Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.2.2.a
III.2.2.a Soort aandeelhoudersgedragingen
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379805:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 707. Idem Westbroek (1985/1), p. 714; en Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 4. Het antwoord op de vraag of onverenigbaarheid van karakters bij een personenvennootschap wel tot gedwongen afscheid van een vennoot kan leiden, komt in § 111.4.2. aan de orde.
Aldus ook Handboek (1992), nr. 355. Van Solinge en Nieuwe Weme (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 707 schrijven dat het gaat om gedragingen van 'min of meer voortdurende aard'. Westbroek (1985/1), p. 714-715, meende dat laakbaar gedrag niet vereist was, ook blaam was niet nodig. Hij stelde dat wél een 'zeker onheil' moest zijn geschied.
Zie ook mijn commentaar in Bulten (2007), p. 363.
Zie Kamerstukken 31 058, nr. 7 (NvW), p. 10 en 18.
Slagter meende bij de bespreking van het rapport van de Commissie Vennootschapsrecht al dat voor uitstoting in de eerste plaats, maar niet uitsluitend het stemgedrag aanleiding kon geven. Zie Slagter (1976), p. 121. Hij dacht bij schadelijk stemgedrag aan het uithollen van de vennootschap door de uitkering van een uitzonderlijk hoog dividend. Volgens Slagter viel concurrentie ook onder het uitstotingscriterium. Zie voor een herhaling van zijn standpunt: Slagter (1984), p. 24.
Twee voorbeelden uit de rechtspraak, gewezen voor de invoering van de geschillenregeling, die tot uitstoting hadden kunnen leiden: het ongefundeerd tegen de vaststelling van de jaarrekening stemmen, zonder de onjuistheid in de cijfers aan te geven (Rb. Roermond 17 mei 1973, NJ 1974, 57). Ook de weigering mee te werken aan statutenwijziging of omzetting en de hierop volgende sanctie de weigerachtige aandeelhouder 'uit te hongeren', zou grond hebben gegeven aan de uitstoting (Hof Den Haag 1 oktober 1982, NJ 1983, 393 (Scheepsbouw van Rees). Zie ook Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 4.
Handboek (1992), nr. 355; Slagter (1985), p. 127; en Santen (1993), p. 75. De 'uithongering' van een aandeelhouder kon volgens Westbroek niet tot uitstoting leiden. Het was moeilijk voor te stellen dat het de vennootschap schaadde als de winst keer op keer aan de reserves werd toegevoegd. Hij meende dat het wel een 'zeer extensieve uitlegging' was indien de mogelijke spanningen die de `uithongering' veroorzaakte, genoeg waren voor toepassing van art. 2:336 BW. De remedies waren de vernietiging van de reserve-besluiten, een enquêteprocedure of de uittreding van art. 2:343 BW. Zie Westbroek (1991), p. 19.
Sanders (1976), p. 121; Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 4; en Peters (1985), p. 27. Peters voorspelde dat de rechter in de praktijk voor meer gecompliceerde situaties zal komen te staan waarin hij de grens tussen 'bonafide' gedragingen en schadelijke gedragingen moet trekken. Zie ook Santen (1993), p. 75, voor enkele voorbeelden, zoals het onterecht uiten van malicieuze verdachtmakingen in de media. Dit doet denken aan de casus van Noro/Morepa, waarin de uit te stoten aandeelhouder keer op keer melding maakte van fraude, maar de uitlatingen ongefundeerd bleken.
Boukema (1988), p. 35. In een meer recente uitspraak vorderden twee 50%-aandeelhouders eveneens over en weer elkaars uitstoting. De aandeelhouder die het meeste wangedrag tentoonspreidt en het minst genegen is mee te werken aan de oplossing van de impasse kan mijns inziens worden uitgestoten. De rechtbank Den Haag overwoog ten aanzien van alle verwijten die men maakte, dat slechts de (wan)gedragingen als aandeelhouder tot uitstoting konden leiden. Deze (wan)gedragingen moesten daarbij van min of meer voortdurende aard zijn, onverenigbaarheid van karakters was onvoldoende. In casu was sprake van een impasse en verlamming in de besluitvorming. Dit kwam grotendeels voor rekening van één van de twee aandeelhouders. Hij weigerde structureel mee te werken aan een oplossing voor de impasse en deed verder geen enkel reëel voorstel. Door de impasse verlamde de besluitvorming en zonder een nieuwe bestuurder was het functioneren en het voortbestaan van de vennootschap evident in gevaar. Rb. Den Haag 24 maart 2010, JOR 2010/220 (Happyliner), ro. 5-7.
Aldus Emmerig (1988), p. 321.
Zie bijv. OK 23 februari 1995, NV 72, p. 89 (Noro/Morepa). Na een enquêteprocedure werd de uitstoting van Noro bevolen omdat (i) samenwerking tussen de twee 50%-aandeelhouders was uitgesloten en Noro dit met zijn opstelling frustreerde. De door Noro telkenmale herhaalde bewering dat sprake zou zijn van fraude sneed geen hout, nu uit het verslag van de enquêteur van dergelijke fraude niet was gebleken. Overigens werd tussen de aandeelhouders voornamelijk over de waardering van de aandelen geprocedeerd.
OK 8 oktober 1992, TVVS 1994, p. 47-49 (Muller/Muts).
Rb. Utrecht 16 juni 1993 en OK 27 oktober 1994, TVVS 1995, p. 76-77 (Muller/Muts).
Strikt genomen leidt het hoedanigheidsvereiste ertoe dat enkel het (dis)functioneren in de aandeelhoudersvergadering getoetst mag worden, aldus Santen (1993), p. 74.
Rb. Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001/110 (Hoffmann), ro. 4-8.
OK 10 april 2003, JOR 2003/144 (Hoffmann), ro. 4.1-4.6. In cassatie klaagde vader niet over de materieelrechtelijke aspecten van zijn uitstoting, maar enkel over het achterwege laten van een waardebepaling door een deskundige, zie HR 21 januari 2005, NJ 2005, 126 (Hoffmann).
OK 10 april 2003, JOR 2003/144 (Hoffmann), ro. 4.1 (zie de cursieve tekst in het intermezzo in de hoofdtekst), zie voorts mijn noot sub 2 onder de 0K-uitspraak.
Ik geef als voorbeeld de daden van vader Hoffmann: hij presenteerde zich als directeur van een Ltd., welke vennootschap eveneens werkzaam was op het terrein van de bedrijfsrecherche. Enkele voormalige werknemers van Hoffmann Bedrijfsrecherche BV waren bij deze nieuwe vennootschap in dienst. Deze vorm van concurrentie is dermate oneigenlijk dat schade voor de vennootschap voor de hand ligt en een uitstotingsvordering mogelijk moet zijn.
Zie bijv. Rb. Utrecht 16 juni 1993 en OK 27 oktober 1994, TVVS 1995, p. 76-77 (Muller/Muts). De rechtbank overwoog dat Muller niet alleen als bestuurder had bijgedragen tot de ontstane — voor het voortbestaan van de vennootschap gevaarlijke — situatie, maar ook in hoedanigheid van aandeelhouder, nu de gedragingen voldoende verband hielden met het functioneren als aandeelhouder. Zij tekende hierbij aan dat zij het onderscheid 'in persoon' en 'in hoedanigheid van aandeelhouder' slechts academisch vond. Het was de persoonlijkheid van de aandeelhouder die zijn gedrag bepaalde, in welke hoedanigheid ook. De OK nuanceerde dit standpunt over de 'hoedanigheid'. Het was onaannemelijk dat de onoverbrugbare tegenstellingen tussen de twee betrokkenen wel op directieniveau, maar niet in de aandeelhoudersvergaderingen tot blokkade in de besluitvorming zouden leiden. Het was het gedrag als aandeelhouder wat tot uitstoting leidde. Zie ook recent OK 30 maart 2010, JOR 2010/221 (Elf), ro. 4.2. De OK stelde vast dat een aandeelhouder op onredelijke gronden tegen de voorstellen van het bestuur stemde. Hiennee misbruikte hij zijn vetorecht — voortvloeiende uit de aandeelhoudersovereenkomst — op velerlei gebied. Het blokkeren van de besluiten bracht de continuïteit van de onderneming van Elf in gevaar. De goede grond ontbrak aan de tegenstem van de minderheidsaandeelhouder. Enkel dit gedrag was voldoende om aan de norm voor uitstoting te voldoen.
Slagter (1985), p. 127; Westbroek (1985/1), p. 714; Brood-Grapperhaus (1994), p. 38; Gerretsen (2005), p. 42-44; Van Schilfgaarde/Winter (2009), nr. 114; en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 707. Zie ook in deze zin Huizink (2009), p. 336. Ook Norbruis (2005/1), p. 66, stelde voor de beperking te laten varen. Zie eerder mijn opvatting in Bulten (2005), p. 46, (2007), p. 363.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 21.
Kamerstukken 31 058, nr. 5 (Verslag), p. 8.
Kamerstukken 31 058, nr. 6 (Nota), p. 22-23.
Westbroek (1985/1), p. 714; Santen (1993), p. 74; en Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 4.
Slagter (1976), p. 121. Hij herhaalde zijn standpunt meermalen, zie bijv. Slagter (1984), p. 24: Wij moeten niet de reputatie van de juristen versterken, waarvan sommigen zeggen, dat zij slechts putten dempen, als het kalf al bijna is verdronken, en dat zij zelfs tot dat dempen van de put niet altijd in staat zijn. Wil men die reputatie vermijden, dan past daarin de gedachte dat een aandeelhouder, die misbruik maakt van de als zodanig verworven wetenschap door vervolgens met de vennootschap in concurrentie te treden, een gedraging verricht, die door de andere aandeelhouders en door de vennootschap niet behoeft te worden geduld.' Zie ook Slagter in zijn Compendium (2005), p. 568. Emmerig (1988), p. 321 sloot zich aan bij de zienswijze van Slagter, omdat zo het aandeelhouderschap als bron van (voor)wetenschap wordt gebruikt. Westbroek achtte deze zienswijze te gekunsteld, zie Westbroek (1991), p. 20.
De variant waarbij beide aandeelhouders willen uittreden is natuurlijk ook denkbaar. Vordert aandeelhouder A de uitstoting van B, en vordert B zijn eigen uittreding, dan kan de rechter niet zonder meer beide vorderingen toewijzen met de gedachte dat ze hetzelfde resultaat nastreven: de overdracht van de aandelen van B. De vraag wie de kosten van het deskundigenbericht en de procedure moet dragen, blijft dan in de lucht hangen. Zie in dit verband OK 30 oktober 2003, JOR 2004/39 (Dodo). Zie ook Slagter (1984), p. 29-30; en Losbl. Rp. (Roest), Inl. Opm., § 3 sub 2.
Zie Boukema (1988), p. 36 en 38. Losbl. Rp. (Roest), Inl. Opm., § 3, sub 2, wees er nog op dat beide uitstotingsvorderingen toewijzen slechts leidt tot een uitruil van de aandelen, tenzij zo aan de misbruik van meerderheidsmacht een einde gemaakt kon worden.
Zie ook Slagter (1984), p. 29-30; en (1985), p. 128, die stelt dat de rechter op dit punt een meer dan marginale toetsing toekomt, maar de vorderingen niet zonder meer allebei mag afwijzen noch toewijzen. Teneinde de rechter te laten ontsnappen aan het dilemma, wilde Slagter het arsenaal van de rechter mede hierom uitbreiden met de tijdelijke overdracht van de aandelen ten titel van beheer. Zie op mijn lijn eveneens Santen (1993), p. 75; en Heijnen (1999), p. 126.
Zie onder meer de zaak Muller/Muts en de zaak Noro/Morepa. De grond voor uitstoting lag bij Muller/Muts in de blokkade in de besluitvorming. Nu beide aandeelhouders ieder de helft hadden, was het zaak de blokkade aan één van hen toe te schrijven. Het wanbeleidoordeel hielp hierbij.
OK 7 mei 1992, TVVS 1992/10, p. 270-271 (Van den Berg). Overigens was er niet sprake van een zuivere fiftyfifty-verhouding omdat er drie aandeelhouders waren. De 'kampen' waren echter wel gelijk verdeeld: Neef Arie hield 288 aandelen en 12 prioriteitsaandelen. Hij zag tegenover zich zijn oom Joop (288 gewone aandelen en 9 prioriteitsaandelen) met zoon Arjen (drie prioriteitsaandelen).
Zie OK 10 september 1992, NJ 1993, 38; en HR 8 december 1993, NJ 1994, 273 (Van den Berg). De vele procedures tussen de strijdende familieleden (neef Arie versus oom Joop en zijn zoon Arjen) ontlokten Maeijer in zijn noot de uitspraak dat de permanente conflictsituatie zorgde 'voor de nodige interessante rechtspraak'. In cassatie kwam voorts de belangrijke vraag aan de orde of de uitstotingsvordering van de geschillenregeling in strijd was met het ongestoord genot van eigendom, zie § 11.4.2.
OK 10 september 1992, NJ 1993, 38 (Van den Berg), ro. 4.9 en 4.10. In zijn conclusie schreef A-G Van Soest (ov. 6.1-6.7) dat de vrees voor de verlammende besluitvorming en voor het nastreven van het ontslag van de bestuurder cumulatief ten grondslag lag aan de toewijzing van de uitstotingsvordering.
Zoals ik hiervoor in § 111.2.2 schreef, leidt niet iedere misstap van een aandeelhouder tot zijn uitstoting. Indien de aandeelhouders een verschil van mening hebben, is dit niet te gebruiken als grondslag voor een vordering ex art. 2:336 BW. Incompatibilité d'humeur is dus niet voldoende.1 Er moet sprake zijn van misdragingen of verkeerde gedragingen.2 Indien de rechter concludeert dat sprake is van 'verkeerde gedragingen' van een aandeelhouder, impliceert dit dat de gedragingen aan de aandeelhouder kunnen worden toegerekend. Het wetsartikel staat in de tegenwoordige tijd; de aandeelhouder schaadt het vennootschappelijk belang. De meest voor de hand liggende uitleg brengt mee dat de gedraging op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding nog moet voortduren. In het verleden gepleegd wangedrag zou dan niet tot uitstoting kunnen leiden.3
In het wetsvoorstel Flex-BV wijzigt art. 2:336 lid 1 BW en gaat het niet alleen meer om de aandeelhouder die schaadt, maar ook die heeft geschaad. Omdat de wetgever hiermee geen inhoudelijke wijziging beoogde, neem ik aan dat gedragingen die ten tijde van het instellen van de vordering al in het verleden lagen, ook nu vallen onder het uitstotingscriterium.4
De aard van de gedraging
Het stemgedrag van de aandeelhouder is één van de bronnen van schadelijk gedrag, maar niet de enige.5 Het misbruik van de meerderheidsmacht in de aandeelhoudersvergadering of het frustreren van de besluitvorming bij een fiftyfifty-verhouding kan zodanig schadelijk zijn, dat uitstoting volgt. De aandeelhouder mag zijn stem gebruiken, maar indien hij hiermee het vennootschappelijk belang te zeer schaadt, misbruikt hij zijn stem en ligt uitstoting in de rede.6 Het zonder reden blokkeren van een stemming is ook fnuikend. Een aandeelhouder misdraagt zich dus als hij niet tot redelijk overleg bereid is en de besluitvorming frustreert omdat hij tegen elk voorstel stemt.7 Daarnaast is denkbaar dat een grootaandeelhouder tevens een bijzonder onbekwaam bestuurder is, maar zijn eigen ontslagbesluit weet tegen te houden. De conclusie dat dit het belang van de vennootschap schaadt, is dan eenvoudig te trekken.8
Door de verdeling van de aandelen — fiftyfifty — of de afgesproken benodigde meerderheid voor het nemen van besluiten, kan een impasse ontstaan in de aandeelhoudersvergadering. Deze impasse blokkeert vervolgens de besluitvorming. Laat de aandeelhouder door zijn stemgedrag deze ongewenste situatie voortbestaan en blijkt hij weigerachtig tot een oplossing en herstel van normale zakelijke betrekkingen te komen, dan levert zo'n instandhouding van de patstelling voldoende grond op voor uitstoting.9 Zijn houding zorgt voor verergering van de conflictueuze situatie. Door de stagnerende besluitvorming komt het voortbestaan van de vennootschap in gevaar.10 Zo'n onredelijke en ongerechtvaardigde opstelling (in de aandeelhoudersvergadering) wordt een aandeelhouder zwaar aangerekend.11
Een impasse in de samenwerking leidde er in de zaak Muller/Muts toe dat de aandeelhouders over en weer elkanders uitstoting vorderden.
Er was sprake van een 'klassieke 50/50-situatie'. De beide bestuurders Muller en Muts waren namelijk tevens ieder voor de helft aandeelhouder. De reeds gevoerde enquêteprocedure bracht de conclusie dat het wanbeleid van de vennootschap aan Muller was te wijten; zijn ontslag als bestuurder was het gevolg.12 De rechtbank achtte de uitstoting van Muller op grond van deze `wanbeleidgedragingen' gerechtvaardigd, omdat aan de besluitvaardigheid van de vennootschap ernstig afbreuk was gedaan door de vete tussen de twee aandeelhouders. Het aanblijven van Muller als aandeelhouder zou tot onrust leiden binnen de vennootschappelijke verhoudingen, met gevaar voor het voortbestaan van de vennootschap tot gevolg. De OK bekrachtigde dit vonnis. Het wanbeleid én de blokkade in de besluitvorming waren aan Muller te wijten.13
Is het noodzakelijk dat de verstoorde verhouding tussen de aandeelhouders het voortbestaan van de vennootschap in gevaar brengt? Ik ben het met een aantal schrijvers eens dat de vennootschap niet per se altijd in haar voortbestaan bedreigd moet worden, wil van uitstoting sprake kunnen zijn. Zodanige schade aan het vennootschappelijk belang kan ook al in een eerder, minder levensbedreigend, stadium aanwezig zijn. Als een orgaan disfunctioneert, is dit goede grond om te betogen dat er schade optreedt voor de vennootschap. Als de samenwerking stokt op vennootschappelijk niveau, werkt dit door in de onderneming, waarin bij kleine vennootschappen immers dezelfde personen de betrokkenen zijn. Het bedrijf ligt nagenoeg stil, de omzetten worden niet langer gerealiseerd en de vennootschap maakt verlies. Zie § II.2.2.b voor een bespreking van het belang van de vennootschap.
Het gedrag in hoedanigheid van aandeelhouder
Uit de toelichting bij de wettekst volgt dat de het gedrag 'in hoedanigheid van aandeelhouder' moet plaatsvinden. Voor de rechter was het niet altijd eenvoudig om de gemanifesteerde gedragingen in die restrictie van hoedanigheid te `persen'.14 De bekende uitstotingsprocedure tussen vader en zoon Hoffmann illustreert dit.15
Van een werkbare situatie tussen vader en zoon — de enige twee aandeelhouders en tevens de enige twee bestuurders — was volgens de rechtbank Amsterdam geen sprake meer. Uit het verslag van de onderzoeker in de al gevoerde enquêteprocedure bleek zulks ook. Op de door zoon gedane 'zeer acceptabele voorstellen' wilde vader niet ingaan. Het ontstaan van de impasse én het voortbestaan ervan waren derhalve in grote mate aan de gedragingen van vader te wijten. Het tweede dat de rechtbank vader aanrekende, was het feit dat hij (rechtmatig) fl. 2 miljoen aan het vermogen van de BV onttrok voor zijn pensioen. In hoedanigheid van aandeelhouder had vader dit moeten nalaten omdat de vennootschap hierdoor in liquiditeitsproblemen werd gebracht. De derde en laatste wangedraging van vader was het opzetten van een concurrerend bedrijf. Dit was schadelijk voor de vennootschap omdat het belang van de BV mede gelegen is in het maken van zoveel mogelijk winst.
Opmerkelijk is dat het onderscheid tussen de diverse hoedanigheden van vader (directeur, aandeelhouder en `privépersoon') niet goed te maken viel, maar de rechtbank van mening was dat dit niet ten nadele van de vennootschap mocht uitpakken. Vader werd uitgestoten.
In hoger beroep was de OK dezelfde mening als de rechtbank toegedaan.16 De grieven van vader tegen zijn uitstoting sneden geen hout. De OK benadrukte dat hij door zijn gedragingen als aandeelhouder de belangen van de vennootschap had geschaad. Zijn opstelling om niet in (zinvol) overleg te treden of medewerking te verlenen om tot een oplossing te komen, werd vader zwaar aangerekend. De OK overwoog dat het voortbestaan van de BV door de impasse tussen vader en zoon op het spel stond. De impasse kwam voor rekening van vader, omdat hij niet meer bereid was met zijn zoon te spreken. Daarnaast waren de concurrerende handelingen van vader hem eveneens te verwijten, omdat hij hiermee de verhoudingen tussen de aandeelhouders verder vertroebelde.
De rechtbank had duidelijk moeite met de gedragingen van vader en de diverse posities die hij innam. De bottom line was echter helder: de vennootschap mocht niet de dupe worden van de onmogelijkheid een onderscheid te maken tussen de diverse hoedanigheden. Deze benadering is geheel in overeenstemming met de wettekst van art. 2:336 lid 1 BW: het belang van de vennootschap staat voorop. Een te vergaande schending leidt tot uitstoting. De OK plaatste de uitstoting van vader echter in de sleutel van gedragingen in hoedanigheid van aandeelhouder.17 Dit is overeenkomstig de restrictie in de wetsgeschiedenis. Mij is echter niet duidelijk hoe medewerking aan een 'beconcurrerende vennootschap' onder aandeelhoudersgedragingen te scharen valt.
Ik ben van mening — anders dan de OK in de Hoffmann-zaak — dat het aandoen van concurrentie niet valt onder aandeelhoudersgedragingen, maar onder omstandigheden wel tot uitstoting kan leiden. Indien een aandeelhouder een non-concurrentiebeding heeft, is het schenden hiervan mede reden voor uitstoting. Een andere omstandigheid ziet op de informatie die hem (in hoedanigheid van betrokkene bij de vennootschap) ter ore komt. Indien de aandeelhouder deze informatie oneigenlijk gebruikt en hiermee in concurrentie treedt, is uitstoting mijns inziens zijn logische lot.18 Helaas houdt de rechter tot nu toe vast aan de hoedanigheidseis.19 De eis wordt in de literatuur heftig bekritiseerd. Veel schrijvers, onder wie ik, zijn van mening dat de enge uitleg van het criterium niet gehandhaafd moet blijven en verwerpen de beperking.20
De minister heeft de handschoen niet opgepakt. In de parlementaire stukken bij het wetsvoorstel Flex-BV merkte hij op dat het verruimen van de uitstotingsgrond niet aan de orde is.21 In de consultatie was voorgesteld de hoedanigheidseis te laten varen. De vaste commissie van Justitie van de Tweede Kamer voelde hier ook wel wat voor.22 De minister bleef echter onverbiddelijk. De uitstoting was een verstrekkende maatregel. Het functioneren van de vennootschap moet in gevaar zijn gebracht door een impasse. Omwille van die verlamming in de besluitvorming sluit het criterium aan bij de gedragingen, verricht in de hoedanigheid van aandeelhouder. Wordt op andere wijze schade aan de vennootschap toegebracht dan moet dit maar op andere wijze worden geredresseerd.23
Zijn concurrerende handelingen te beschouwen als handelingen in hoedanigheid van aandeelhouder? De meeste schrijvers antwoorden ontkennend.24 Slagter bedacht de constructie waarbij concurrentie inderdaad binnen de sfeer van de rechtspersoon viel. De aandeelhouder misbruikte de gegevens die hij vertrouwelijk had verkregen omdat hij aandeelhouder was. Maakte hij als concurrent stelselmatig gebruik van die kennis, dan was uitstoting gerechtvaardigd.25 Het bestaan van de vennootschap kwam met de onoorbare concurrentie in gevaar. Ik merkte bij de bespreking van de Hoffmann-uitspraak reeds op dat de conclusie moet luiden dat concurrentie niet onder de huidige invulling van het uitstotingscriterium valt. De wetgever lijkt gezien zijn uitlatingen in de stukken op het wetsvoorstel Flex-BV — dezelfde mening toegedaan.
De vordering over en weer bij een impasse
In sommige situaties gunnen de aandeelhouders elkaar het licht in de ogen niet. Stelt de één een uitstotingsvordering in, dan doet de ander bij wijze van reconventionele vordering precies hetzelfde.26 De rechter staat dan voor het dilemma wie er uitstootbaar is. Dit kan de aandeelhouder zijn die de patstelling heeft veroorzaakt, dan wel de patstelling laat voortduren en zo het meest verwijtbaar handelt. In de literatuur is gesteld dat de rechter de beide uitstotingsvorderingen moet afwijzen. Eén ervan honoreren zou willekeur opleveren.27 Deze mening deel ik niet. Wordt over en weer de uitstotingsvordering ingesteld, dan is eigenlijk al gegeven dat de verstandhouding tussen de aandeelhouders is verstoord. Kan de rechter vervolgens vaststellen dat een van de aandeelhouders het meest verwijtbaar handelt en het vennootschappelijk belang in belangrijke mate schaadt, dan is de uitstotingsvordering jegens die aandeelhouder toewijsbaar.28
Opmerkelijk is dat bij een aantal uitstotingszaken waarin sprake was van een impasse door de fiftyfifty-verhouding eerst een uitweg werd gezocht met behulp van een enquêteprocedure. Een definitieve oplossing bood die echter niet, zodat uitstoting van de aandeelhouder aan wie in de grootste mate het wanbeleid toegeschreven werd, de enige uitweg bleek.29 Zo verlengde de OK bij de voortdurende vete tussen de familieleden Van den Berg de door haar getroffen voorzieningen in afwachting van een uitspraak in de uitstotingsprocedure.30 De ernstige impasse in de Van den Berg-vennootschap had al het predicaat wanbeleid ontvangen.31
Oom Joop en zijn zoon Arjen streden vergeefs tegen hun uitstoting door neef Arie. De enquêteprocedure had reeds geleid tot het ontslag van Joop als bestuurder van de vennootschap. Onder de leiding van de overgebleven bestuurder neef Arie bleek de vennootschap te floreren. Teneinde de tijdelijkheid van de getroffen voorzieningen te kunnen beëindigen was een definitief afscheid — lees: de uitstoting — van oom Joop én zijn zoon Arjen noodzakelijk. Hun uitstoting kwam er, omdat 'de diepgaande verschillen van mening al jaren onverminderd voortduren' en het wanbeleid voor rekening kwam van het kamp van oom en zoon. De OK overwoog voorts dat neef Arie niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW handelde door het hem als aandeelhouder toekomende recht van uitstoting te gebruiken. Integendeel, zou de OK de vordering afwijzen dan bestond de vrees dat de besluitvorming in de aandeelhoudersvergadering geblokkeerd en verlamd bleef door de opstelling van oom Joop en zoon Arjen. Bovendien streefden zij zonder gegronde reden naar het ontslag van neef Arie als bestuurder.32