voor 2016 216 uur maal € 10,14, zijnde € 2.190,24 bruto;
- -
Voor 2017 216 uur maal € 11,12, zijnde € 2.401,92 bruto;
- -
Voor 2018 216 uur maal € 12,36, zijnde € 2.669,76 bruto.
10.12.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.13.
[geïntimeerde sub 4]
10.13.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 145 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar (met correctie van een typefout in de antwoordakte t.a.v. 2016, refertejaar 2015) en de in productie 83d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar - zowel opgenomen als uitbetaalde - in de periode 2015 tot en met 2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 4] :
- -
Voor 2015 224 uur maal € 9,71, zijnde € 2.175,04 bruto;
- -
Voor 2016 236 uur maal € 12,17, zijnde € 2.872,12 bruto;
- -
Voor 2017 208 uur maal € 13,66, zijnde € 2.841,28 bruto;
- -
Voor 2018 196 uur maal € 14,02, zijnde € 2.747,92 bruto.
10.13.2.
Voor het jaar 2014 geldt gezien hetgeen is overwogen in onder meer onderdeel 10.6.5. dat sprake is van een referentie jaar, namelijk 2013, waarin de 25% grens wel is overschreden indien wordt gekeken naar de wel gewerkte uren en het onderdeel overurenvergoedingen in dat jaar. De rekenkundige becijfering van [geïntimeerde sub 4] voor 2013 (onderdeel 125 van de Antwoordakte van 9 mei 2023) is als zodanig niet door [appellante] weersproken. Uitgaande van productie 145 aan de zijde van de Chauffeurs en de in productie 83d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren voor 2014 geldt voor dat jaar 192 uur maal € 7,37, zijnde € 1.415,04 bruto, als eveneens toekomend aan [geïntimeerde sub 4] .
10.13.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.14.
[geïntimeerde sub 5]
10.14.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 146 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 84d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode
tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 5] :
- -
Voor 2014 268 uur maal € 9,51, zijnde € 2.548,68 bruto;
- -
Voor 2015 216 uur maal € 9,43, zijnde € 2.036,88 bruto;
- -
Voor 2016 224 uur maal € 9,12, zijnde € 2.042,88 bruto;
- -
Voor 2017 224 uur maal € 9,58, zijnde € 2.145,92 bruto;
- -
Voor 2018 224 uur maal € 10,77, zijnde € 2.412,48 bruto.
10.14.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.15.
[geïntimeerde sub 6]
10.15.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 147 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 85d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode
tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 6] :
- -
Voor 2014 220 uur maal € 8,58, zijnde € 1.887,60 bruto;
- -
Voor 2015 292 uur maal € 8,44, zijnde € 2.464,48 bruto;
- -
Voor 2016 279,5 uur maal € 7,62, zijnde € 2.129,79 bruto;
- -
Voor 2017 224 uur maal € 9,42, zijnde € 2.110,08 bruto;
- -
Voor 2018 216 uur maal € 8,53, zijnde € 1.842,48 bruto.
10.15.2.
Uit het overzicht 85 d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 6] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.15.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.16.
[geïntimeerde sub 7]
10.16.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 148 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 86d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2012-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 7] :
- -
Voor 2013 264 uur maal € 10,53, zijnde € 2.779,92 bruto;
- -
Voor 2014 224 uur maal € 10,86, zijnde € 2.432,64 bruto;
- -
Voor 2017 303 uur maal € 8,82, zijnde € 2.672,46 bruto.
10.16.2.
Voor 2012 geldt als referentiejaar 2012 zelf (bij gebreke aan andere gegevens, waar [appellante] als zodanig mee in heeft gestemd) en geldt dus het in productie 148 voornoemd voor 2013 ook gehanteerde bedrag van € 10,53 voor 8 uren, derhalve€ 84,24.
10.16.3.
Voor de jaren 2015, 2016 en 2018 met het refertejaren 2014, 2015 en 2017 geldt hetgeen hiervoor is overwogen in de onderdelen 10.6.4. en 10.6.5. [appellante] heeft de berekende bedragen voor die jaren niet rekenkundig betwist maar gesteld dat [geïntimeerde sub 7] niet een gemiddelde aan overwerkvergoedingen als ontvangen tijdens ziekte bij zijn berekening – waarbij [appellante] , zie hiervoor, overigens uitgaat van een verkeerde berekeningsmethode om de verhoging als zodanig vast te stellen – heeft betrokken. Voor de vraag van het soortelijk gewicht van de overuren (25% of niet) kijkt het hof naar de verhouding daadwerkelijk verdiende overurenvergoedingen ten opzichte van daadwerkelijk gewerkte basisuren (zie onderdeel 10.6.5.). Nu [appellante] zelf de gestelde extra gemiddelde vergoedingen voor overwerk als ontvangen tijdens ziekte niet waarneembaar in haar berekening heeft verwerkt – ondanks de bij eerste tussenarrest geboden mogelijkheid eindelijk openheid van zaken te geven - en voor de verhouding alleen kijkt naar de feitelijk betaalde overwerkvergoeding in relatie tot de totaal uitbetaalde uren, zal het hof de door [geïntimeerde sub 7] in productie 148 daadwerkelijk aan overwerk ontvangen gemiddelde bedragen (in relatie tot de basisuren) in de respectieve referentiejaren tot uitgangspunt nemen. Gesteld noch gebleken is overigens dat deze gemiddelde bedragen afwijken van de door [appellante] gestelde gemiddelde vergoeding voor overwerk als uitbetaald tijdens ziekte. Ook deze bedragen zouden voorts mee moeten tellen bij de berekening van de gemiddelde verhoging zoals door [appellante] bepleit, anders dan [appellante] lijkt aan te nemen. In ieder geval is er geen reden naast het referentiejaar ook het vakantiejaar zelf - voor zover het gaat om het al dan niet ontvangen van enige verhoging – te onderwerpen aan de 25% eis. Bij de vaststelling van de verhoging voor de respectieve jaren zal het hof de hoogte van het gemiddelde verhogingsbedrag in het referentiejaar overigens niet nog verder corrigeren zoals door [geïntimeerde sub 7] bepleit. Ook hier gaat het immers om “qua beloning vergelijkbaar” en wil het hof aansluiten – gezien het voorgaande - bij de berekening die gebaseerd is op de ‘echte’ verhouding tussen ontvangen vergoedingen ten opzichte van basisuren.
10.16.4.
Het voorgaande betekent dat conform de [geïntimeerde sub 1] criteria de in productie 148 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar in de periode 2016, 2017 en 2018 en de in productie 86d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2012-2018 tot de volgende extra bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 7] :
- Voor 2015 112 uur maal € 10,39, zijnde € 1.163,68 bruto;
- Voor 2016 64 uur maal € 8,82, zijnde € 564,48 bruto;
- Voor 2018 128 uur maal € 9,97, zijnde € 1.276,16 bruto.
10.16.5.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.17.
[geïntimeerde sub 8]
10.17.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 149 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 87d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 8] :
- -
Voor 2014 216 uur maal € 9,44, zijnde € 2.039,04 bruto;
- -
Voor 2015 216 uur maal € 9,49, zijnde € 2.049,84 bruto;
- -
Voor 2016 224 uur maal € 9,80, zijnde € 2.195,20 bruto;
- -
Voor 2017 224 uur maal € 10,08, zijnde € 2.257,92 bruto;
- -
Voor 2018 224 uur maal € 10,13, zijnde € 2.269,12 bruto.
10.17.2.
Uit het overzicht 87 d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 8] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.17.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.18.
[geïntimeerde sub 9]
10.18.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 150 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 88d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2013-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 9] :
- -
Voor 2013 64 uur maal € 12,70, zijnde € 812,80 bruto;
- -
Voor 2014 336 uur maal € 13,52, zijnde € 4.542,72 bruto;
- -
Voor 2015 264 uur maal € 15,49, zijnde € 4.089,36 bruto;
- -
Voor 2016 104 uur maal € 13,94, zijnde € 1.449,76 bruto;
- -
Voor 2017 224 uur maal € 13,14, zijnde € 2.943,36 bruto;
- -
Voor 2018 296 uur maal € 15,34, zijnde € 4.540,64 bruto
10.18.2.
Uit het overzicht 88d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 9] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.18.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.19.
[geïntimeerde sub 10]
10.19.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 151 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 89d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 10] :
- -
Voor 2014 192 uur maal € 10,01, zijnde € 1.921.92 bruto;
- -
Voor 2015 192 uur maal € 9,54, zijnde € 1.831,68 bruto;
- -
Voor 2016 176 uur maal € 10,53, zijnde € 1.853,28 bruto;
- -
Voor 2017 232 uur maal € 11,12, zijnde € 2.579,84 bruto;
- -
Voor 2018 208 uur maal € 11,01, zijnde € 2.290,08 bruto.
10.19.2.
Uit het overzicht 89d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 10] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.19.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is
overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.20.
[geïntimeerde sub 11]
10.20.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 152 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 90d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 11] voornoemd:
- -
Voor 2014 168 uur maal € 10,43, zijnde € 1.752,24 bruto ;
- -
Voor 2015 232 uur maal € 9,84, zijnde € 2.282,88 bruto;
- -
Voor 2016 192 uur maal € 10,23, zijnde € 1.964,16 bruto;
- -
Voor 2017 192 uur maal € 11,02, zijnde € 2.115,84 bruto;
- -
Voor 2018 224 uur maal € 11,38, zijnde € 2.549,12 bruto.
10.20.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is
overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.21.
[geïntimeerde sub 12]
10.21.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 153 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 91d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2013-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 12] :
- -
Voor 2013 200 uur maal € 10,30, zijnde € 2.060,= bruto;
- -
Voor 2014 296 uur maal € 10,21, zijnde € 3.022,16 bruto;
- -
Voor 2015 192 uur maal € 10,19, zijnde € 1.956,48 bruto;
- -
Voor 2017 216 uur maal € 10,71, zijnde € 2.313,36 bruto.
10.21.2.
Voor het jaar 2018 geldt gezien hetgeen is overwogen in onder meer onderdeel 10.6.5. dat sprake is van een referentiejaar, namelijk 2017, waarin de 25% grens wel is overschreden indien wordt gekeken naar de wel gewerkte uren en het onderdeel overurenvergoedingen (in brede zin). De rekenkundige becijfering van [geïntimeerde sub 12] voor 2017 (onderdeel 159 van de Antwoordakte van 9 mei 2023) is als zodanig niet door [appellante] weersproken. Uitgaande van productie 153 aan de zijde van de Chauffeurs en de in productie 91d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren voor 2018 geldt voor dat jaar 216 uur maal € 11,17,| zijnde € 2.412,72 bruto, als eveneens toekomend aan [geïntimeerde sub 12] .
10.21.3.
Voor 2015 (als referentiejaar) geldt hetgeen in onderdeel 10.6.4 is overwogen ten aanzien van de effecten van arbeidsongeschiktheid in het referentiejaar. Voorts geldt hetgeen mutatis mutandis is overwogen in onderdeel 10.16.3 ( [geïntimeerde sub 7] ).Het door [geïntimeerde sub 12] rekenkundig becijferde gemiddelde voor 2015 is niet door [appellante] als zodanig weersproken.Gezien de in productie 153 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur in 2016 en de in productie 91d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren voor 2016 komt [geïntimeerde sub 12] over 2016 toe 240 uur maal € 10,57, zijnde€ 2.536,80 bruto.
10.21.4.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is
overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.22.
[geïntimeerde sub 13]
10.22.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria en gezien onderdeel 10.6.2. (referentiejaar) leiden de in productie 154 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 92d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren (zowel opgenomen als uitbetaald) per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 13] :
- -
Voor 2014 72 uur maal € 9,37, zijnde € 674,64 bruto;
- -
Voor 2015 164 uur maal € 9,37, zijnde € 1.536,68 bruto;
- -
Voor 2016 268 uur maal € 12,09, zijnde € 3.240,12 bruto;
- -
Voor 2017 176 uur maal € 12,91, zijnde € 2.272,16 bruto;
- -
Voor 2018 240 uur maal € 14,51, zijnde € 3.482,40 bruto.
10.22.2.
Uit het overzicht 92d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 13] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.22.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.23.
[geïntimeerde sub 14]
10.23.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria en gezien onderdeel 10.6.4 (effect arbeidsongeschiktheid), alsook mutatis mutandis rekening houdend met hetgeen is overwogen in onderdeel 10.16.3 ( [geïntimeerde sub 7] ), leiden de in productie 155 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 93d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 14] :
- -
Voor 2014 238,5 uur maal € 10,12, zijnde € 2.413,62 bruto;
- -
Voor 2015 200 uur maal € 9,05, zijnde € 1.810,= bruto;
- -
Voor 2016 200 uur maal € 9,75, zijnde € 1.950,= bruto;
- -
Voor 2017 200 uur maal € 10,36, zijnde € 2.072,= bruto;
- -
Voor 2018 200 uur maal € 12,73, zijnde € 2.546,= bruto.
10.22.2.
Uit het overzicht 93d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 14] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.22.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.24.
[geïntimeerde sub 15]
10.24.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria en gezien onderdeel 10.6.2. (refertejaar) leiden de in productie 156 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 94d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 15] :
- -
Voor 2014 88 uur maal € 11,49, zijnde € 1.011.12 bruto;
- -
Voor 2015 72 uur maal € 11,49, zijnde € 827,28 bruto;
- -
Voor 2016 96 uur maal € 13,63, zijnde € 1.308,48 bruto;
- -
Voor 2017 460 uur maal € 15,22, zijnde € 7.001,20 bruto;
- -
Voor 2018 104 uur maal € 16,59, zijnde € 1.725,36 bruto.
10.24.2.
Uit het overzicht 94d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 15] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.24.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.25.
[geïntimeerde sub 16]
10.25.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 157 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 95d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 16] :
- -
Voor 2014 176 uur maal € 11,38, zijnde € 2.002,88 bruto;
- -
Voor 2015 244 uur maal € 11,39, zijnde € 2.779,16 bruto;
- -
Voor 2016 192 uur maal € 12,81, zijnde € 2.459,52 bruto;
- -
Voor 2017 208 uur maal € 13,78, zijnde € 2.866,24 bruto;
- -
Voor 2018 168 uur maal € 13,89, zijnde € 2.333,52 bruto.
10.25.2.
Uit het overzicht 95d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 16] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.25.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.26.
[geïntimeerde sub 16]
10.26.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria, en gezien onderdelen 10.6.4 (effect arbeidsongeschiktheid c.a.) en 10.6.5. (reikwijdte ‘overuren’), alsook mutatis mutandis rekening houdend met hetgeen is overwogen in onderdeel 10.16.3 ( [geïntimeerde sub 7] ), leiden de in productie 158 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 96d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 16] :
- -
Voor 2013 200 uur maal € 9,68, zijnde € 1.936,= bruto;
- -
Voor 2014 204 uur maal € 7,53, zijnde € 1.536,12 bruto;
- -
Voor 2015 200 uur maal € 6,75, zijnde € 1.350,= bruto;
- -
Voor 2016 196 uur maal € 6,63, zijnde € 1.299,48 bruto;
- -
Voor 2017 204 uur maal € 9,33, zijnde € 1.903,32 bruto;
- -
Voor 2018 200 uur maal € 9,93, zijnde € 1986,= bruto.
10.26.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.27.
[geïntimeerde sub 18]
10.27.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria, en gezien onderdelen 10.6.4 (effect arbeidsongeschiktheid c.a.) en 10.6.5. (reikwijdte ‘overuren’), alsook mutatis mutandis rekening houdend met hetgeen is overwogen in onderdeel 10.16.3 ( [geïntimeerde sub 7] ) voor zover het betreft de vergoeding voor 2016 (referentiejaar 2015), leiden de in productie 159 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 97d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 18] :
- -
Voor 2014 136 uur maal € 8,48, zijnde € 1.153,28 bruto;
- -
Voor 2015 240 uur maal € 8,24, zijnde € 1.977,60 bruto;
- -
Voor 2016 192 uur maal € 6,88, zijnde € 1.320,96 bruto;
- -
Voor 2017 220 uur maal € 8,73, zijnde € 1.920,60 bruto;
- -
Voor 2018 256 uur maal € 9,80, zijnde € 2.508,80 bruto.
10.27.2.
Uit het overzicht 97d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 18] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen
10.27.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.28.
[geïntimeerde sub 12]
10.28.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 160 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 98d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2013 - 2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 12] :
- -
Voor 2013 216 uur maal € 8,76, zijnde € 1.892,16 bruto;
- -
Voor 2014 232 uur maal € 10,04, zijnde € 2.329,28 bruto ;
- -
Voor 2015 252 uur maal € 9,19, zijnde € 2.315,88 bruto;
- -
Voor 2016 260 uur maal € 8,67, zijnde € 2.254,20 bruto;
- -
Voor 2017 422 uur maal € 9,14, zijnde € 3.857,08 bruto;
- -
Voor 2018 144 uur maal € 10,95, zijnde € 1.576,80 bruto.
10.28.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.29.
. [geïntimeerde sub 20]
10.29.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria, en gezien onderdelen 10.6.4 (effect arbeidsongeschiktheid c.a.) en 10.6.5. (reikwijdte ‘overuren’), alsook mutatis mutandis rekening houdend met hetgeen is overwogen in onderdeel 10.16.3 ( [geïntimeerde sub 7] ) voor zover het betreft de vergoeding voor 2015 (referentiejaar 2014) leiden de in productie 161 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 99d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan:
- -
Voor 2014 216 uur maal € 8,21, zijnde € 1.773,36 bruto;
- -
Voor 2015 224 uur maal € 7,65, zijnde € 1.713,60 bruto;
- -
Voor 2016 224 uur maal € 8,24, zijnde € 1.845,76 bruto;
- -
Voor 2017 224 uur maal € 9,10, zijnde € 2.038,40 bruto;
- -
Voor 2018 138 uur maal € 9,49, zijnde € 1.309,62 bruto.
10.29.2.
Uit het overzicht 98d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 20] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen
10.29.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.30.
[geïntimeerde sub 21]
10.30.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 162 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 100d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2013 -2017 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 21] :
- -
Voor 2013 200 uur maal € 9,95, zijnde € 1.990,= bruto;
- -
Voor 2014 258,50 uur maal € 10,03, zijnde € 2.592,76 bruto;
- -
Voor 2015 144 uur maal € 9,66, zijnde € 1.391,04 bruto;
- -
Voor 2016 272 uur maal € 9,46, zijnde € 2.573,12 bruto;
- -
Voor 2017 123 uur maal € 10,55, zijnde € 1.297,65 bruto.
10.30.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.31.
[geïntimeerde sub 22]
10.31.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria, en gezien onderdelen 10.6.4 (effect arbeidsongeschiktheid c.a.) en 10.6.5. (reikwijdte ‘overuren’), alsook mutatis mutandis rekening houdend met hetgeen is overwogen in onderdeel 10.16.3 ( [geïntimeerde sub 7] ) voor zover het betreft de vergoeding voor 2018 (referentiejaar 2017), leiden de in productie 163 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 101d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 22] :
- -
Voor 2014 248 uur maal € 10,47, zijnde € 2.596,56 bruto;
- -
Voor 2015 251 uur maal € 10,61, zijnde € 2.663,11 bruto;
- -
Voor 2016 224 uur maal € 11,53, zijnde € 2.582,72 bruto;
- -
Voor 2017 216 uur maal € 11,78, zijnde € 2.544,48 bruto;
- -
Voor 2018 120 uur maal € 13,21, zijnde € 1.585,20 bruto.
10.31.2.
Uit het overzicht 101d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 22] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.31.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.32.
[geïntimeerde sub 23]
10.32.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria, en gezien onderdelen 10.6.4 (effect arbeidsongeschiktheid c.a.) en 10.6.5. (reikwijdte ‘overuren’), alsook mutatis mutandis rekening houdend met hetgeen is overwogen in onderdeel 10.16.3 ( [geïntimeerde sub 7] ) voor zover het betreft de vergoeding voor 2015 (referentiejaar 2014) leiden de in productie 164 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 102d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2013-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 23] :
- -
Voor 2013 260 uur maal € 11,08, zijnde € 2.880,80 bruto;
- -
Voor 2014 277 uur maal € 11,26, zijnde € 3.119,02 bruto;
- -
Voor 2015 130,14 uur maal € 9,66, zijnde € 1.257,15 bruto;
- -
Voor 2016 269,85 uur maal € 1,38, zijnde € 372,39 bruto;
- -
Voor 2017 200,01 uur maal € 1,46, zijnde € 292,01 bruto;
- -
Voor 2018 107,96 uur maal € 2,23, zijnde € 240,75 bruto.
10.32.2.
Uit het overzicht 102d voornoemd blijkt voorts dat [geïntimeerde sub 23] geen pkb-uren heeft opgenomen in 2018 maar deze heeft afgekocht, zodat geldt hetgeen in onderdeel 10.4.6. en 10.10.3 reeds is overwogen.
10.32.3.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.33.
[geïntimeerde sub 24]
10.33.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie 165 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie 103d van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2018 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 24] :
- -
Voor 2013 192 uur maal € 9,05, zijnde € 1.737,60 bruto;
- -
Voor 2014 216 uur maal € 9,85, zijnde € 2.127,60 bruto;
- -
Voor 2015 248 uur maal € 9,69, zijnde € 2.403,12 bruto;
- -
Voor 2016 200 uur maal € 10,35, zijnde € 2.070,= bruto;
- -
Voor 2017 135 uur maal € 11,54, zijnde € 1.557,90 bruto.
10.33.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.34.
[geïntimeerde sub 25]
10.34.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie166 aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2015 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 25] :
- -
Voor 2013 208 uur maal € 10,79, zijnde € 2.244,32 bruto;
- -
Voor 2014 200 uur maal € 10,70, zijnde € 2.140,= bruto;
- -
Voor 2015 266 uur maal € 9,98, zijnde € 2.654,68 bruto.
10.34.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.35.
[geïntimeerde sub 26]
10.35.1.
Conform de [geïntimeerde sub 1] criteria leiden de in productie X aan de zijde van de Chauffeurs genoemde bedragen als verhoging per vakantie uur per respectief jaar en de in productie van de zijde van [appellante] opgegeven vakantie uren per jaar in de periode 2014-2016 tot de volgende bedragen als alsnog toekomend aan [geïntimeerde sub 26] :
- -
Voor 2013 240 uur maal € 9,90, zijnde € 2.376,= bruto;
- -
Voor 2014 212 uur maal € 9,70, zijnde € 2.056,40 bruto;
- -
Voor 2015 192 uur maal € 9,07, zijnde € 1.741,44 bruto;
- -
Voor 2016 117 uur maal € 9,38, zijnde € 1.097,46 bruto.
10.35.2.
Voorts geldt hetgeen in rechtsoverweging 10.10.6 in het algemeen is overwogen ook ten aanzien van deze vorderingen.
10.36.
Afronding
10.36.1.
Het hof heeft in het voorgaande - en in de twee tussenarresten – beslist op hetgeen de Chauffeurs hebben gevorderd aan loonvorderingen en nevenvorderingen en op hetgeen [appellante] daartegen aan verweren heeft aangevoerd.Hoewel een groot deel van de grieven in zowel principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep niet slagen - het hof verwijst naar haar tussenarrest van 14 maart 2023 - zal het hof om praktische redenen en omdat integraal op de vorderingen van de Chauffeurs wordt beslist, het gehele vonnis vernietigen (inclusief het herstelvonnis als daarbij aansluitend).
10.36.2.1. Ten aanzien van de proceskosten heeft [appellante] in haar akte van 9 april 2023 het standpunt ingenomen dat gezien de beslissingen in het (eerste) tussenarrest waarbij beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, compensatie van kosten in de rede ligt.
10.36.2.2. De Chauffeurs hebben in hun antwoordakte van 9 mei 2023 aangegeven vast te houden aan een proceskostenveroordeling nu [appellante] in die fase al valt aan te merken als de meest in het ongelijk gestelde partij. De Chauffeurs hebben tevens verzocht om, ook al is sprake van een collectieve procedure, individuele proceskostenveroordelingen ten gunste van iedere individuele chauffeur uit te spreken. Dit omdat tevens individuele standpunten moesten worden ingenomen en het hof ook al de buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen per chauffeur.
10.36.2.3. [appellante] heeft vervolgens haar primaire verzoek gehandhaafd de Chauffeurs te veroordelen in de kosten van beide instanties en subsidiair gevorderd de kosten te compenseren. [appellante] heeft hierbij gewezen op het feit dat onder meer beslist is dat atv-dagen niet meetellen maar dat de Chauffeurs daar aan blijven vasthouden.
10.36.3.
Het hof oordeelt als volgt. [appellante] heeft te gelden als de evident meest in het ongelijk gestelde partij, nu haar verst strekkende verweren inhielden dat de Chauffeurs geen enkele aanspraak hadden, en voorts op diverse punten door [appellante] een uitleg van het Europees recht is bepleit die het hof niet heeft gevolgd.De Chauffeurs hebben de procedure opgezet als collectieve procedure en pas in hoger beroep is door het hof geoordeeld dat iedere totaalvordering van de respectieve chauffeur op zich staat.Het hof zal dan ook één proceskostenveroordeling uitspreken per instantie, dus zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep. Hierbij zal echter het tarief conform het liquidatietarief gezien de aard van de zaak worden bepaald aan de hand van de totale bruto som der toegewezen vorderingen, derhalve op tarief voor € 200.000,= tot € 400.000,=
(€ 872,= p.pt.) in eerste aanleg en tarief VI (€ 4.428,= p.pt.) in hoger beroep.De kosten van de incidenten in eerste aanleg vormen overigens geen voorwerp van het hoger beroep.
10.36.4.
Dit betekent voor de eerste aanleg dat de volgende kosten meetellen:
- -
Explootkosten : € 304,43
- -
griffierecht : € 1.471,=
- -
salaris gemachtigden (2 punten ad € 872,=) : € 1.744,=
--------- ---------
Totaal € 3.519,43,=
10.36.5.
Voor het hoger beroep tellen de volgende kosten mee, waarbij de akte terugkomen bindende eindbeslissing van 11 juli 2023 niet meetelt, omdat het hof voor het daarmee opgeroepen ‘deelgeschil’ de kosten compenseert:
- -
griffierecht : € 1.756,= ;
- -
salaris advocaten ( 3 punten ad € 4.428,=) : € 13.284;
- -
nakosten : € 178,=(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
--------- ---------
Totaal € 15.218,=
10.36.6.
De veroordelingen in dit arrest zullen zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
11. De uitspraak
Het hof:
vernietigt de vonnissen van de kantonrechter van 21 februari 2021 (en 14 april) 2021 waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:
ten aanzien van de eisers in eerste aanleg als genoemd onder 1 tot en met 26 in het tussenvonnis van 24 februari 2021 gezamenlijk (herstelvonnis 14 april 2021):
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 3.519,43 te betalen binnen 14 dagen na heden;
ten aanzien van de geïntimeerden in principaal appel en appellanten in incidenteel appel gezamenlijk:
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep van € 15.218,=, te betalen binnen 14 dagen na heden. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen in dit arrest voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,= extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
en voorts
ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 1]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 1] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 2.580,75 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 2.464,00 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2.437,12 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.490,88 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.676,80 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.953,32 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 1] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 2]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 2] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 2.092,48 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2086,56 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.941,84 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.142,72 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.071,44 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 2] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 3]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 3] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 1.976,40 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 2.123,68 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.930,24 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.190,24 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.401,92 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.669,76 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 3] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 4]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 4] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 1.415,04 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015
- -
Voor 2015 € 2.175,04 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.872,12 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.841,28 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.747,92 bruto, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 4] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 5]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 5] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 2.548,68 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
voor 2015 € 2.036,88 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.042,88 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.145,92 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.412,48 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 5] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 6]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 6] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 1.887,60 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
voor 2015 € 2.464,48 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.129,79 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.110,08 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 1.842,48 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 6] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 7] :
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 7] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2012 € 84,24 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2013;
- -
Voor 2013 € 2.779,92 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 2.432,64 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.163,68 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 564,48 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.672,46 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 1.276,16 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 7] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 8] :
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 8] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 2.039,04 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2.049,84 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.195,20 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.257,92 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.269,12 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 8] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 9]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 9] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 812,80 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 4.542,72 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 4.089,36 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.449,76 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.943,36 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 4.540,64 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 9] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 10]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 10] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 1.921,92 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.831,68 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.853,28 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.579,84 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.290,08 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 10] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 11]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 11] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 1.752,24 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2.282,88 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.964,16 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.115,84 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.549,12 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 11] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 12] :
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 12] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 2.060,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 3.022,16 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.956,48 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.536,80 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.313,36 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.412,72 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 12] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 13] :
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 13] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 674,64 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.536,68 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 3.240,12 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.272,16 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 3.482,40 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 13] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 14]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 14] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 2.413,62 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.810,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.950,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.072,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.546,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 14] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 15]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 15] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 1.011.12 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 827,28 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.308,48 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 7.001,20 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 1.725,36 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 15] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 16]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 16] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 2.002,88 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2.779,16 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.459,52 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.866,24 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.333,52 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 16] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 17]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 17] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 1.936,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 1.536,12 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.350,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.299,48 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 1.903,32 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 1986,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door Stevens voornoemd gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 18]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 18] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 1.153,28 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.977,60 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.320,96 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 1.920,60 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 2.508,80 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 18] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 12]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 12] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 1.892,16 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 2.329,28 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2.315,88 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.254,20 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 3.857,08 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 1.576,80 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 12] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 20] :
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 20] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 1.773,36 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.713,60 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.845,76 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.038,40 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 1.309,62 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 20] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 21]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 21] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 1.990,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 2.592,76 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.391,04 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.573,12 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 1.297,65 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 21] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 22]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 22] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2014 € 2.596,56 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2.663,11 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.582,72 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 2.544,48 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 1.585,20 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 22] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 23]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 23] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 2.880,80 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 3.119,02 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.257,15 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 372,39 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 292,01 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
- -
Voor 2018 € 240,75 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2019;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 23] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 24]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 24] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 1.737,60 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 2.127,60 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2.403,12 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 2.070,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
- -
Voor 2017 € 1.557,90 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2018;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 24] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 25]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 25] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 2.244,32 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 2.140,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 2.654,68 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 25] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Ten aanzien van de vordering [geïntimeerde sub 26]
veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde sub 26] te voldoen ter zake achterstallig vakantieloon:
- -
Voor 2013 € 2.376,= bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2014;
- -
Voor 2014 € 2.056,40 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2015;
- -
Voor 2015 € 1.741,44 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2016;
- -
Voor 2016 € 1.097,46 bruto vermeerderd met een wettelijke verhoging van 20% en met de wettelijke rente over beide brutobedragen vanaf 1 januari 2017;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de door [geïntimeerde sub 26] gevorderde buitengerechtelijke kosten af;
wijst hetgeen overigens meer of anders gevorderd is af;
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.M.H. Schoenmakers en C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 mei 2025.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 30‑01‑2024
Inhoudsindicatie
afwijzing van het verzoek om terug te komen op twee eindbeslissingen in het tussenarrest van 14 maart 2023 / gelegenheid tussentijds cassatieberoep alsnog geboden
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.294.183/01
arrest van 30 januari 2024
in de zaak van
Internationaal Transportbedrijf [ZZ] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. M.D. Vrolijk te Haarlem,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonend te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonend te [woonplaats] ,
3. [geïntimeerde 3] ,wonend te [woonplaats] ,
4. [geïntimeerde 4] ,
wonend te [woonplaats] ,
5. [geïntimeerde 5] ,
wonend te [woonplaats] ,
6. [geïntimeerde 6] ,
wonend te [woonplaats] ,
7. [geïntimeerde 7] ,
wonend te [woonplaats] ,
8. [geïntimeerde 8] ,
wonend te [woonplaats] ,
9. [geïntimeerde 9] ,
wonend te [woonplaats] ,
10. [geïntimeerde 10] ,
wonend te [woonplaats] ,
11. [geïntimeerde 11] ,
wonend te [woonplaats] ,
12. [geïntimeerde 12] ,
wonend te [woonplaats] ,
13. [geïntimeerde 13] ,
wonend te [woonplaats] ,
14. [geïntimeerde 14] ,
wonend te [woonplaats] ,
15. [geïntimeerde 15] ,
wonend te [woonplaats] ,
16. [geïntimeerde 16] ,
wonend te [woonplaats] ,
17. [geïntimeerde 17] ,
wonend te [woonplaats] ,
18. [geïntimeerde 18] ,
wonend te [woonplaats] ,
19. [geïntimeerde 19] ,
wonend te [woonplaats] ,
20. [geïntimeerde 20] ,
wonend te [woonplaats] ,
21. [geïntimeerde 21] ,
wonend te [woonplaats] ,
22. [geïntimeerde 22] ,
wonend te [woonplaats] ,
23. [geïntimeerde 23] ,
wonend te [woonplaats] ,
24. [geïntimeerde 24] ,
wonend te [woonplaats] ,
25. [geïntimeerde 25] ,
wonend te [woonplaats]
26. [geïntimeerde 26] ,
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk te noemen: de Chauffeurs,
advocaten: mrs. E.R. Peeters, I.F.H. Nelissen en S.J.M. Peters te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,
in vervolg op het tussenarrest van 14 maart 2023.
6. Het verdere geding in hoger beroep
6.1.
Bij tussenarrest van 14 maart 2023 heeft het hof onder meer overwogen (ECLI:NL:GHSHE:2023:839):
“Het toetsingskader: overuren ( [naam 1] / [naam 2] )
4.17.
Wat de vraag betreft of, en zo ja, wanneer overuren van de werknemer worden meegeteld voor de berekening van de vergoeding die verschuldigd is uit hoofde van het jaarlijks verlof met behoud van loon, is het arrest [naam 1] / [naam 2] van belang (HvJ EU 13 december 2018, C‑385/17, ECLI:EU:C:2018:1018).
In dit arrest heeft het HvJ EU erop gewezen dat vanwege het uitzonderlijke en onvoorspelbare karakter ervan, vergoedingen voor gemaakte overuren in beginsel geen deel uitmaken van het gewone loon waarop de werknemer tijdens de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 bedoelde jaarlijkse vakantie met behoud van loon aanspraak kan maken. Het HvJ EU overweegt vervolgens als volgt [vet door GHSHE]:
“47 Wanneer de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen van de werknemer vergen dat hij op regelmatige basis overuren maakt, en de vergoeding daarvan een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding die hij voor zijn beroepsactiviteit ontvangt, moet de vergoeding voor overuren echter worden meegeteld voor het gewone loon waarop hij tijdens de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 bedoelde jaarlijkse vakantie met behoud van loon recht heeft, zodat hij tijdens zijn vakantie economische voorwaarden geniet die vergelijkbaar zijn met die welke hij tijdens de uitoefening van zijn werk geniet. Het staat aan de verwijzende rechter om te verifiëren of dit in het hoofdgeding het geval is.”(…)
4.18.
Het hof gaat niet mee in het betoog van de Chauffeurs dat het vakantieloonbegrip niet uitsluitend aan de hand van de arresten [naam 3] /British Airways en/of [naam 1] / [naam 2] moet worden getoetst (grief III in incidenteel appel), maar dat eerst de vraag moet worden beantwoord of het gevorderde looncomponent onder het door de Hoge Raad gehanteerde ruime loonbegrip valt en dat – bij een ontkennend antwoord – daarna pas de vervolgvraag is of de genoemde arresten ertoe leiden dat het gevorderde looncomponent op basis van een richtlijnconforme interpretatie toch tot het vakantieloon moet worden gerekend (Gerechtshof Den Haag 14 september 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1746). Er is namelijk geen enkele aanwijzing dat de wetgever altijd al bedoeld heeft dat onder het loonbegrip van artikel 7:639 lid 1 BW ook toeslagen en overuren vallen gezien de chronologie van de aanpassingen van het betreffende wetsartikel en de nationale jurisprudentie daarover vóór de hier bedoelde Europese uitspraken. Ook de stelling van de Chauffeurs dat de overwerkvergoedingen óók moeten worden getoetst aan het arrest [naam 3] /British Airways en dat geen tot weinig zelfstandige waarde moet worden toegekend aan de voorwaarden neergelegd in het arrest [naam 1] / [naam 2] , is naar het oordeel van het hof niet juist.
(…)
Overuren ( [naam 1] / [naam 2] )
4.26.
De Chauffeurs zijn ook van mening dat – naast de hiervoor in 4.23 genoemde toeslagen – de overuren en in dat kader verschuldigde toeslagen ten onrechte tijdens vakantie niet zijn doorbetaald en vorderen dit alsnog. Voor de beantwoording van de vraag of overuren en in dat kader betaalde toeslagen tijdens vakantie naar evenredigheid moeten worden doorbetaald, dan wel of gemaakte overuren rekenkundig meetellen bij de berekening van het gebruikelijk vakantieloon, is – zoals onder 4.17. al aangegeven – het arrest [naam 1] / [naam 2] van belang.
Anders dan de Chauffeurs betogen in het kader van grief II in incidenteel appel (zie eerder) koppelt het hof niet de overuren enerzijds en de toeslagen daarover los, maar beschouwt ze al bij elkaar horend.
Uit het arrest [naam 1] / [naam 2] – dat ook in latere HvJ EU arresten als uitgangspunt dient in het kader van vakantieloon en overuren: zie onderdeel 43 van HvJ EU 13 januari 2022, C-514/20 inzake [x] vs [y] Personalsdienstleistungen, ECLI:EU:C:2022:19 – volgt dat overuren in beginsel geen deel uitmaken van het vakantieloon vanwege het uitzonderlijke en onvoorspelbare karakter ervan, tenzij (a) de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen van de werknemer vergen dat (b) hij op regelmatige basis overuren maakt en (c) de vergoeding daarvan een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding die hij voor zijn beroepsactiviteit ontvangt.
Naar het oordeel van het hof kan in de situatie van de Chauffeurs niet gezegd worden dat de overuren een uitzonderlijk en onvoorspelbaar karakter hebben. Het is het hof namelijk gebleken dat de overuren een belangrijk onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van [appellante] en ook voor de Chauffeurs. Voor het antwoord op de vraag of de overuren van de Chauffeurs deel uitmaken van het vakantieloon, moet het hof dus de (vervolg)vraag beantwoorden of sprake is van de tenzij-situatie, en de in dat kader te beantwoorden deelvragen.
Het hof wenst daarbij – anders dan klaarblijkelijk de kantonrechter – wel waarde te hechten aan de andere evenzeer authentieke taalversies van het arrest [naam 1] , waaronder die van de Duitse taal dat in die uitspraak de procestaal was.
In het hiernavolgende zal het hof de verschillende onderdelen (a) tot en met (c) behandelen. (…)
a. de verplichting overuren te maken
4.29.
Het hof oordeelt als volgt. In het arrest van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:1746) heeft het hof Den Haag geoordeeld dat de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen naar Nederlands recht niet alleen die verplichtingen zijn die letterlijk in de schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn verwoord. Verplichtingen van een werknemer kunnen volgens het hof Den Haag ook voortvloeien uit een mondelinge overeenkomst of uit een overeenkomst die stilzwijgend tot stand is gekomen. Van dat laatste is volgens het hof Den Haag sprake als partijen uit verklaringen en gedragingen over en weer redelijkerwijs mochten afleiden dat sprake was van een overeenkomst tot het verrichten van overwerk, zonder dat daarbij een of meer specifieke momenten zijn aan te wijzen waarop partijen dit expliciet met elkaar hebben afgesproken. Dit hof kan zich volledig vinden in deze overwegingen van het hof Den Haag.
4.30.
Vast staat dat de Chauffeurs jarenlang structureel en in grote mate hebben overgewerkt. [appellante] heeft deze situatie laten ontstaan en laten voortbestaan. [appellante] heeft daarmee ingestemd. De Chauffeurs worden namelijk stelselmatig ingeroosterd voor ritten op een wijze die (nagenoeg onvermijdelijk) tot overwerk zal en moet leiden. De Chauffeurs kunnen namelijk niet tijdens een rit stoppen, maar zij zullen deze rit moeten afmaken. Het is aannemelijk dat een chauffeur die internationale ritten maakt, meer dan 40 uur werkt. Daarbij komt de cao-bepaling die bepaalt dat een werknemer van 55 jaar en ouder niet verplicht kan worden tot het maken van overuren. Hierdoor is het aannemelijk dat overwerk onderdeel is van de werkzaamheden in de transportsector en dat voor een bepaalde groep (oudere) werknemers, voor wie het maken van overuren belastend kan zijn, voorzieningen moesten worden getroffen. De stelling van [appellante] dat chauffeurs met de leeftijd van 50 jaar en ouder niet kunnen worden verplicht tot het maken van overwerk, maakt niet dat de feitelijke situatie anders is.
4.31.
De aard van het werk brengt dus mee dat het overwerk een onderdeel is geworden van de verbintenissen die voor werkgever en werknemer uit de overeenkomst voortvloeien, zodat sprake is van de in het arrest [naam 1] / [naam 2] bedoelde situatie dat het overwerk ‘arbeitsvertraglich verpflichtet’ is (Duitse taalversie), althans sprake is van de situatie dat “les obligations découlant du contrat de travail exigent du travailleur qu’il accomplisse des heures supplémentaires” (Franse taalversie, vet GHSHE).
b. het op regelmatige basis maken van overuren (regelmatig en voorzienbaar)
(…)
c. de vergoeding voor overuren vormt een belangrijk onderdeel van het loon
(…)
4.38.
De vergoeding van overuren vormt naar het oordeel van het hof een “belangrijk onderdeel” van de totale vergoeding, als de vergoeding van overuren 25% of meer onderdeel vormt van het totale uitbetaalde brutoloon in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de vakantie wordt opgenomen. Dit behalve als er bijzondere omstandigheden zijn die dwingen tot een andere referentieperiode in dat betreffende jaar – als sprake is van een lager percentage dan 25% –. Bijvoorbeeld als een chauffeur door langdurige ziekte minder overuren maakt dan wat voor deze chauffeur gebruikelijk is (geweest).
(…)
De buitengerechtelijke incassokosten
4.58.
Volgens [appellante] moeten de door de kantonrechter toegewezen buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen dan wel sterk worden gematigd (grief XIV in principaal appel).
De Chauffeurs hebben hun vordering ter zake gehandhaafd.
Het hof wijst de buitengerechtelijke incassokosten af.
4.59.
De in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten neergelegde normering van de vergoeding voor incassokosten – ter uitwerking van artikel 6:96 BW – leent zich met name voor de gevallen waarin de omvang van de te innen vordering (de hoofdsom) gemakkelijk is vast te stellen. Dit betreft dan voornamelijk uit overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen tot betaling van een geldsom, waarvan de omvang van de geldsom in de overeenkomst is vastgesteld, dan wel daaruit eenvoudig valt af te leiden. Gedacht kan worden aan een rekening van een telefoonprovider (Staatsblad 2012-141, onder ‘4. Toepassingsbereik van de regeling’).
4.60.
De vorderingen van de Chauffeurs, zoals in onderhavige zaak aan de orde, vallen niet onder voornoemd besluit. De vorderingen zijn namelijk niet “eenvoudig” vast te stellen. Dit betekent dat aan de hand van het Rapport Voorwerk II de buitengerechtelijke kosten moeten worden vastgesteld, en wel aan de hand van de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets.
Door de Chauffeurs zijn de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden niet tot amper onderbouwd. In hoger beroep is aangevoerd dat door diverse chauffeurs een sommatiebrief is gestuurd. Dat is in beginsel niet voldoende om buitengerechtelijke kosten te kunnen vorderen.
Ook indien moet worden aangenomen dat nog daarnaast namens hen gezamenlijk een brief is verstuurd of een verzoek om een schikkingsvoorstel is gedaan, zullen in het beste geval de daarmee gemoeide kosten van kleur verschieten indien een proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken (artikel 241 Rv).
(…)
Nieuwe overzichten en berekeningen moeten er komen
4.62.
Het hof acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om in deze zaak definitief een beslissing te kunnen nemen, waarbij te gelden heeft dat het hof de zaak verder aan zich houdt op de voet van artikel 356 Rv, nu dit gezien hetgeen in dit tussenarrest al is beslist bijdraagt aan een doelmatige afdoening.
Het ligt voorts op de weg van [appellante] als meest gerede partij om nieuwe overzichten te overleggen. De overzichten moeten per individuele chauffeur en per relevant kalenderjaar zijn opgesteld. Het overzicht moet per individuele chauffeur inzichtelijk maken wanneer (en hoeveel) de verlofdagen in het relevante kalenderjaar zijn opgenomen. Daarbij moet duidelijk en op een inzichtelijke wijze onderscheid worden gemaakt tussen de (boven)wettelijke vakantiedagen en de (afgekochte dan wel genoten) atv-dagen. Het overzicht moet ook de uitbetaalde bruto toeslagen (als vermeld in 4.23) enerzijds en overwerkuren en daarbij horende bruto toeslagen anderzijds per kalenderjaar bevatten, alsook of met betrekking tot ieder jaar sprake is van 25% of meer uitbetaling van overuren ten opzichte van het totale brutojaarloon.
In zoverre slaagt de grief VI.b in incidenteel appel ook, nu de Chauffeurs zich niet meer hoeven uit te laten over de eerder overgelegde overzichten. Wel zal hen de gelegenheid worden geboden zich uit te laten over de hiervoor bedoelde nieuwe overzichten.
Kortom, het moet voor het hof duidelijker worden wat een individuele chauffeur nog tegoed heeft aan achterstallig vakantieloon in het licht wat in dit arrest is overwogen.
4.63.
Het hof draagt [appellante] daarom op om, uiterlijk op de in het dictum van dit arrest vermelde datum, een overzicht per chauffeur in het geding te brengen.
4.64.
Na ontvangst van dit overzicht, zal aan de Chauffeurs de gelegenheid worden geboden na vier weken middels een akte per individuele chauffeur te reageren op het overzicht van [appellante] .
[appellante] zal desgevraagd inzage geven in de verlofadministratie per Chauffeur ter zake de relevante periode, bij voorkeur via uitdraaien of kopieën (en voor zover al niet verschaft in het kader van onderdeel 4.62).
Desgewenst kan verder aan de kant van de Chauffeurs gereageerd worden op individuele gevallen, bijvoorbeeld ten aanzien van een afwijkende referentieperiode in het kader van de overuren – als de werknemer onder de 25% uitkomt –. De betreffende chauffeurs zullen dan moeten onderbouwen met bewijsstukken dat er sprake was van ziekte of anderszins een belemmering als gevolg waarvan een andere referentieperiode zou moeten gelden.
[appellante] zal daarop nog apart mogen reageren.”
6.2.
Bij akte na tussenarrest van 11 april 2023, ingekomen middels H3-formulier ter griffie van dit hof op 7 april 2023, heeft [appellante] overzichten en berekeningen overgelegd met betrekking tot ieder van de Chauffeurs, namelijk ‘overzicht onregelmatigheidstoeslagen en overwerkvergoedingen, jaarloonstroken, verlofkaarten en overzicht verlofdagen’ (producties 80a t/m 105d) en daarbij een toelichting gegeven. [appellante] meent (al dan niet subsidiair) dat het thans redelijk is om de proceskosten te compenseren, zodat elke partij de eigen kosten draagt van beide instanties. Vervolgens heeft [appellante] op 9 mei 2023 nog een akte overlegging aanvullende producties (nr. 106a t/m 131b) ingediend met daarbij de ritadministratie per chauffeur betreffende 2013 en 2014 alsook de maandloonstroken per chauffeur betreffende 2012 en 2013, voor zover toen in dienst. Deze stukken zijn onderhands tussen partijen al gewisseld op verzoek van de advocaat van de Chauffeurs.
6.3.
Bij antwoordakte na tussenarrest, tevens verzoek terugkomen van bindende eindbeslissing, van 9 mei 2023 met producties (nr. 140 t/m 168), ingekomen middels H3-formulier ter griffie van dit hof op 24 april 2023, zijn de Chauffeurs eerst ingegaan op de algemene uitgangspunten die [appellante] heeft gehanteerd. Vervolgens hebben de Chauffeurs per chauffeur afzonderlijk gereageerd op de door [appellante] overgelegde overzichten.
De Chauffeurs hebben verder een verzoek gedaan om terug te komen van een bindende eindbeslissing (r.o. 4.58. t/m 4.60), omdat hieraan een onjuiste juridische grondslag ten grondslag zou liggen. De Chauffeurs hebben dit als volgt gemotiveerd. Uit r.o. 4.59. en 4.60. blijkt dat het hof van oordeel is dat de vorderingen van de Chauffeurs buiten de reikwijdte van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit) vallen, omdat de vorderingen niet eenvoudig zijn vast te stellen. De Chauffeurs zijn echter van oordeel dat de vraag of vorderingen wel/niet eenvoudig zijn vast te stellen, geen criterium is voor de vraag of het Besluit van toepassing is. Volgens de Chauffeurs is uitsluitend relevant de vraag of sprake is van een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom. De Chauffeurs hebben hiervoor verwezen naar artikel 1 van het Besluit1.en de Nota van Toelichting (de paragrafen ‘1. Algemeen’ en ‘4. Toepassingsbereik van de regeling’) bij het Besluit [onderstreept door mr. Peeters]:
“NOTA VAN TOELICHTING
1. Algemeen
(…)
Het besluit normeert de incassokosten van geldvorderingen. (…) In paragraaf 4 wordt de reikwijdte van de regeling nader toegelicht. (…)
De wettelijke normering van de buitengerechtelijke incassokosten biedt rechtszekerheid over de hoogte van de vergoeding voor incassokosten en voorkomt conflicten daarover. Gedacht kan worden aan gevallen waarin de schuld op zichzelf niet wordt betwist, maar de schuldenaar het op een gerechtelijke procedure laat aankomen omdat hij de incassokosten te hoog vindt. Doordat wettelijk wordt vastgelegd hoe hoog de incassokosten mogen zijn, behoeven vragen over de redelijkheid van de hoogte van de incassokosten niet meer voor de rechter te komen. Ook wordt voorkomen dat de schuldenaar ten onrechte veel te hoge incassokosten betaalt omdat hij niet beter weet. Met de wettelijke regeling is voor partijen veel duidelijker welke incassokosten in rekening mogen worden gebracht. Indien meer in rekening wordt gebracht dan de wettelijke regeling toelaat, zal de schuldenaar dit meerdere niet hoeven te betalen. Door te werken met een forfaitaire vergoeding kunnen de schuldenaar en de schuldeiser zelf eenvoudig de maximale vergoeding voor de incassokosten vaststellen op basis van de wettelijke regeling.
(…)
4. Toepassingsbereik van de regeling
In artikel 1 is het toepassingsbereik van de regeling gegeven. De in dit besluit neergelegde normering van de vergoeding voor incassokosten, leent zich met name voor de gevallen waarin de omvang van de te innen vordering (de hoofdsom) gemakkelijk is vast te stellen. Dit betreft dan voornamelijk uit overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen tot betaling van een geldsom, waarvan de omvang van de geldsom in de overeenkomst is vastgesteld, dan wel daaruit eenvoudig valt af te leiden. Gedacht kan worden aan het geval dat een consument een computer koopt en de overeengekomen aanschafprijs dient te voldoen. Indien de schuldeiser tot incassohandelingen moet overgaan, is het verschuldigde bedrag eenvoudig vast te stellen, namelijk de aanschafprijs van de computer. Bij een verbintenis tot betaling van een geldsom waarvan de omvang eenvoudig uit de overeenkomst is af te leiden, kan gedacht worden aan een rekening van een telefoonprovider.
De omvang van een wettelijke of contractuele verplichting tot schadevergoeding is daarentegen niet eenvoudig vast te stellen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een bedrijfsongeval, waarbij bijvoorbeeld alleen al over de aansprakelijkheid en de omvang van de schade onenigheid kan bestaan. De kosten om deze vorderingen te «innen» zijn derhalve mede afhankelijk van de mate van betwistbaarheid van de vordering. De vergoeding voor deze kosten is daardoor ook niet eenvoudig te normeren. Dit geldt temeer omdat het in dergelijke gevallen moeilijk is de incassokosten te onderscheiden van de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Dit besluit geeft voor deze laatste kosten geen regeling. Verbintenissen tot vergoeding van schade vallen dus buiten deze regeling. Dit is alleen anders indien partijen het over de omvang van de schadevergoeding eens zijn en die in een overeenkomst hebben vastgelegd. In dergelijke gevallen kan uit de vaststellingsovereenkomst worden afgeleid wat de schuldenaar verschuldigd is en is er geen bezwaar dit besluit daarop van toepassing te laten zijn.
(…)”
Volgens de Chauffeurs blijkt uit de Nota van Toelichting dat de Minister weliswaar een onderscheid heeft willen maken tussen 'eenvoudig' vast te stellen vorderingen en 'niet eenvoudig' vast te stellen vorderingen, maar in het kader van de reikwijdte van het Besluit heeft de Minister dit volgens de Chauffeurs echter slechts vertaald in (a.) uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom (eenvoudig vast te stellen) en (b.) wettelijke of contractuele verplichtingen tot schadevergoeding (niet eenvoudig vast te stellen). Volgens de Chauffeurs blijkt dit uit de woorden ‘met name’ en ‘voornamelijk’ en uit de zin “omvang van een wettelijke of contractuele verplichting tot schadevergoeding is daarentegen niet eenvoudig vast te stellen” in de Nota van Toelichting en uit de woorden van artikel 1 van het Besluit. Bovendien is in de algemene toelichting bij het Besluit opgenomen dat het Besluit beoogt procedures over de redelijkheid van de vergoeding te voorkomen en rechtszekerheid te bieden. Hiermee strookt niet dat voor de vraag of het Besluit van toepassing is, afzonderlijk zou moeten worden beoordeeld of een verbintenis c.q. geldsom eenvoudig is vast te stellen, aldus de Chauffeurs. Ten slotte hebben de Chauffeurs aangegeven dat uit de wet, noch het Besluit, volgt dat het advies van 23 november 2009 (om geldvorderingen van werknemers tegen hun werkgever (loonvorderingen) buiten het toepassingsbereik van de wet en het Besluit te laten vallen) van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak naar aanleiding van het concept wetsvoorstel en het concept besluit ter normering van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is opgevolgd (productie 168). De Chauffeurs zijn dan ook van oordeel dat de bindende eindbeslissing in r.o. 4.58. t/m 4.60. berust op een onjuiste juridische grondslag en hebben het hof verzocht om hiervan terug te komen en de buitengerechtelijke incassokosten alsnog toe te wijzen.
6.4.
Bij antwoordakte na tussenarrest, tevens houdende antwoordakte verzoek terugkomen van bindende eindbeslissing van 27 juni 2023, ingekomen middels H3-formulier ter griffie van dit hof op 26 juni 2023, heeft [appellante] gereageerd op de antwoordakte van de Chauffeurs van 9 mei 2023.
[appellante] meent ten aanzien van het verzoek terugkomen van bindende eindbeslissing dat daar geen ruimte voor is. Volgens [appellante] is het uitgangspunt immers dat indien in een tussenarrest over één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist, dat het hof hieraan is gebonden en dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit is volgens [appellante] alleen anders als de eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en daarvan is in casu geen sprake bij het afwijzen van de buitengerechtelijke incassokosten onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij het Besluit waaruit af te leiden valt dat dit Besluit zich niet leent voor gevallen waarin de omvang van de te innen vordering (de hoofdsom) niet gemakkelijk is vast te stellen. Volgens [appellante] kan in onderhavige kwestie de geldsom allesbehalve makkelijk worden vastgesteld en is ook de vraag of uit de (arbeids)overeenkomst blijkt of überhaupt een geldsom verschuldigd is, niet gemakkelijk vast te stellen. Het verzoek van de Chauffeurs moet volgens [appellante] dan ook worden afgewezen.
6.5.
Bij akte houdende verzoek terugkomen op bindende eindbeslissing door recente uitspraak Hoge Raad, van 11 juli 2023, ingekomen middels H3-formulier ter griffie van dit hof op 10 juli 2023, hebben de Chauffeurs het hof voorts verzocht om terug te komen van de bindende eindbeslissing in r.o. 4.18. naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:816 (NS Reizigers/werknemer), omdat aan genoemde beslissing van het hof een onjuiste juridische grondslag ten grondslag ligt. De Chauffeurs hebben dit als volgt gemotiveerd.
De Chauffeurs hebben in hoger beroep verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1017. Volgens de Chauffeurs volgt uit deze uitspraak dat de Hoge Raad heeft aangenomen dat de wetgever met het vakantieloonbegrip heeft beoogd dat hieronder niet slechts het basisloon valt, maar het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 9 juni 2023 (NS Reizigers/werknemer) (zie r.o. 3.2.2) bevestigd dat voorgaande uitspraak uit 1990 ongewijzigd van kracht is gebleven. Volgens de Chauffeurs volgt hieruit dat het arrest van de Hoge Raad uit 1990, ook na de komst van de Arbeidstijdenrichtlijn en de rechtspraak van het Europese Hof van justitie, haar kracht heeft behouden. Conform de jurisprudentie van de Hoge Raad dient volgens de Chauffeurs dus beoordeeld te worden of de gevorderde vergoedingen en toeslagen (waaronder de overwerkvergoedingen) onderdeel zijn van het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon, in plaats van de vraag of de wetgever heeft bedoeld dat onder het loonbegrip van artikel 7:639 lid 1 BW ook toeslagen en overuren vallen. Volgens de Chauffeurs berust r.o. 4.18. dus op een onjuiste juridische grondslag.
Ten aanzien van het belang van de Chauffeurs bij heroverweging is het volgende naar voren gebracht. De Hoge Raad stelt niet als vereiste dat een overwerkvergoeding (of enige andere vorm van loon) een belangrijk onderdeel moet vormen van het totale salaris, zodat de discussie over het 25%-percentage naar het oordeel van de Chauffeurs thans onnodig wordt gevoerd/irrelevant is. Voorts komt bij de Chauffeurs de vraag op hoe het 25%-percentage voor hen in de toekomst werkt. De Chauffeurs, maar ook werknemers in andere branches, hebben belang bij een meer eenvoudig toetsingskader voor de toekomst en dat biedt de uitspraak van de Hoge Raad.
De Chauffeurs zien ook niet in om welke reden(en) de 30%-, 130%-,150%- en/of 200%-vergoedingen niet zouden kwalificeren als zijnde onderdeel van het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon gezien de arresten van de Hoge Raad uit 1990 en 2023.
Gelet op het voorgaande zijn de Chauffeurs van oordeel dat de bindende eindbeslissing in r.o. 4.18. berust op een onjuiste juridische grondslag en verzoeken zij het hof om hiervan terug te komen, de beoordeling van grief III in heroverweging te nemen en alsnog primair te toetsen of de gevorderde vergoedingen/toeslagen onderdeel zijn van het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon. Volledigheidshalve merken de Chauffeurs op dat dit verzoek zich ook uitstrekt tot de rechtsoverwegingen waarin vervolgens (juridisch) wordt getoetst aan [naam 3] /British Airways en [naam 1] / [naam 2].
6.6.
Bij antwoordakte verzoek terugkomen van bindende beslissing door recente uitspraak Hoge Raad van 15 augustus 2023, ingekomen middels H3-formulier ter griffie van dit hof op 11 augustus 2023, heeft [appellante] gesteld dat er geen ruimte is om terug te komen van de genomen bindende eindbeslissing. Volgens appellante is het uitgangspunt dat, indien in een tussenarrest over één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist, het hof hieraan is gebonden en dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit is alleen anders als de eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Appellante meent dat in onderhavige kwestie daarvan in r.o. 4.18. geen sprake is.
Volgens [appellante] stellen de Chauffeurs namelijk ten onrechte dat de Hoge Raad in haar arrest van 9 juni 2023 geoordeeld zou hebben dat het loonbegrip ex artikel 7:639 lid 1 BW niet ingevuld mag worden aan de hand van [naam 3] /British Airways en [naam 1] / [naam 2] . Integendeel, de uitspraak van de Hoge Raad gaat volgens [appellante] namelijk in het geheel niet over de invulling van het loonbegrip ex artikel 7:639 lid 1 BW, maar over de vraag of er onderscheid mag worden gemaakt tussen de waarde van een wettelijke vakantiedag en van een bovenwettelijke vakantiedag. Dat mag niet, aldus de Hoge Raad, zowel wettelijke als bovenwettelijke vakantiedagen hebben dezelfde waarde. Maar wat die waarde van een vakantiedag dan moet zijn en hoe die precies moet worden vastgesteld, daar laat de Hoge Raad zich volgens [appellante] in het geheel niet over uit. Het voorgaande wordt volgens [appellante] ook bevestigd in annotaties onder het arrest van 9 juni 2023.
Het hof heeft in het tussenarrest van 14 maart 2023 al geoordeeld dat geen onderscheid mag worden gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Volgens [appellante] heeft het hof dus reeds in lijn met het arrest van de Hoge Raad uit 2023 geoordeeld. Het verzoek van de Chauffeurs aan het hof om terug te komen van de bindende eindbeslissing, moet volgens [appellante] daarom worden afgewezen.
7. De verdere beoordeling
7.1.
Het hof zal in dit arrest zich buigen over beide verzoeken om terug te komen op de door de Chauffeurs respectief bestreden bindende eindbeslissingen. Hetgeen overigens door partijen in hun diverse, hiervoor genoemde, aktes naar voren is gebracht, zal in een later stadium van deze procedure aan de orde kunnen komen.Beide verzoeken zijn in het licht van vaste rechtspraak ontvankelijk, nu in beide gevallen wordt aangevoerd dat het hof een onjuiste juridische grondslag heeft gehanteerd.
7.2.
Het hof wijst beide verzoeken af, hetgeen hieronder nader zal worden gemotiveerd.
Verzoek 1: het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
7.3.
Uit de door de Chauffeurs aangehaalde citaten blijkt naar het oordeel van het hof dat de scheidslijn “eenvoudig / niet eenvoudig” is zoals bedoeld in artikel 1 Besluit BIK. I.c. is sprake van “niet eenvoudige vorderingen” (vergelijk ook het Rapport BGK Integraal 2013, p. 10) nu tussen partijen nog volop in discussie is of en zo ja hoe de vorderingen berekend dienen te worden.2.Het hof zal in onderstaand (herhaald, zie r.o. 6.3. van dit tussenarrest) citaat vetgeprint aangeven waaruit genoemde scheidslijn blijkt, in aanvulling op haar eerdere beslissingen op dit punt:
De in dit besluit neergelegde normering van de vergoeding voor incassokosten, leent zich met name voor de gevallen waarin de omvang van de te innen vordering (de hoofdsom) gemakkelijk is vast te stellen. Dit betreft dan voornamelijk uit overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen tot betaling van een geldsom, waarvan de omvang van de geldsom in de overeenkomst is vastgesteld, dan wel daaruit eenvoudig valt af te leiden. Gedacht kan worden aan het geval dat een consument een computer koopt en de overeengekomen aanschafprijs dient te voldoen. Indien de schuldeiser tot incassohandelingen moet overgaan, is het verschuldigde bedrag eenvoudig vast te stellen, namelijk de aanschafprijs van de computer. Bij een verbintenis tot betaling van een geldsom waarvan de omvang eenvoudig uit de overeenkomst is af te leiden, kan gedacht worden aan een rekening van een telefoonprovider.
Verzoek 2: Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:816 (NS Reizigers/werknemer)
7.4.1.
In bovengenoemde uitspraak heeft de Hoge Raad op het punt van vakantiedagen het volgende beslist:
3.2.1
Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 2.9 e.v. ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 7:639 BW aldus moet worden uitgelegd dat het loonbegrip dat geldt voor de wettelijke (minimum)vakantiedagen onverkort geldt voor bovenwettelijke vakantieaanspraken. Het hof heeft miskend dat die bepaling, respectievelijk afdeling 7.10.3 BW, toestaan dat voor bovenwettelijke vakantiedagen een ander, minder ruim loonbegrip wordt overeengekomen dan voor wettelijke vakantiedagen, aldus het onderdeel.
3.2.2
Van de bepalingen van afdeling 7.10.3 (art. 7:634-7:643 BW) kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken, tenzij zodanige afwijking bij die bepalingen is toegelaten (art. 7:645 BW). Art. 7:639 BW bepaalt dat de werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt. Met loon wordt daarbij bedoeld het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon.[noot 4 Vgl. HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1017, rov. 3.3 ] De bepaling maakt voor het recht op loon geen onderscheid tussen de wettelijk voorgeschreven vakantie en bovenwettelijke vakantie. Een dergelijk onderscheid volgt evenmin uit andere bepalingen van afdeling 7.10.3, waarin voor enkele andere onderwerpen wel onderscheid wordt gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.31 e.v.). Het hof heeft dus met juistheid geoordeeld dat de wet niet toestaat dat voor bovenwettelijke vakantie een minder ruim loonbegrip wordt overeengekomen dan geldt voor wettelijke vakantie. De klacht faalt.
7.4.2.
Het hof heeft in zijn eerste tussenarrest (r.o. 4.14) al aangegeven dat er tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen geen onderscheid moet worden gemaakt qua loonaanspraak als zodanig.
Door de Chauffeurs is thans kort gezegd de vraag opgeworpen of uit onderdeel 3.2.2. van de uitspraak van de Hoge Raad als hierboven deels geciteerd, kan worden opgemaakt dat r.o. 4.18 van het eerste tussenarrest onjuist is, en daarmee de vervolgens door het hof aan de hand van uit Europese jurisprudentie blijkende criteria uitgevoerde beoordeling ten aanzien van overuren en de daarbij horende toeslagen als bedoeld in r.o. 4.26 van het eerste tussenarrest (als niet te verwarren met overige toeslagen, als behandeld in r.o. 4.19 e.v. van het eerste tussenarrest, van welke beslissing de Chauffeurs niet wensen dat het hof daarop terugkomt).
7.4.3.
Het hof ziet in het weergeven citaat geen reden terug te komen op zijn beslissing op dit punt. Het hof leest in deze overweging niet dat onder het ruime loonbegrip ook de vergoeding voor overwerk, zowel incidenteel als structureel, op enig moment in welke omvang dan ook uitgevoerd, moet worden gerekend. Dit alles los van de Europese ontwikkelingen als door het hof in het eerste tussenarrest besproken en de door het hof daaruit afgeleide beperking(en).
7.4.4.
Ook de conclusie van AG bij genoemd arrest van de HR (AG De Bock 16 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1198) geeft het hof geen reden tot een ander oordeel, nu een benadering als voorgestaan door de Chauffeurs niet blijkt uit de volgens het hof in dit kader relevante passages uit die conclusie:
“Het begrip 'loon' in art. 7:639 BW
4.26
Art. 7:639 lid 1 BW bepaalt dat de werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt. De bepaling specificeert niet wat in dit verband onder 'loon' moet worden verstaan.
4.27
In een arrest uit 1990 heeft de Hoge Raad overwogen dat met het 'loon' als bedoeld in (de voorganger van) art. 7:639 lid 1 BW wordt bedoeld 'het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon.' Het ging in dit arrest om de uitleg van art. 1638ii BW (oud), dat bepaalde dat de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst recht heeft op uitbetaling van zijn opgebouwde vakantieaanspraken (thans: art. 7:641 lid 1 BW). De Hoge Raad overwoog dat deze bepaling blijkens de wetsgeschiedenis tot doel heeft de werknemer in staat te stellen bij zijn nieuwe werkgever verlof zonder behoud van loon op te nemen. In de parlementaire geschiedenis is hierover vermeld :
"Teneinde deze uitkering in geld overeenkomstig haar doel te kunnen aanwenden, moet de arbeider bij zijn nieuwe werkgever zoveel dagen als met de uitkering overeenkomt vrijaf kunnen nemen."
4.28
Met deze bedoeling van de wetgever zou volgens de Hoge Raad niet stroken dat bij de uitleg van (thans) art. 7:641 lid 1 BW van een beperkter loonbegrip zou worden uitgegaan dan bij de toepassing van (thans) art. 7:639 lid 1 BW. De overweging dat onder loon moet worden verstaan het 'gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon’ duidt erop dat het begrip 'loon' in art. 7:639 lid 1 BW ruim dient te worden uitgelegd.
4.29
Ook in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU over de uitleg van art. 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn (zie hiervoor onder 4.6) is een ruim loonbegrip tot ontwikkeling gekomen. Uit die rechtspraak volgt dat de werknemer tijdens vakantie recht heeft op zijn gebruikelijke loon. De werknemer dient tijdens zijn vakantie in een situatie te worden gebracht die qua beloning
vergelijkbaar is met de situatie waarin de werknemer verkeert in periodes waarin hij arbeid verricht. Overigens zij hier wederom opgemerkt dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in dit verband enkel richtinggevend wordt geacht voor zover het de wettelijke aanspraak op minimumvakantie betreft en dus geen betrekking heeft op bovenwettelijke vakantieaanspraken”.(….)4.38 Ook in de feitenrechtspraak wordt veelal geoordeeld dat art. 7:639 BW geen afwijking ten nadele van de werknemer toelaat. Slechts in enkele uitspraken is aangenomen dat voor bovenwettelijke vakantiedagen een ander loonbegrip overeengekomen mag worden. Deze opvatting is veelal gebaseerd op de overweging dat het ruimere loonbegrip dat voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU alleen betrekking heeft op het recht op minimaal vier weken vakantie per jaar.
4.39
Op zichzelf is het juist dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU over het vakantieloon, alleen betrekking heeft op het wettelijke minimum van vier weken vakantie per jaar.
Zo overweegt het Hof van Justitie in het TSN-arrest (…):
"Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat het derhalve aan de lidstaten om, ten eerste, te beslissen of zij de werknemers al dan niet extra dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon toekennen boven op de bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 gewaarborgde minimumperiode van vier weken en, ten tweede, in voorkomend geval de voorwaarden voor het toekennen en het vervallen van die extra vakantiedagen vast te stellen, waarbij zij in dit verband niet gehouden zijn de beschermingsregels die het Hof met betrekking tot die minimumperiode heeft ontwikkeld, in acht te nemen."
4.40
Hoewel uit deze overweging volgt dat lidstaten voor wat betreft de bovenwettelijke vakantiedagen niet gebonden zijn aan de beschermingsregels die het Hof van Justitie heeft ontwikkeld, kan hieruit niet worden afgeleid dat in individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten ten nadele van de werknemer van art. 7:639 BW mag worden afgeweken. Het Europese Hof overweegt immers dat het lidstaten vrijstaat om voor bovenwettelijke vakantieaanspraken afwijkende regels vast te stellen (zie onderstreping in citaat). De Nederlandse wetgever heeft er echter niet voor gekozen om dergelijke afwijkende regels vast te stellen op het gebied van het vakantieloon dat voortvloeit uit art. 7:639 lid 1 BW (zie onder 4.30-4.31). Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het begrip 'loon' in art. 7:639 lid 1 BW betrekking heeft op zowel wettelijke als bovenwettelijke vakantiedagen”.
Tussentijds cassatieberoep
7.5.1.
Het hof heeft in r.o. 4.68 van het eerste tussenarrest aangegeven bewust geen tussentijds cassatieberoep toe te staan, dit teneinde aldus tot een spoedige eindbeslissing te kunnen komen.
7.5.2.
De na het eerste tussenarrest ontsponnen discussie en geopperde bezwaren, vooral naar aanleiding van de door [appellante] overgelegde stukken inclusief alsnog opgemaakte verlofadministratie betreffende de jaren 2012 tot en met 2014 na – klaarblijkelijk – vernietiging, maakt het niet denkbeeldig dat wederom nieuwe berekeningen moeten worden opgemaakt, hetzij geheel hetzij deels. Een spoedige eindbeslissing ligt daarom thans niet (meer) in het verschiet.
7.5.3.
Gezien de door de Chauffeurs met name op het punt van de recente uitspraak van de Hoge Raad gedane verzoek, als hierboven afgewezen, als de eerder al genomen beslissingen, en gezien de onder r.o. 7.5.2 weergegeven mogelijkheid, acht het hof het thans zinvol partijen de gelegenheid te bieden alsnog in tussentijds cassatieberoep te gaan.
7.5.4.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. De zaak zal naar de rol worden verwezen op een termijn van 3 maanden en een week voor uitlating door beide partijen (ieder voor zich) ter zake gebruikmaken van tussentijdse cassatieberoepmogelijkheid.
8. De uitspraak
Het hof:
staat tussentijds cassatieberoep toe van dit tussenarrest en van het eerste tussenarrest;
verwijst de zaak naar de rol van 7 mei 2024 voor de in r.o. 7.5.4. bedoelde gelijktijdige uitlating van beide partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 januari 2024.
griffier rolraadsheer
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑01‑2024
Uitspraak 14‑03‑2023
Inhoudsindicatie
art. 7:639 lid 1 BW/ De door de chauffeurs ontvangen toeslagen maken onderdeel uit van het loon dat tijdens vakanties doorbetaald moet worden/ de overwerkvergoeding en daarbij horende toeslag maken onderdeel uit van het loon dat tijdens vakanties doorbetaald moet worden, mits zij een belangrijk onderdeel vormen van het jaarlijks uitbetaalde brutoloon/ 25% of meer vormt een belangrijk onderdeel/ uitleg en uitvoering van het arrest Hein-Holzkamm.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.294.183/01
arrest van 14 maart 2023
in de zaak van
Internationaal Transportbedrijf [ZZ] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. M.D. Vrolijk te Haarlem,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3. [geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] (Duitsland),
4. [geïntimeerde 4] ,
wonend te [woonplaats] ,
5. [geïntimeerde 5] ,
wonend te [woonplaats] ,
6. [geïntimeerde 6] ,
wonend te [woonplaats] ,
7. [geïntimeerde 7] ,
wonend te [woonplaats] (Duitsland),
8. [geïntimeerde 8] ,
wonend te [woonplaats] ,
9. [geïntimeerde 9] ,
wonend te [woonplaats] ,
10. [geïntimeerde 10] ,
wonend te [woonplaats] ,
11. [geïntimeerde 11] ,
wonend te [woonplaats] ,
12. [geïntimeerde 12] ,
wonend te [woonplaats] ,
13. [geïntimeerde 13] ,
wonend te [woonplaats] ,
14. [geïntimeerde 14] ,
wonend te [woonplaats] ,
15. [geïntimeerde 15] ,
wonend te [woonplaats] ,
16. [geïntimeerde 16] ,
wonend te [woonplaats] ,
17. [geïntimeerde 17] ,
wonend te [woonplaats] ,
18. [geïntimeerde 18] ,
wonend te [woonplaats] ,
19. [geïntimeerde 19] ,
wonend te [woonplaats] ,
20. [geïntimeerde 20] ,
wonend te [woonplaats] ,
21. [geïntimeerde 21] ,
wonend te [woonplaats] ,
22. [geïntimeerde 22] ,
wonend te [woonplaats] ,
23. [geïntimeerde 23] ,
wonend te [woonplaats] ,
24. [geïntimeerde 24] ,
wonend te [woonplaats] ,
25. [geïntimeerde 25] ,
wonend te [woonplaats]
26. [geïntimeerde 26] ,
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk te noemen: de Chauffeurs,
advocaten: mrs. E.R. Peeters, I.F.H. Nelissen en S.J.M. Peters te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,
op het bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2021 ingeleide hoger beroep van het tussenvonnis van 24 februari 2021, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en de Chauffeurs als eisers.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummers 8013006 \ CV EXPL 19-6195, 8189183 \ CV EXPL 19-8308 en 8300058 \ CV EXPL 20-363)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 24 februari 2021. Het hof verwijst ook naar het vonnis van de rechtbank Limburg van 24 maart 2021 waarin de kantonrechter verlof heeft verleend voor het tussentijds instellen van hoger beroep van het tussenvonnis van 24 februari 2021.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep met producties;
- -
de akte uitlating partijen omtrent mondelinge behandeling na aanbrengen van 15 juni 2021;
- -
de memorie van grieven van 24 augustus 2021;
- -
de memorie van antwoord in principaal appel en de memorie van grieven in incidenteel appel met producties (nr. 95 tot en met 136) van 16 november 2021;
- -
de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties (nr. 17 tot en met 19) van 25 januari 2022;
- -
de nadere stukken (producties 137 tot en met 139) van 13 oktober 2022 van mr. Peeters, ingekomen ter griffie van dit hof op 14 oktober 2022;
- -
de door mr. Vrolijk ingediende nadere stukken (producties 20 tot en met 79) bij H12-formulier van 14 oktober 2022, ingekomen ter griffie van dit hof op 17 oktober 2022, en
- -
de mondelinge behandeling van 27 oktober 2022, waarbij partijen pleit- en spreekaantekeningen hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De feiten en de procedure
De feiten
3.1.
In deze procedure neemt het hof de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in onderdeel 2 van het bestreden vonnis tot uitgangspunt. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.
3.2.
De Chauffeurs zijn allen in dienst (dan wel in dienst geweest) bij [appellante] en werkzaam (dan wel werkzaam geweest) in de functie van Internationaal Tankautochauffeur. Zij hebben als standplaats (Linne-)Herten (Limburg, Nederland) dan wel als standplaats gehad.
3.3.
De Chauffeurs ontvingen respectievelijk ontvangen een basissalaris, aangevuld met toeslagen en vergoedingen voor overuren.
3.4.
Eind 2018 is door de sociale partners een cao-akkoord bereikt, inhoudende de doorbetaling van toeslagen en de vergoeding voor overuren tijdens vakantie. Vanaf 1 januari 2019 dienen toeslagen en vergoedingen voor overuren tijdens vakantie wel doorbetaald te worden.
3.5.
In de cao 2017-2019 is onder artikel 67a lid 9 onder meer opgenomen:
(…)
b. Iedere werknemer in loonschaal A tot en met loonschaal H die gedurende het gehele kalenderjaar 2018 bij werkgever in dienst is geweest en in dat jaar minimaal 100 uren heeft gewerkt waar een toeslag aan verbonden is, niet zijnde de ploegen- en de persoonlijke toeslag, heeft in 2019 recht op een eenmalige uitkering van € 750, - bruto, welke zal worden uitgekeerd in 3 termijnen van € 250,- bruto, uit te betalen op 31 maart, 30 juni en
30 september 2019. Voorwaarde hiertoe is dat de werknemer afstand doet van zijn rechten aangaande de vergoeding van de structurele toeslagen over de genoten vakantiedagen in de jaren 2014-2018”.
(…)
3.6.
[appellante] heeft naar aanleiding van dit akkoord aan de Chauffeurs die recht hebben op een vergoeding van € 750,00 bruto in ruil voor afstand van recht aangaande de vergoeding van de structurele toeslagen over de genoten vakantiedagen in de jaren
2014-2018, een vaststellingsovereenkomst aangeboden. De Chauffeurs hebben deze vaststellingsovereenkomst niet ondertekend en aldus de aangeboden vergoeding niet geaccepteerd.
3.7.
Bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
11 februari 2019, is voornoemd cao-akkoord per 14 februari 2019 algemeen verbindend verklaard. Naar aanleiding van het verzoek strekkende tot algemeen verbindend verklaring van het cao-akkoord zijn schriftelijke bedenkingen ingebracht. In reactie op deze ingebrachte bedenkingen overweegt de Minister onder meer dat aan de werknemers geen verplichting wordt opgelegd om gebruik te maken van de mogelijkheid om vorderingen die zien op het verleden af te kopen. De werknemer die verdergaande vorderingen dan € 750,00 bruto geldend wil maken, kan dat doen.
De procedure bij de kantonrechter
3.8.
De Chauffeurs hebben in eerste aanleg – kort samengevat – volledige vergoeding van het loon gevorderd dat zij in de periode voorafgaand aan het cao-akkoord van eind 2018 (ingang per 1 januari 2019) tijdens vakantie zouden hebben genoten, zijnde het basissalaris aangevuld met toeslagen en vergoedingen voor overuren. De Chauffeurs zijn de mening toegedaan dat zij over de bedoelde perioden enkel het basissalaris doorbetaald hebben gekregen en dat zij recht hebben op uitkering van onregelmatigheidstoeslagen en overuren. De Chauffeurs hebben naast betaling van het achterstallig loon de wettelijke rente en de wettelijke verhoging te vermeerderen met de wettelijke rente daarover gevorderd. Daarnaast hebben de Chauffeurs deugdelijke bruto/netto specificaties gevorderd. Voorts hebben de Chauffeurs de gemaakte kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente gevorderd. Tot slot hebben de Chauffeurs veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure gevorderd.
3.9.
[appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een loonvordering wegens achterstallig vakantieloon. [appellante] heeft in haar optiek zowel de toepasselijke cao’s als de Europese en nationale wetgeving correct nageleefd.
3.10.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 24 februari 2021 – kort weergegeven – onder meer geoordeeld dat de onregelmatigheidstoeslag, zaterdag- en zondaguren en nachtvergoeding componenten zijn die tot het vakantieloon moeten worden gerekend. Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat de in de cao opgenomen vergoeding voor reguliere overuren deel moet uitmaken van het loon waarop de Chauffeurs recht hebben voor opgenomen vakantieverlof in de respectieve periodes. Naar het oordeel van de kantonrechter geldt voor alle chauffeurs dat het overwerk bij de berekening van het vakantieloon moet worden meegenomen. Het onderling verschillend toepassen van de berekeningsmethodiek van het vakantieloon zou volgens de kantonrechter namelijk leiden tot een onaanvaardbaar verschil in uitgangspunten en daarmee tot een onaanvaardbare rechtsongelijkheid. Om dezelfde reden is de kantonrechter van oordeel dat ook voor alle chauffeurs heeft te gelden dat de nachttoeslag moet worden meegenomen in de berekening van het vakantieloon. Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid door [appellante] heeft de kantonrechter afgewezen, evenals het beroep op verrekening. De kantonrechter heeft de Chauffeurs in de gelegenheid gesteld zich bij nadere akte uit te laten omtrent het door [appellante] bij dupliek overgelegde overzicht en waar nodig hun vorderingen te herberekenen en de eis te wijzigen. De kantonrechter heeft daarvoor de zaak verwezen naar de civiele rolzitting van 24 maart 2021 en heeft in afwachting daarvan iedere verdere beslissing aangehouden.
3.11.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 24 maart 2021 alsnog verlof verleend voor het tussentijds instellen van hoger beroep en heeft in afwachting van de uitspraak in hoger beroep iedere verdere beslissing aangehouden.
De procedure in hoger beroep
3.12.
[appellante] heeft in hoger beroep zestien grieven aangevoerd. [appellante] heeft – kort weergegeven – geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de Chauffeurs.
3.13.
De Chauffeurs hebben in incidenteel appel zeven grieven aangevoerd. De Chauffeurs hebben – kort weergegeven – geconcludeerd de grieven van [appellante] ongegrond te verklaren, de grieven van de Chauffeurs in incidenteel appel gegrond te verklaren en het vonnis op alle overige punten te bekrachtigen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van beide instanties met inbegrip van de nakosten.
4. De beoordeling in principaal en incidenteel appel
Producties 20 tot en met 79 worden toegelaten
4.1.
Het hof zal eerst ingaan op de vraag of de producties 20 tot en met 79 die door [appellante] zijn ingediend, moeten worden toegelaten en dus of deze stukken onderdeel uitmaken van de gedingstukken of toch niet, mede aan de hand van artikel 85 Rv en de eisen van een goede procesorde. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling ter zake beslissingen genomen die hieronder worden weergegeven met de daarbij horende motivering, als mondeling reeds uitgesproken.
4.2.
Op vrijdag 14 oktober 2022, ingekomen ter griffie van dit hof op 17 oktober 2022 (zijnde de laatste dag van de termijn van artikel 87 lid 6 Rv), heeft [appellante] ten behoeve van de mondelinge behandeling de producties 20 tot en met 79 overgelegd (meer dan 1000 pagina’s) over onder meer de atv-dagen en de pauzestaffel. Ook bevatten de producties een aantal verklaringen van medewerkers van personeelszaken van [appellante] die zijn opgesteld op 13 oktober 2022. Daartegen hebben de Chauffeurs bij brief van 17 oktober 2022 bezwaar gemaakt, onder meer op het punt dat deze stukken veel eerder hadden kunnen worden overgelegd en dat thans de tijd ontbreekt voor de Chauffeurs om de respectieve informatie te bestuderen en per chauffeur hierop te reageren.
4.3.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling op 27 oktober 2022 heeft [appellante] de gelegenheid gekregen hierop te reageren en onder meer toe te lichten waarom verstrekking eerst thans heeft plaatsgevonden. Namens [appellante] is aangevoerd dat de stukken niet eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden in het licht van het feit dat de Chauffeurs in hoger beroep nieuwe argumenten hebben aangevoerd. Daarnaast wordt [appellante] met nog zestien andere procedures geconfronteerd over hetzelfde onderwerp. Dit alles kost volgens [appellante] veel tijd.
4.4.
Het hof is van oordeel dat de stukken in beginsel te laat door [appellante] zijn ingediend. Het hof is niet overtuigd van het betoog van [appellante] dat de stukken niet eerder overgelegd konden worden. De mondelinge behandeling is namelijk al in juni 2022 gepland. [appellante] had aldus voldoende tijd om de stukken eerder in te dienen, ook in reactie op de stellingen en stukken van de Chauffeurs van 25 januari 2022. Dat [appellante] zich geconfronteerd ziet met andere procedures maakt dit niet anders. Gelet op de inhoud van de producties – het zijn stukken die nader onderbouwen wat al in eerste aanleg voldoende is gesteld en aan de orde is gekomen –, heeft het hof de producties 20 tot en met 79 echter toch toegelaten zodat deze thans deel uitmaken van de gedingstukken.De Chauffeurs mogen te zijner tijd nog reageren op de stukken over de berekening van de pauzestaffel (zie echter hetgeen is overwogen in 4.53; de Chauffeurs hebben gelet daarop geen belang meer bij een reactie op deze stukken met betrekking tot de pauzestaffel). Ten aanzien van de drie verklaringen van medewerkers van personeelszaken (producties 20 tot en met 22), hebben de Chauffeurs een leespauze gekregen waarvoor de mondelinge behandeling is onderbroken en hebben zij daarop kunnen reageren. Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen overigens in de lijn met wat al door [appellante] over het al dan niet verplichte karakter van de overuren in de processtukken naar voren is gebracht en zijn de verklaringen in die zin niet zodanig verrassend dat de Chauffeurs daarop ter zitting niet adequaat konden reageren.
De grief van [appellante] over de verjaring is ingetrokken
4.5.
Grief I in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de Chauffeurs ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat deze vorderingen de periode 2014-2018 betreffen en deze zijn gestuit. [appellante] voert aan dat de kantonrechter kennelijk over het hoofd heeft gezien dat de vorderingen van een aantal chauffeurs zoals vermeld in de memorie van grieven ook zien op de periode voorafgaand aan 2014.
4.6.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante] bevestigd – zoals ook al in de memorie van antwoord in incidenteel appel is geschreven – dat zij niet langer een beroep doet op gedeeltelijke verjaring van de vorderingen. [appellante] wenst haar grief op dit punt daarom in te trekken.
4.7.
Omdat [appellante] haar grief over de verjaring heeft ingetrokken, zal het hof grief I in principaal appel niet behandelen. Het hof zal uitgaan van het standpunt van de Chauffeurs dat geen van hun vorderingen is verjaard. Dit geldt dan ook voor de vorderingen van de Chauffeurs ten aanzien van de periode gelegen voor 2014-2018. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de grieven I.a. en I.b. van de Chauffeurs in incidenteel appel over de verjaring niet behandeld hoeven te worden, omdat het belang daarvan door de intrekking van grief I in principaal appel is komen te vervallen.
Het beroep op de klachtplicht (artikel 6:89 BW) slaagt niet
4.8.
Grief II in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat artikel 6:89 BW niet van toepassing is op de betaling van het loon. [appellante] meent dat de klachtplicht wel degelijk naar analogie kan worden toegepast op de betaling van het loon en dat de Chauffeurs hun recht hebben verwerkt. Deze grief slaagt niet. Het hof motiveert dit als volgt.
4.9.
Het beroep van [appellante] op het niet binnen bekwame tijd klagen (artikel 6:89 BW) over de te lage loonbetaling tijdens vakantie faalt, omdat het geschil van partijen geen betrekking heeft op de vraag welke prestatie [appellante] heeft geleverd – beide partijen weten namelijk precies hoeveel loon [appellante] aan de Chauffeurs heeft betaald –, maar uitsluitend op de vraag tot het verrichten van welke prestatie [appellante] op grond van de arbeidsovereenkomst verplicht was. Voor geschillen die alleen betrekking hebben op de vraag welke verbintenissen door een overeenkomst in het leven zijn geroepen, is artikel 6:89 BW niet bedoeld. Dat geldt temeer nu de schuldenaar van een geldelijke tegenprestatie niet afhankelijk is van een klacht van de schuldenaar naar aanleiding van een onderzoek van de geleverde prestatie om te kunnen vaststellen of hij heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van een geldsom. De schuldenaar kan dat op basis van zijn eigen gegevens zonder meer al beoordelen. In het onderhavige geval ligt dat ook meer op de weg van de schuldenaar (werkgever) dan op de weg van de schuldeiser (werknemer). Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1175, r.o. 3.6.-3.9. Het voorgaande wordt niet anders doordat er een klachtplicht in het Huishoudelijk Reglement en de cao is opgenomen, nu daarvoor – als de loonbetaling al door deze klachtplicht wordt bestreken – onverkort geldt dat [appellante] geen klacht nodig had om haar eigen nalaten vast te stellen.
4.10.
Voor zover de klachtplicht wel van toepassing zou zijn op de verbintenis tot het vergoeden van toeslagen en overuren bij het doorbetalen van loon tijdens vakantie, hebben de Chauffeurs naar het oordeel van het hof tijdig geklaagd, namelijk nadat hen duidelijk werd dat de praktijk bij [appellante] niet overeenkwam met de verplichting tot loondoorbetaling tijdens vakantie in het licht van jurisprudentie van het HvJ-EU. Aan de stelling van [appellante] dat door het verstrijken van de tijd haar bewijspositie is verslechterd en het voor haar lastiger is geworden de klachten van de Chauffeurs te betwisten en zich daartegen te verweren, gaat het hof voorbij. Op [appellante] rust namelijk een bewaarplicht van de administratie gedurende zeven jaar (artikel 2:10 leden 3 en 4 BW), waarbij [appellante] daarnaast sinds 2018 al beducht diende te zijn op mogelijke aanspraken gezien het toen bereikte cao-akkoord. Bovendien kon [appellante] gezien voornoemde jurisprudentie verwachten dat een aantal chauffeurs aanspraak zouden gaan maken op betaling van de onbetaald gebleven toeslagen en overuren. Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3715, r.o. 3.6.1.-3.6.2.De Chauffeurs hebben gezien het voorgaande verder geen belang bij hun grief VII in incidenteel appel voor zover betrekking hebbend op hun verweer aangaande de klachtplicht (nr. 386 mva/mvg).
Het beroep op de recuperatiefunctie slaagt niet
4.11.
Grief III in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de recuperatiefunctie niet relevant is voor de vraag of de vorderingen van de Chauffeurs kunnen worden toegewezen, althans dat aan deze vraag niet wordt toegekomen. De achterliggende gedachte van loon tijdens vakantie is immers dat de Chauffeurs geen belemmering mogen voelen om vakantie te genieten. Uit de vele verlofdagen die de Chauffeurs hebben opgenomen blijkt echter dat zij hier kennelijk geen enkele belemmering bij hebben ondervonden, aldus [appellante] .
4.12.
Het hof verwerpt dit verweer. De werknemer moet tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie worden gebracht die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes. Dat een werknemer zijn vakantiedagen heeft opgenomen, betekent niet dat deze werknemer daarna geen recht meer heeft op uitbetaling van het (volledige en juiste) vakantieloon. Een andere visie zou afbreuk doen aan de beoogde bescherming van werknemers en aldus de ratio van artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn (zie hierna), zoals nader geduid door het HvJ EU 29 november 2017, C-214/16 inzake Conley King vs The Sash Window Shop c.s (onderdelen 36-40 en 45), ECLI:EU:C:2017:914 en als het ware werknemers dwingen om alvorens vakantiedagen op te nemen eerst zekerheid te verkrijgen omtrent het verkrijgen het volledige verschuldigde vakantieloon. Voor zover [appellante] heeft willen betogen dat het achteraf niet uitbetaalde deel van het vakantieloon geen invloed heeft gehad op het opnemen van vakantiedagen door de Chauffeurs, leidt dit er dus niet toe dat thans niet alsnog het (volledige en juiste) loon kan worden vastgesteld en alsdan moet worden uitbetaald.
Geen onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen
4.13.
In grief XII in principaal appel voert [appellante] aan dat de kantonrechter onterecht heeft overwogen dat de bovenwettelijke vakantiedagen onderdeel moeten zijn van de berekeningsmethodiek van de vakantieloonvordering. Artikel 7:639 lid 1 BW is implementatiewetgeving van de Arbeidstijdenrichtlijn en deze richtlijn ziet enkel op bescherming van werknemers voor wat betreft het minimumaantal vakantiedagen. [appellante] verwijst naar het TSN-arrest (HvJ EU 19 november 2019, C-609/17, C-610/17, ECLI:EU:C:2019:981 (TSN ry c.s./ Hyvinvointialan liitto ry c.s.) waarin als voorwaarde wordt gesteld dat als wettelijke dagen en bovenwettelijke dagen op dezelfde wijze berekend dienen te worden, dit expliciet in de nationale wet geregeld moet worden. In artikel 7:639 lid 1 BW wordt echter enkel en alleen bepaald dat ‘tijdens vakantie het loon dient te worden doorbetaald’. De vorderingen moeten volgens [appellante] daarom worden afgewezen, in ieder geval voor het deel dat zij de wettelijke vakantiedagen overschrijden.
4.14.
Grief XII in principaal appel faalt. Artikel 7:639 lid 1 BW – op grond waarvan de werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt – maakt namelijk geen onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Dit artikel biedt ook niet de mogelijkheid om daarvan voor de bovenwettelijke vakantiedagen ten nadele van de werknemer af te wijken (artikel 7:645 BW). Daarom geldt het loonbegrip van artikel 7:639 BW ook voor de bovenwettelijke vakantiedagen. De omstandigheid dat bovenwettelijke vakantiedagen niet onder de Arbeidstijdenrichtlijn 2003/88/EG vallen (TSN-arrest), maakt dit niet anders. Op grond van het TSN-arrest (zie onderdelen 34 en 35 van dat arrest) zijn gunstigere bepalingen toegestaan. Dat het loonbegrip van artikel 7:639 BW ook moet worden gehanteerd voor de bovenwettelijke vakantiedagen, was al nationaal recht vóór inwerkingtreding van deze Richtlijn 2003/88/EG. Het voorgaande betekent dat voor de vraag of toeslagen en overuren tijdens vakantie moeten worden doorbetaald, de arresten Williams/British Airways en Hein/Holzkamm (zie onder 4.15. en verder) en alle vervolguitspraken ook van belang zijn – via het nationale recht – voor de bovenwettelijke vakantiedagen. Vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:11061 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7815.
Het toetsingskader: toeslagen en vergoedingen
Algemeen
4.15.
Het hof stelt het volgende voorop. In artikel 7:639 lid 1 BW is bepaald dat de werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken, tenzij zodanige afwijking in het betreffende artikel is toegestaan (artikel 7:645 BW). Artikel 7:639 BW kent een dergelijke afwijkingsmogelijkheid niet. Artikel 7:639 lid 1 BW dient voorts conform het Europese recht (artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/EG en de daarbij behorende jurisprudentie) te worden uitgelegd. Het doel van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is tweeledig: het stelt de werknemer in staat enerzijds uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken en anderzijds over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken. Dit recht moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie (zie HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1748, verwijzend naar HvJEU 11 november 2015, C-219/14, inzake Greenfield/TCB, ECLI:EU:C:2015:745 punt 26. Deze vaste rechtspraak van het HvJ EU is sindsdien meermalen herhaald, recent in HvJ EU 22 september 2022, C-518/20 en 727/20, inzake Fraport & St. Vincenz Krankenhaus, ECLI:EU:C:2022:707, punten 25 en 27).
Het toetsingskader: toeslagen (Williams/British Airways)
4.16.
Volgens rechtspraak van het HvJ EU mag het recht op loon tijdens de vakantie niet restrictief worden uitgelegd en betekenen de woorden ‘jaarlijkse vakantie met behoud van loon’ in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 dat het loon gedurende de ‘jaarlijkse vakantie’ in de zin van die richtlijn moet worden doorbetaald en dat, met andere woorden, de werknemer voor deze rustperiode zijn normale loon dient te ontvangen. Het vereiste van betaling van vakantieloon heeft tot doel de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie te brengen die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes. Het vakantieloon dient in beginsel overeen te stemmen met het gebruikelijke arbeidsloon van de werknemer.
Wanneer de door de werknemer ontvangen beloning bestaat uit verschillende componenten, moet bij de bepaling van wat het normaal/gebruikelijk loon is waarop deze werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie, een specifieke analyse worden uitgevoerd. In het kader van een dergelijke analyse heeft het Hof van Justitie in HvJ EU 15 september 2011, C‑155/10, ECLI:EU:C:2011:588 (Williams/British Airways), het volgende geoordeeld [vet door GHSHE, met in noten de letterlijke tekst uit andere voor de duiding relevante authentieke taalversies]:
“24 Elke last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt, wordt gerekend tot de globale beloning van de werknemer, zoals, in het geval van lijnpiloten, de tijd die zij vliegend doorbrengen, die noodzakelijkerwijs deel moet uitmaken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie.
25 Daarentegen dienen de componenten van het globale loon van de werknemer die alleen strekken tot vergoeding van occasionele of bijkomende kosten die worden gemaakt bij uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst, zoals kosten verbonden met de tijd die piloten buiten de standplaats moeten doorbrengen, niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het te betalen bedrag aan vakantieloon.”1.
Volgens het HvJ staat het aan de nationale rechter om te beoordelen of er een intrinsiek verband bestaat tussen de verschillende componenten van het globale loon van de werknemer en de uitvoering van de taken die hem zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst. Deze beoordeling dient volgens het HvJ EU betrekking te hebben op een gemiddelde over een representatief geachte periode en plaats te vinden in het licht van het in de rechtspraak ontwikkelde beginsel dat richtlijn 2003/88 het recht op jaarlijkse vakantie en het recht op betaling uit hoofde daarvan behandelt als twee aspecten van één recht (HvJ EU 15 september 2011, C‑155/10, ECLI:EU:C:2011:588 (Williams/British Airways), onderdelen 19 t/m 26).
Het toetsingskader: overuren (Hein/Holzkamm)
4.17.
Wat de vraag betreft of, en zo ja, wanneer overuren van de werknemer worden meegeteld voor de berekening van de vergoeding die verschuldigd is uit hoofde van het jaarlijks verlof met behoud van loon, is het arrest Hein/Holzkamm van belang (HvJ EU 13 december 2018, C‑385/17, ECLI:EU:C:2018:1018).In dit arrest heeft het HvJ EU erop gewezen dat vanwege het uitzonderlijke en onvoorspelbare karakter ervan, vergoedingen voor gemaakte overuren in beginsel geen deel uitmaken van het gewone loon waarop de werknemer tijdens de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 bedoelde jaarlijkse vakantie met behoud van loon aanspraak kan maken. Het HvJ EU overweegt vervolgens als volgt [vet door GHSHE]:
“47 Wanneer de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen van de werknemer vergen dat hij op regelmatige basis overuren maakt, en de vergoeding daarvan een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding die hij voor zijn beroepsactiviteit ontvangt, moet de vergoeding voor overuren echter worden meegeteld voor het gewone loon waarop hij tijdens de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 bedoelde jaarlijkse vakantie met behoud van loon recht heeft, zodat hij tijdens zijn vakantie economische voorwaarden geniet die vergelijkbaar zijn met die welke hij tijdens de uitoefening van zijn werk geniet. Het staat aan de verwijzende rechter om te verifiëren of dit in het hoofdgeding het geval is.”2.
4.18.
Het hof gaat niet mee in het betoog van de Chauffeurs dat het vakantieloonbegrip niet uitsluitend aan de hand van de arresten Williams/British Airways en/of Hein/Holzkamm moet worden getoetst (grief III in incidenteel appel), maar dat eerst de vraag moet worden beantwoord of het gevorderde looncomponent onder het door de Hoge Raad gehanteerde ruime loonbegrip valt en dat – bij een ontkennend antwoord – daarna pas de vervolgvraag is of de genoemde arresten ertoe leiden dat het gevorderde looncomponent op basis van een richtlijnconforme interpretatie toch tot het vakantieloon moet worden gerekend (Gerechtshof Den Haag 14 september 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1746). Er is namelijk geen enkele aanwijzing dat de wetgever altijd al bedoeld heeft dat onder het loonbegrip van artikel 7:639 lid 1 BW ook toeslagen en overuren vallen gezien de chronologie van de aanpassingen van het betreffende wetsartikel en de nationale jurisprudentie daarover vóór de hier bedoelde Europese uitspraken. Ook de stelling van de Chauffeurs dat de overwerkvergoedingen óók moeten worden getoetst aan het arrest Williams/British Airways en dat geen tot weinig zelfstandige waarde moet worden toegekend aan de voorwaarden neergelegd in het arrest Hein/Holzkamm, is naar het oordeel van het hof niet juist.
De toeslagen behoren tot het vakantieloon van de Chauffeurs (Williams/British Airways)
4.19.
De Chauffeurs zijn van mening dat de toeslagen ten onrechte tijdens vakantie niet zijn doorbetaald en zij vorderen deze alsnog. [appellante] heeft drie grieven aangevoerd over de toeslagen (grief IV, V en VI in principaal appel). Eerst worden deze drie grieven weergegeven. Daarna zal het hof deze grieven gezamenlijk behandelen.
4.20.
Grief IV in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het werken volgens onregelmatige uren, waarvoor een onregelmatigheidstoeslag verschuldigd is, intrinsiek samenhangt met het uitoefenen van de functie en dat daarbij niet van belang is of er een verplichting tot het verrichten van overwerk bestaat, maar of het onderdeel uitmaakt van de functie van de werknemer. [appellante] voert aan dat de kantonrechter hiermee heeft verzuimd de verschillende looncomponenten te toetsen aan de criteria die daarvoor gelden en dat de kantonrechter geen duidelijk onderscheid heeft gemaakt in de toetsing voor onregelmatigheidstoeslagen (Williams/British Airways) en de toetsing voor vergoedingen voor overwerk (Hein/Holzkamm).
4.21.
Grief V in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de onregelmatigheidstoeslagen voor werken op zaterdag en werken op zondag tot het vakantieloon van de Chauffeurs behoren. [appellante] voert aan dat deze toeslagen – op twee keer na – bij geen enkele Chauffeur zijn voorgekomen. De onregelmatigheidstoeslag voor deze arbeidsuren is dus niet gebruikelijk of hangt niet intrinsiek samen met de taken van de Chauffeurs.
4.22.
Grief VI in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de nachtvergoedingen tot het vakantieloon van de Chauffeurs behoren. Volgens [appellante] behoren de nachtvergoedingen op grond van het arrest Williams/British Airways echter niet tot het vakantieloon, omdat tot 1 juli 2017 sprake was van een bruto onkostenvergoeding voor nachtwerk. Vanaf 1 juli 2017 geldt de nachttoeslag volgens de toeslagenmatrix, maar dit kwam bij alle Chauffeurs weinig voor. Deze looncomponent behoort volgens [appellante] dus niet bij het gebruikelijke loon en hangt ook niet intrinsiek samen met de taken van de Chauffeurs.
4.23.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of de toeslagen tot het loon behoren dat moet worden uitbetaald als een chauffeur vakantie opneemt.In dat kader wordt tevens betrokken grief II in het incidenteel appel, luidend dat ten onrechte de kantonrechter overwogen heeft dat de vorderingen van de Chauffeurs (uitsluitend) zien op toeslagen voor gemaakte overuren. Ten onrechte heeft de kantonrechter in r.o. 4.20 niet expliciet overwogen dat de Chauffeurs van mening zijn dat ook de 30%-toeslag (gekoppeld aan tijd-voor-tijd uren) ten onrechte niet tijdens vakanties zijn doorbetaald.
Het hof merkt deze laatste ‘toeslag’ aan als een vergoeding die verbonden is met overwerk, nu evident sprake is van verbondenheid met overuren. Derhalve zal deze ‘toeslag’ in het kader van overwerk worden beoordeeld (zie ook hierna).
Het gaat - met inachtneming van het voorgaande - derhalve in dit kader nog om de volgende toeslagen:
- 1.
voor zaterdag- en zondaguren als zodanig;
- 2.
voor ééndaagse nachtritten en;
- 3.
voor zaterdag- en zondaguren boven de 40 uur.
Voor de beantwoording van voornoemde vraag neemt het hof het totaal van de toeslagen. Het hof ziet namelijk geen aanleiding om de verschillende toeslagen (nog verder) uit te splitsen. Grief IV in principaal appel slaagt daarom niet.
4.24.
Voor de beantwoording van de vraag of toeslagen tijdens vakantie moeten worden doorbetaald is – zoals onder 4.16. al aangegeven – het arrest Williams/British Airways van belang. Het hof is van oordeel dat de diensten waarvoor de toeslagen bedoeld zijn een last vormen die intrinsiek samenhangen met de uitvoering van de taken die de Chauffeurs zijn opgedragen in hun arbeidsovereenkomst en waarvoor zij een financiële vergoeding ontvangen. Vergelijk het voorbeeld van de lijnpiloten in het arrest Williams/British Airways. Volgens het HvJ EU moet de tijd die de lijnpiloten vliegend doorbrengen deel uitmaken van het vakantieloon, maar niet de kosten verbonden met de tijd die piloten buiten de standplaats moeten doorbrengen. Het hof is van oordeel dat de situatie van de Chauffeurs overeenkomsten vertoont met dit voorbeeld. De diensten van de Chauffeurs zijn allemaal gerelateerd aan en houden verband met de te verrichten werkzaamheden en de taken die zij uitvoeren. Het gaat bijvoorbeeld om de uren die de Chauffeurs hebben gemaakt in de nacht van zaterdag en/of zondag (vergelijk de vlieguren). De Chauffeurs ontvangen hiervoor een financiële vergoeding, namelijk de toeslagen. Deze toeslagen moeten worden gerekend tot hun gebruikelijke beloning en moeten daarom tijdens de opgenomen vakantie op basis van een gemiddelde over de referentieperiode worden doorbetaald. Dat de Chauffeurs in dit verband zelf ervoor kiezen om bepaalde diensten uit te voeren, is naar het oordeel van het hof niet relevant.Op grond van artikel 7 lid 1 onderdelen a en b van alle geldende cao’s geldt namelijk dat een chauffeur verplicht is:
- a.
tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden en
- b.
op verzoek van de werkgever alle voorkomende werkzaamheden te verrichten voor zover deze redelijkerwijze van de chauffeur kunnen worden verlangd.
Door [appellante] is niet weersproken dat de nachtvergoeding voor 1 juli 2017 bovenop de zuivere onkostenvergoedingen (punt 85 mva/mvg) werden toegekend, zodat de nachtvergoedingen van vóór 1 juli 2017 gelijk meetellen als de nachttoeslagen van na 1 juli 2017.
4.25.
Het hof moet van het HvJ EU (begrijpelijkerwijs) een referentieperiode bepalen. Als referentieperiode neemt het hof het kalenderjaar voorafgaand aan het (kalender)jaar waarin de vakantie wordt opgenomen – hetzelfde zal overigens gelden voor overuren, zie hierna –. Als bijvoorbeeld een chauffeur in 2018 vakantie geniet, dan is het jaar 2017 en zijn de in dat jaar ontvangen toeslagen als hierboven bedoeld in totaliteit bepalend voor de vraag welk loon tijdens de vakantie in 2018 doorbetaald moet worden. Dit geldt ook als de werknemer in het voorbeeld gedurende het jaar (in 2017) in dienst komt.
Overuren (Hein/Holzkamm)
4.26.
De Chauffeurs zijn ook van mening dat – naast de hiervoor in 4.23 genoemde toeslagen – de overuren en in dat kader verschuldigde toeslagen ten onrechte tijdens vakantie niet zijn doorbetaald en vorderen dit alsnog. Voor de beantwoording van de vraag of overuren en in dat kader betaalde toeslagen tijdens vakantie naar evenredigheid moeten worden doorbetaald, dan wel of gemaakte overuren rekenkundig meetellen bij de berekening van het gebruikelijk vakantieloon, is – zoals onder 4.17. al aangegeven – het arrest Hein/Holzkamm van belang.Anders dan de Chauffeurs betogen in het kader van grief II in incidenteel appel (zie eerder) koppelt het hof niet de overuren enerzijds en de toeslagen daarover los, maar beschouwt ze al bij elkaar horend.
Uit het arrest Hein/Holzkamm – dat ook in latere HvJ EU arresten als uitgangspunt dient in het kader van vakantieloon en overuren: zie onderdeel 43 van HvJ EU 13 januari 2022, C-514/20 inzake DS vs Koch Personalsdienstleistungen, ECLI:EU:C:2022:19 – volgt dat overuren in beginsel geen deel uitmaken van het vakantieloon vanwege het uitzonderlijke en onvoorspelbare karakter ervan, tenzij (a) de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen van de werknemer vergen dat (b) hij op regelmatige basis overuren maakt en (c) de vergoeding daarvan een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding die hij voor zijn beroepsactiviteit ontvangt.Naar het oordeel van het hof kan in de situatie van de Chauffeurs niet gezegd worden dat de overuren een uitzonderlijk en onvoorspelbaar karakter hebben. Het is het hof namelijk gebleken dat de overuren een belangrijk onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van [appellante] en ook voor de Chauffeurs. Voor het antwoord op de vraag of de overuren van de Chauffeurs deel uitmaken van het vakantieloon, moet het hof dus de (vervolg)vraag beantwoorden of sprake is van de tenzij-situatie, en de in dat kader te beantwoorden deelvragen.Het hof wenst daarbij – anders dan klaarblijkelijk de kantonrechter – wel waarde te hechten aan de andere evenzeer authentieke taalversies van het arrest Hein, waaronder die van de Duitse taal dat in die uitspraak de procestaal was.In het hiernavolgende zal het hof de verschillende onderdelen (a) tot en met (c) behandelen. Hetgeen [appellante] en de Chauffeurs hierover ieder hebben aangevoerd zal daarbij ook naar voren komen.
a. de verplichting overuren te maken
4.27.
Grief VII in principaal appel houdt in dat de kantonrechter niet heeft gemotiveerd waar de verplichting tot overwerk uit blijkt. [appellante] meent dat de kantonrechter de toets of de Chauffeurs verplicht waren overwerk te verrichten onterecht heeft overgeslagen. Eveneens is onjuist – voor zover de kantonrechter dat bedoeld zou hebben – dat de Chauffeurs verplicht zouden zijn om overwerk te verrichten, omdat zij een bepaalde hoeveelheid overwerk hebben verricht. [appellante] neemt voorts nogmaals uitdrukkelijk het standpunt in dat de Chauffeurs niet verplicht zijn of waren om overwerk te verrichten, mede onder verwijzing naar de als productie 20-22 in hoger beroep overgelegde verklaringen van medewerkers van personeelszaken van [appellante] . De Chauffeurs worden ingepland conform het aantal uren dat zij willen werken en zij kunnen zelf aangeven of zij overwerk willen verrichten. Hierbij wordt opgemerkt dat overuren de uren zijn die de 40 uur per week overschrijden en dus niet de acht uur per dag. De Chauffeurs hebben volgens [appellante] ook nimmer gesteld, noch bewezen, dat zij verplicht waren om overwerk te verrichten. Hierdoor dient geconcludeerd te worden dat de Chauffeurs niet aan hun stel- en bewijsplicht hebben voldaan en dat zij niet hebben aangetoond dat hun vorderingen voldoen aan de criteria die het HvJ EU daaraan stelt om de vergoedingen voor overwerk onderdeel te kunnen laten uitmaken van het vakantieloon.
4.28.
De Chauffeurs zijn echter primair van mening dat de vraag of overwerk al dan niet verplicht is opgelegd, überhaupt niet hoeft te worden getoetst. Subsidiair stellen de Chauffeurs dat overwerk wel verplicht was.
4.29.
Het hof oordeelt als volgt. In het arrest van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:1746) heeft het hof Den Haag geoordeeld dat de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen naar Nederlands recht niet alleen die verplichtingen zijn die letterlijk in de schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn verwoord. Verplichtingen van een werknemer kunnen volgens het hof Den Haag ook voortvloeien uit een mondelinge overeenkomst of uit een overeenkomst die stilzwijgend tot stand is gekomen. Van dat laatste is volgens het hof Den Haag sprake als partijen uit verklaringen en gedragingen over en weer redelijkerwijs mochten afleiden dat sprake was van een overeenkomst tot het verrichten van overwerk, zonder dat daarbij een of meer specifieke momenten zijn aan te wijzen waarop partijen dit expliciet met elkaar hebben afgesproken. Dit hof kan zich volledig vinden in deze overwegingen van het hof Den Haag.
4.30.
Vast staat dat de Chauffeurs jarenlang structureel en in grote mate hebben overgewerkt. [appellante] heeft deze situatie laten ontstaan en laten voortbestaan. [appellante] heeft daarmee ingestemd. De Chauffeurs worden namelijk stelselmatig ingeroosterd voor ritten op een wijze die (nagenoeg onvermijdelijk) tot overwerk zal en moet leiden. De Chauffeurs kunnen namelijk niet tijdens een rit stoppen, maar zij zullen deze rit moeten afmaken. Het is aannemelijk dat een chauffeur die internationale ritten maakt, meer dan 40 uur werkt. Daarbij komt de cao-bepaling die bepaalt dat een werknemer van 55 jaar en ouder niet verplicht kan worden tot het maken van overuren. Hierdoor is het aannemelijk dat overwerk onderdeel is van de werkzaamheden in de transportsector en dat voor een bepaalde groep (oudere) werknemers, voor wie het maken van overuren belastend kan zijn, voorzieningen moesten worden getroffen. De stelling van [appellante] dat chauffeurs met de leeftijd van 50 jaar en ouder niet kunnen worden verplicht tot het maken van overwerk, maakt niet dat de feitelijke situatie anders is.
4.31.
De aard van het werk brengt dus mee dat het overwerk een onderdeel is geworden van de verbintenissen die voor werkgever en werknemer uit de overeenkomst voortvloeien, zodat sprake is van de in het arrest Hein/Holzkamm bedoelde situatie dat het overwerk ‘arbeitsvertraglich verpflichtet’ is (Duitse taalversie), althans sprake is van de situatie dat “les obligations découlant du contrat de travail exigent du travailleur qu’il accomplisse des heures supplémentaires” (Franse taalversie, vet GHSHE).
b. het op regelmatige basis maken van overuren (regelmatig en voorzienbaar)
4.32.
[appellante] meent dat de vorderingen van de Chauffeurs ook niet aan de tweede voorwaarde van het Hein-Holzkamm-arrest voldoen, namelijk of de Chauffeurs het verplichte overwerk op regelmatige basis verrichten en of dit voorzienbaar was. Hiertegen richt zich grief VIII in principaal appel.De kantonrechter heeft daarbij – aldus [appellante] – ten onrechte overwogen dat de Duitse versie van het Holzkamm-arrest niet relevant is voor de beoordeling hiervan. De kantonrechter heeft ook ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende looncomponenten voor overwerk – doordeweeks overwerk, overwerk op zaterdag, overwerk op zondag en tijd-voor-tijd –. Uit het door [appellante] overgelegde overzicht blijkt dat de hoeveelheid overuren bij elke Chauffeur sterk fluctueert, zowel per maand, per jaar, in totaal als per looncomponent. Er is dus geen sprake van een voorzienbare structuur. De overuren op zaterdag en zondag en de tijd-voor-tijd vergoedingen komen volgens [appellante] bovendien maar heel weinig voor, zodat hiervan zeker niet gezegd kan worden dat dit op regelmatige basis is, noch dat die looncomponenten voorzienbaar, gewoonlijk of structureel zijn.
4.33.
Indien en voor zover al getoetst moet worden aan het arrest Hein/Holzkamm, stellen de Chauffeurs dat zij op regelmatige basis overuren maken. De Chauffeurs stellen verder dat – anders dan [appellante] stelt – de Duitse termen “vorhersehbar” en “gewöhnlich” twee elkaar aanvullende elementen zijn, die niet los van elkaar kunnen worden gezien, en dat deze twee elementen in de Nederlandse vertaling “op regelmatige basis” zijn samengevoegd (vgl. rechtbank Rotterdam 2 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8584). Er hoeft dus niet los te worden getoetst aan de ‘voorzienbaarheid’ van het overwerk. Indien en voor zover hier wel aan moet worden getoetst, spreekt het overzicht van de Chauffeurs boekdelen. De Chauffeurs werken enorme aantallen overuren op week-, maand- en jaarbasis. Bovendien blijkt uit voormeld overzicht dat de overuren per Chauffeur per jaar om en nabij hetzelfde aantal ligt. Het overwerk was dan ook voorzienbaar.
Van overuren is in zijn algemeenheid sprake wanneer de 40 uren in de week worden overschreden. Omdat de overuren onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, moeten voor de beoordeling van de overuren alle looncomponenten in onderlinge samenhang – en niet los van elkaar – worden bezien. Zie in gelijke zin gerechtshof Den Haag 14 september 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1746, r.o. 14-15.
4.34.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof kan zich vinden in het betoog van de Chauffeurs dat van overuren in zijn algemeenheid sprake is wanneer de 40 uren in de week worden overschreden. [appellante] betoogt immers hetzelfde (mvg onderdeel 51), met de toevoeging dat derhalve niet per dag moet worden gekeken.
Omdat de overuren onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, moeten voor de beoordeling van de overuren alle looncomponenten in onderlinge samenhang worden bezien en dus niet los van elkaar.
4.35.
Het hof acht de andere taalversies van het Hein/Holzkamm-arrest relevant voor de beoordeling of sprake is van het op regelmatige basis maken van overuren.
In de Duitse (de oorspronkelijke taal van het arrest), Engelse en Franse versie staat:
- -
‘weitgehend vorhersehbar und gewöhnlich’ (grotendeels voorspelbaar en gebruikelijk);
- -
‘broadly regular and predictable basis’ (grotendeels regelmatige en voorspelbare basis) en
- -
‘caractère largement prévisible et habituel’ (grotendeels voorspelbaar en gebruikelijk karakter).
Naar het oordeel van het hof kan uit deze verschillende taalversies worden afgeleid dat de overuren voorspelbaar en regelmatig of gebruikelijk moeten zijn. Dat in de Nederlandse vertaling de twee woorden ‘vorhersehbar’ en ‘gewöhnlich’ zijn samengevoegd in de woorden ‘op regelmatige basis’ maakt dat niet anders. Het hof is echter ook van oordeel dat het met regelmaat maken van overuren met zich mee kan brengen dat het maken van overuren voorspelbaar wordt.
4.36.
Zoals onder 4.31. al is geoordeeld, brengt de aard van het werk mee dat het overwerk een verplicht onderdeel van de arbeidsovereenkomst is en dat de Chauffeurs het overwerk niet kunnen weigeren.
Omdat de Chauffeurs jarenlang structureel en in grote mate hebben overgewerkt en omdat zij het overwerk niet kunnen weigeren, ligt daarin naar het oordeel van het hof besloten dat het maken van overuren op regelmatige basis plaatsvindt en daarmee dan ook voorzienbaar is. Ook bij dit onderdeel (b) vindt het hof de cao-bepaling voor oudere werknemers van belang. Hieruit blijkt dat tot 1 juli 2017 gold dat een werknemer van 50 jaar en ouder niet kan worden verplicht tot het maken van overuren van meer dan 12,5 uur per week en dat er maximaal 105 uur in 2 weken mag worden gewerkt, derhalve in een dergelijke periode maximaal 25 uur bovenop de tweemaal gebruikelijke 40 uur. Vanaf 1 juli 2017 geldt blijkens de cao-bepaling dat werknemers van 55 jaar en ouder niet verplicht kunnen worden tot het maken van overuren, dat de werknemer aan het begin van elk kalenderjaar dient aan te geven of hij gebruik wenst te maken van deze uitzonderingsregel en dat in dat geval de werkgever en werknemer in onderling overleg moeten bepalen of hieraan uitvoering kan worden gegeven. Het hof leidt hieruit af dat de werkgever nog steeds in voorkomend geval de verplichting aan de oudere werknemer kan opleggen tot het maken van overuren.
c. de vergoeding voor overuren vormt een belangrijk onderdeel van het loon
4.37.
Grief IX in principaal appel houdt in dat de kantonrechter volgens [appellante] de vorderingen van de Chauffeurs ten onrechte niet heeft getoetst aan de laatste cumulatieve voorwaarde, namelijk of deze looncomponenten een belangrijk onderdeel zijn van het totale salaris. Op basis van het overzicht van [appellante] moet per looncomponent voor overwerk beoordeeld worden of aan dit laatste criterium van het HvJ EU wordt voldaan. Dat is volgens [appellante] niet het geval, omdat de vergoedingen niet voor 50% of meer onderdeel uitmaken van het loon. De vergoedingen voor doordeweeks overwerk komen niet boven de 39% uit, aldus [appellante] .
4.38.
De vergoeding van overuren vormt naar het oordeel van het hof een “belangrijk onderdeel” van de totale vergoeding, als de vergoeding van overuren 25% of meer onderdeel vormt van het totale uitbetaalde brutoloon in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de vakantie wordt opgenomen. Dit behalve als er bijzondere omstandigheden zijn die dwingen tot een andere referentieperiode in dat betreffende jaar – als sprake is van een lager percentage dan 25% –. Bijvoorbeeld als een chauffeur door langdurige ziekte minder overuren maakt dan wat voor deze chauffeur gebruikelijk is (geweest).
De vorderingen moeten per individuele chauffeur worden beoordeeld
4.39.
Grief X in principaal appel houdt in dat de kantonrechter volgens [appellante] ten onrechte heeft geoordeeld dat voor alle Chauffeurs geldt dat het overwerk, althans het daarvoor ontvangen brutoloon en toeslagen zonder meer onderdeel moeten zijn van het vakantieloon, ondanks de grote verschillen. Het feit dat de Chauffeurs allen werkzaam waren in dezelfde functie en dat op hen dezelfde cao’s van toepassing waren, maakt nog niet dat sprake is van een gelijke situatie. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de Chauffeurs zeer uiteenlopende bedragen vorderen, die gebaseerd zijn op verschillende toeslagen en gewerkte uren. [appellante] is van mening dat elke Chauffeur zijn vordering individueel moet onderbouwen en bewijzen en ook dat per Chauffeur de vordering beoordeeld moet worden.
4.40.
Deze grief slaagt. De vraag of de vergoeding van de overuren een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding die de werknemer voor zijn beroepsactiviteit ontvangt, moet per individuele chauffeur worden beoordeeld.
Dat de vergoeding van de overuren voor de ene chauffeur een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding die deze chauffeur ontvangt, betekent namelijk nog niet dat de vergoeding van de overuren ook een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding voor een andere chauffeur.Hierna zal het hof aangeven hoe een en ander dient te worden uitgewerkt.
Atv-dagen
4.41.
De Chauffeurs zijn van mening dat de gevorderde looncomponenten ook zijn verschuldigd over atv-dagen (grief VI.a in incidenteel appel). De Chauffeurs stellen namelijk dat partijen onderling zijn overeengekomen dat de waarde van een atv-dag gelijk is aan de waarde van vakantiedagen en dat [appellante] atv-dagen behandelt als (bovenwettelijke) vakantiedagen.
4.42.
Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht overwogen dat de Hoge Raad in het arrest van 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9633 heeft geoordeeld dat atv-dagen niet gelijk te stellen zijn met vakantiedagen en dat de waarde van een atv-dag afhankelijk is van hetgeen partijen in dat kader onderling zijn overeengekomen.
4.43.
Dat partijen onderling zijn overeengekomen dat de waarde van een atv-dag gelijk is aan de waarde van vakantiedagen heeft [appellante] gemotiveerd betwist. Tot 2019 gold in de toepasselijke cao’s dat de waarde van een vakantiedag het basisloon betrof en hetzelfde gold voor de waarde van een atv-dag. Dat deze procedures mogelijk (onverhoopt) tot gevolg kunnen hebben dat de waarde van een vakantiedag in de toepasselijke cao’s met terugwerkende kracht moet worden gewijzigd op grond van artikel 7:639 lid 1 BW, betekent volgens [appellante] echter nog niet dat de waarde van een atv-dag dan ook met terugwerkende kracht automatisch moet mee wijzigen.
4.44.
Het hof volgt deze zienswijze. De waarde van een atv-dag wijzigt niet met de wijziging van de waarde van een vakantiedag ten gevolge van een procedure als de onderhavige. Atv-dagen vallen namelijk niet onder artikel 7:639 lid 1 BW. Verder blijkt uit de per 1 januari 2019 geldende cao BGV dat toeslagen en overwerkvergoedingen meetellen voor de waarde van een vakantiedag, maar dat dit niet geldt voor atv-dagen. Grief VI.a in incidenteel appel slaagt dus niet.
De redelijkheid en billijkheid leiden niet tot matiging of afwijzing van de vorderingen
4.45.
[appellante] meent dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de mogelijkheid om de vorderingen af te wijzen op basis van de redelijkheid en billijkheid nu deze tot ongelijke situaties leiden (grief XI in principaal appel). Het overgrote deel van het personeel heeft namelijk het collectieve bedrag van € 750,00 ontvangen. Als niet aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid zou kunnen worden voldaan (quod non), dan kan altijd nog gebruik gemaakt worden van de bevoegdheid tot matiging van de vorderingen tot een bedrag van € 750,00. Daarnaast heeft de kantonrechter een aantal andere omstandigheden die door [appellante] zijn aangevoerd – zoals de loonruimte bij cao-onderhandelingen – echter in het geheel onbesproken gelaten.
4.46.
Het hof is van oordeel dat het betoog van [appellante] niet leidt tot matiging of afwijzing van de vorderingen van de Chauffeurs. Het hof stelt voorop dat bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de nodige terughoudendheid moet worden betracht. De omstandigheden van het geval, zowel individueel als samen beschouwd, rechtvaardigen niet dat met een beroep hierop inbreuk wordt gemaakt op de wettelijke rechten van de Chauffeurs. Het hof licht dit hieronder toe.
4.47.
[appellante] wist of had kunnen weten dat de Chauffeurs niet verplicht waren het aanbod van de eenmalige vergoeding van € 750,00 te accepteren. Dat mogelijk daardoor een grote onderlinge ongelijkheid zou ontstaan tussen de chauffeurs die het aanbod hebben geaccepteerd en een aantal chauffeurs die het aanbod hebben afgeslagen, kon [appellante] van tevoren weten, net zoals trouwens de chauffeurs die het aanbod wel hebben aanvaard. [appellante] heeft zich daarmee zelf in een bepaalde positie geplaatst. [appellante] kan dan ook niet achteraf in dit verband een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.48.
Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat de door [appellante] gestelde financiële gevolgen voor haar onderneming bij toewijzing van de vorderingen op onvoldoende wijze is onderbouwd. Al zou het zo zijn dat toewijzing van de vorderingen grote financiële gevolgen heeft, dan is dit een bedrijfsrisico. De financiële omstandigheden komen dan aldus voor rekening en risico van [appellante] . Bovendien is het arrest Williams/British Airways van 2011. Vanaf dat moment kon [appellante] al weten dat de toeslagenproblematiek kon gaan spelen en had [appellante] financiële reserves opzij kunnen zetten.
4.49.
Dat er volgens [appellante] geen loonruimte was bij de onderhandelingen over de cao, vindt het hof niet aannemelijk. Een onderbouwing daarvan ontbreekt. Bovendien moet dit voor rekening en risico van de werkgever(sorganisaties) komen, juist gezien het grote gewicht dat het HvJ EU toekent aan de vakantierechten van werknemers.
4.50.
[appellante] stelt dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ertoe zou moeten leiden dat de leemte in de cao op een voor haar gunstige wijze zou moeten worden ingevuld. Door cao-partners is echter in 2018 ervoor gekozen om dit aan werkgever en werknemer over te laten, hetzij door het treffen van een vaststellingsovereenkomst, hetzij door dit te laten vaststellen in een procedure op basis van het geldend(e) recht. In die context ziet het hof geen ruimte daarbuiten tot een andere uitleg te komen.
4.51.
De slotsom is dat de vorderingen van de Chauffeurs niet op basis van de redelijkheid en billijkheid gematigd of afgewezen moeten worden. Grief XI in principaal appel slaagt dus niet.
Beroep op verrekening
4.52.
In grief XIII in principaal appel voert [appellante] aan dat de kantonrechter ten onrechte het beroep op verrekening heeft gepasseerd. De Chauffeurs hebben namelijk al die jaren meer diensturen betaald gekregen dan waartoe zij op grond van de cao’s recht hadden. Volgens [appellante] gaat het om niet ingehouden pauzetijd conform de pauzestaffel uit de cao’s.
4.53.
Naar het oordeel van het hof slaagt deze grief niet. [appellante] heeft namelijk zelf onverplicht afgezien van het toepassen van de pauzestaffel uit de cao’s bij het opstellen van de maandelijkse loonstrook en uitbetaling ervan, zonder dit aan te geven aan de Chauffeurs. De Chauffeurs mochten er dan ook op vertrouwen dat [appellante] niet met terugwerkende kracht de pauzestaffel uit de cao’s alsnog ging toepassen en met terugwerkende kracht het eventueel te veel betaalde loon zou willen verrekenen – dat er te veel is betaald wordt overigens door de Chauffeurs betwist –. Bovendien is door [appellante] niet weersproken dat door het hanteren van een pauzestaffel van 30 minuten er meer gewerkt kon worden met als gevolg een hogere omzet ten gunste van [appellante] . De Chauffeurs stellen verder dat op instructie van [appellante] de Chauffeurs ook pauze namen/nemen wanneer zij aan het laden/lossen waren/zijn of tijdens wachttijd. Daardoor kunnen meer werkzaamheden in één week worden gepland en vooral uitgevoerd. Daarbij komt dat de Chauffeurs hebben aangevoerd dat het voorkomt dat een pauzestaffel van 30 minuten is toegepast, terwijl er geen pauze is genoten. In het licht van het goed werknemer- en werkgeverschap (artikel 7:611 BW) is het gezien deze omstandigheden dan niet redelijk om achteraf alsnog de over vele jaren niet ingehouden pauzetijd conform de pauzestaffel uit de cao’s te verrekenen met de vorderingen van de Chauffeurs. Los daarvan is de gegrondheid van dit verweer van [appellante] ook niet op het niveau van de individuele chauffeur op eenvoudige wijze vast te stellen (artikel 6:136 BW).
4.54.
Voor zover [appellante] heeft bedoeld ook (kerst)gratificaties en dergelijke extra’s te willen verrekenen, gaat dit niet op. Voor een beroep op verrekening is een vorderingsrecht nodig. Dergelijke uitkeringen naast het gebruikelijke loon heeft [appellante] echter vrijwillig gegeven, in het kader van de nakoming van een door [appellante] klaarblijkelijk ter zake ervaren natuurlijke verbintenis. [appellante] heeft dan ook geen vorderingsrecht op de Chauffeurs ten aanzien van dit soort extra uitkeringen. Een beroep op verrekening slaagt in dit verband dan ook evenmin.
De wettelijke rente
4.55.
[appellante] voert in grief XIV in principaal appel aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de Chauffeurs de wettelijke rente toekomt, omdat de vorderingen tot betaling van achterstallig vakantieloon moeten worden afgewezen. [appellante] is subsidiair van mening dat sterke matiging van de wettelijke rente op zijn plaats is. De Chauffeurs hebben daarentegen aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de wettelijke rente heeft gematigd gelet op de toegewezen ingangsdatum (dag van de dagvaarding) (grief V in incidenteel appel).
4.56.
Het hof acht het redelijk de wettelijke rente toe te wijzen steeds met ingang van 1 januari van het opvolgende kalenderjaar. Dit betekent bijvoorbeeld dat de wettelijke rente per 1 januari 2015 is gaan lopen voor de loonvordering uit 2014. Dit is ook vanuit een praktisch oogpunt wenselijk gezien de omvang van de loonvorderingen van de Chauffeurs en ter voorkoming dat veelvuldig executiegeschillen ontstaan doordat per chauffeur en per vakantiedag de wettelijke rente berekend zou moeten gaan worden.
De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20%
4.57.
Volgens de Chauffeurs heeft de kantonrechter ten onrechte de wettelijke verhoging gematigd tot nihil (grief IV in incidenteel appel). De Chauffeurs hebben het hof verzocht de volledige wettelijke verhoging van 50% toe te wijzen. [appellante] meent dat de kantonrechter de wettelijke verhoging terecht heeft gematigd tot nihil.
Het hof oordeelt anders, omdat het [appellante] als werkgever naar aanleiding van de uitspraak van het HvJ EU in september 2011 direct duidelijk had kunnen zijn dat zij tot uitbetaling van de verschuldigde toeslagen moest overgaan. Voor de overuren geldt dat met het arrest in 2018 (Hein/Holzkamm) duidelijk is geworden dat overuren tot het vakantieloon kunnen behoren. [appellante] heeft nagelaten met een en ander in voldoende mate rekening te houden in afwachting van een vaste en bestendige lijn in de rechtspraak en de onderhavige procedure.
Het hof stelt vast dat het door de Chauffeurs gevorderde loon in ieder geval voor een deel toewijsbaar is. Hoewel [appellante] had kunnen weten dat er te weinig vakantieloon is uitbetaald, heeft zij op geen enkele wijze iets willen betalen aan de Chauffeurs. In dat geval bepaalt artikel 7:625 BW dat de werkgever hierover een verhoging verschuldigd is. Het hof ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 20% over het aan iedere respectieve chauffeur te betalen bedrag.In zoverre slaagt deze grief.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.58.
Volgens [appellante] moeten de door de kantonrechter toegewezen buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen dan wel sterk worden gematigd (grief XIV in principaal appel).De Chauffeurs hebben hun vordering ter zake gehandhaafd.
Het hof wijst de buitengerechtelijke incassokosten af.
4.59.
De in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten neergelegde normering van de vergoeding voor incassokosten – ter uitwerking van artikel 6:96 BW – leent zich met name voor de gevallen waarin de omvang van de te innen vordering (de hoofdsom) gemakkelijk is vast te stellen. Dit betreft dan voornamelijk uit overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen tot betaling van een geldsom, waarvan de omvang van de geldsom in de overeenkomst is vastgesteld, dan wel daaruit eenvoudig valt af te leiden. Gedacht kan worden aan een rekening van een telefoonprovider (Staatsblad 2012-141, onder ‘4. Toepassingsbereik van de regeling’).
4.60.
De vorderingen van de Chauffeurs, zoals in onderhavige zaak aan de orde, vallen niet onder voornoemd besluit. De vorderingen zijn namelijk niet “eenvoudig” vast te stellen. Dit betekent dat aan de hand van het Rapport Voorwerk II de buitengerechtelijke kosten moeten worden vastgesteld, en wel aan de hand van de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets.Door de Chauffeurs zijn de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden niet tot amper onderbouwd. In hoger beroep is aangevoerd dat door diverse chauffeurs een sommatiebrief is gestuurd. Dat is in beginsel niet voldoende om buitengerechtelijke kosten te kunnen vorderen.
Ook indien moet worden aangenomen dat nog daarnaast namens hen gezamenlijk een brief is verstuurd of een verzoek om een schikkingsvoorstel is gedaan, zullen in het beste geval de daarmee gemoeide kosten van kleur verschieten indien een proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken (artikel 241 Rv).
4.61.
In grief VII in incidenteel appel tenslotte hebben de Chauffeurs betoogd dat de kantonrechter niet hun hele vordering heeft weergegeven (naast het al eerder besproken deel van deze grief voor zover het betreft de weergave van het verweer in het kader van artikel 6:89 BW (klachtplicht).De rechter is niet gehouden de vorderingen van de eiser(s), in dit geval de Chauffeurs, letterlijk te herhalen maar hij is wel gehouden op al het gevorderde te beslissen.De kantonrechter was aan definitief beslissen nog niet toegekomen. Het hof zal met al hetgeen gevorderd is - voor zover dan nog relevant - rekening houden en daarop bij eindarrest beslissen.De Chauffeurs hebben geen belang bij (de verdere behandeling van) deze grief.
Nieuwe overzichten en berekeningen moeten er komen
4.62.
Het hof acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om in deze zaak definitief een beslissing te kunnen nemen, waarbij te gelden heeft dat het hof de zaak verder aan zich houdt op de voet van artikel 356 Rv, nu dit gezien hetgeen in dit tussenarrest al is beslist bijdraagt aan een doelmatige afdoening. Het ligt voorts op de weg van [appellante] als meest gerede partij om nieuwe overzichten te overleggen. De overzichten moeten per individuele chauffeur en per relevant kalenderjaar zijn opgesteld. Het overzicht moet per individuele chauffeur inzichtelijk maken wanneer (en hoeveel) de verlofdagen in het relevante kalenderjaar zijn opgenomen. Daarbij moet duidelijk en op een inzichtelijke wijze onderscheid worden gemaakt tussen de (boven)wettelijke vakantiedagen en de (afgekochte dan wel genoten) atv-dagen. Het overzicht moet ook de uitbetaalde bruto toeslagen (als vermeld in 4.23) enerzijds en overwerkuren en daarbij horende bruto toeslagen anderzijds per kalenderjaar bevatten, alsook of met betrekking tot ieder jaar sprake is van 25% of meer uitbetaling van overuren ten opzichte van het totale brutojaarloon. In zoverre slaagt de grief VI.b in incidenteel appel ook, nu de Chauffeurs zich niet meer hoeven uit te laten over de eerder overgelegde overzichten. Wel zal hen de gelegenheid worden geboden zich uit te laten over de hiervoor bedoelde nieuwe overzichten.
Kortom, het moet voor het hof duidelijker worden wat een individuele chauffeur nog tegoed heeft aan achterstallig vakantieloon in het licht wat in dit arrest is overwogen.
4.63.
Het hof draagt [appellante] daarom op om, uiterlijk op de in het dictum van dit arrest vermelde datum, een overzicht per chauffeur in het geding te brengen.
4.64.
Na ontvangst van dit overzicht, zal aan de Chauffeurs de gelegenheid worden geboden na vier weken middels een akte per individuele chauffeur te reageren op het overzicht van [appellante] .
[appellante] zal desgevraagd inzage geven in de verlofadministratie per Chauffeur ter zake de relevante periode, bij voorkeur via uitdraaien of kopieën (en voor zover al niet verschaft in het kader van onderdeel 4.62).Desgewenst kan verder aan de kant van de Chauffeurs gereageerd worden op individuele gevallen, bijvoorbeeld ten aanzien van een afwijkende referentieperiode in het kader van de overuren – als de werknemer onder de 25% uitkomt –. De betreffende chauffeurs zullen dan moeten onderbouwen met bewijsstukken dat er sprake was van ziekte of anderszins een belemmering als gevolg waarvan een andere referentieperiode zou moeten gelden.[appellante] zal daarop nog apart mogen reageren.
Overige grieven
4.65.
[appellante] heeft onder verwijzing naar eerdere grieven in het kader van grief XV in principaal appel aangeboden tegenbewijs te leveren en nadere stukken te (willen) overleggen.Op diverse punten als met dat aanbod geviseerd heeft het hof al beslist, zodat in zoverre de grief niet (meer) ter zake dienend is. Voorts heeft het hof hierboven [appellante] in de gelegenheid gesteld respectievelijk opgedragen diverse aangeboden stukken alsnog over te leggen.
4.66.
In het kader van grief XVI in principaal appel heeft [appellante] een bezemgrief geformuleerd, die als zodanig zelfstandige betekenis mist. Voorts heeft [appellante] bepleit dat alsnog een mondelinge behandeling zou moeten worden bepaald in hoger beroep. Die heeft inmiddels plaatsgevonden. In zoverre heeft [appellante] geen belang meer bij de grief en is de veronderstelde strijd met artikel 6 EVRM zonder meer al geheeld.
4.67.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Geen tussentijds cassatieberoep
4.68.
Het hof beslist uitdrukkelijk dat, mede gezien het tijdsverloop en gezien de beslissing de zaak aan zich te houden teneinde tot een spoedige eindbeslissing te komen, tussentijds cassatieberoep niet zal worden toegestaan.
5. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
houdt de behandeling van de zaak met het in rechtsoverweging 4.62. van dit arrest overwogen oogmerk aan tot 11 april 2023 peremptoir voor akte aan de zijde van [appellante] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 maart 2023.
griffier rolraadsheer
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑03‑2023
EN: “24 Accordingly, any inconvenient aspect which is linked intrinsically to the performance of the tasks which the worker is required to carry out under his contract of employment and in respect of which a monetary amount is provided which is included in the calculation of the worker’s total remuneration, such as, in the case of airline pilots, the time spent flying, must necessarily be taken into account for the purposes of the amount to which the worker is entitled during his annual leave.25 By contrast, the components of the worker’s total remuneration which are intended exclusively to cover occasional or ancillary costs arising at the time of performance of the tasks which the worker is required to carry out under his contract of employment, such as costs connected with the time that pilots have to spend away from base, need not be taken into account in the calculation of the payment to be made during annual leave.”FR: “24 Ainsi, tout désagrément lié de manière intrinsèque à l’exécution des tâches incombant au travailleur selon son contrat de travail et compensé par un montant pécuniaire entrant dans le calcul de la rémunération globale du travailleur, tel que, pour les pilotes de ligne, le temps passé en vol, doit nécessairement faire partie du montant auquel le travailleur a droit durant son congé annuel.25 En revanche, les éléments de la rémunération globale du travailleur qui visent exclusivement à couvrir des coûts occasionnels ou accessoires survenant à l’occasion de l’exécution des tâches incombant au travailleur selon son contrat de travail, tels que des frais liés au temps que les pilotes sont contraints de passer à l’extérieur de la base, ne doivent pas être pris en compte lors du calcul du paiement à verser durant le congé annuel.”
DE [vet GHSHE]: “47 Ist der Arbeitnehmer jedoch arbeitsvertraglich verpflichtet, Überstunden zu leisten, die weitgehend vorhersehbar und gewöhnlich sind und deren Vergütung einen wesentlichen Teil des gesamten Arbeitsentgelts ausmacht, das er in Ausübung seiner Berufstätigkeit erhält, sollte die Vergütung für diese Überstunden in das gewöhnliche Arbeitsentgelt, das aufgrund des in Art. 7 Abs. 1 der Richtlinie 2003/88 vorgesehenen Anspruchs auf bezahlten Jahresurlaub geschuldet wird, einbezogen werden, damit der Arbeitnehmer während dieses Urlaubs in den Genuss wirtschaftlicher Bedingungen kommt, die mit denen vergleichbar sind, die ihm bei Ausübung seiner Arbeit zugutekommen. Es ist Sache des vorlegenden Gerichts, zu prüfen, ob dies im Rahmen des Ausgangsrechtsstreits der Fall ist.”EN [vet GHSHE]: “47 However, when the obligations arising from the employment contract require the worker to work overtime on a broadly regular and predictable basis, and the corresponding pay constitutes a significant element of the total remuneration that the worker receives for his professional activity, the pay received for that overtime work should be included in the normal remuneration due under the right to paid annual leave provided for by Article 7(1) of Directive 2003/88, in order that the worker may enjoy, during that leave, economic conditions which are comparable to those that he enjoys when working. It is for the referring court to verify whether that is the case in the main proceedings.”FR [vet GHSHE]: “47 Toutefois, lorsque les obligations découlant du contrat de travail exigent du travailleur qu’il effectue des heures supplémentaires ayant un caractère largement prévisible et habituel, et dont la rémunération constitue un élément important de la rémunération totale que le travailleur perçoit dans le cadre de l’exercice de son activité professionnelle, la rémunération reçue pour ces heures supplémentaires devrait être incluse dans la rémunération ordinaire au titre du droit au congé annuel payé prévu à l’article 7, paragraphe 1, de la directive 2003/88, afin que le travailleur jouisse, lors de ce congé, de conditions économiques comparables à celles dont il bénéficie lors de l’exercice de son travail. Il appartient à la juridiction de renvoi de vérifier si tel est le cas dans le cadre du litige au principal.”