Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.10:IV.1.10. Quasi-legaten en vereffening
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.10
IV.1.10. Quasi-legaten en vereffening
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS574412:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit volgt eveneens uit de parlementaire stukken. Tweede Nota van Wijziging, 17 213, nr. 7, p. 6. In deze zin ook Klaassen-Luijten-Meijer, Erfrecht, nr. 339, noot 427.
Net als overigens ‘letter h’. In deze zin ook Asser-Perrick, Erfrecht en Schenking 6B, nr. 473.
Zesde Nota van Wijziging, 17 141, nr. 26, p. 22.
17 213, nr. 4.
Tweede Nota van Wijziging, 17 213, nr. 7, p. 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook voor de vereffening worden de quasi-legatarissen niet vergeten. Door de laatste zin van art. 4:128 BW wordt hetgeen in art. 4:216 BW en 4:220 BWis bepaald ook van toepassing op de quasi-legaten van 4:126 lid 1 en lid 2 onder b en c BW. Waarschijnlijk is hier bedoeld om letter a in de plaats van letter b te noemen. Het quasi-legaat van art. 4:126 lid 2 onder b BW kent immers een eigen voorziening in art. 4:127 BW.1
In art. 4:216 BW is bepaald dat een door de rechter benoemde vereffenaar hetgeen uit de nalatenschap aan een (quasi-)legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna terug kan vorderen, voor zover dit nodig is om schulden als bedoeld in art. 4:7 lid 1 onder a tot en met g BW te voldoen. Ik mis hier de ‘letter i-schulden’.
In art. 4:220 lid 3 BW worden de schuldeisers van de nalatenschap als bedoeld onder art. 4:7 lid 1 onder a tot en met g BW onder omstandigheden een recht op verhaal jegens (quasi-) legatarissen toegekend. Ook hier wordt mijns inziens de ‘letter i’ gemist.2
De gelijkstelling van legatarissen en quasi-legatarissen op dit punt houdt verband met de verwantschap van de terugvordering door een vereffenaar en het verhaal door een nagekomen schuldeiser in de vereffening met de inkorting en vermindering.3
In dit kader merk ik nog op dat in art. 4.4.2.7d, zoals opgenomen in de Nota van Wijziging,4 was bepaald dat de bevoegdheid tot inkorting en vermindering vervalt na verloop van een daarvoor door de bevoordeelde aan de erfgenamen onderscheidenlijk de vereffenaar gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater. Deze bepaling is vervallen. De termijn van vijf jaar moest men mijns inziens begrijpen in het licht van het feit dat voorheen de quasi-legaten als giften werden bestempeld. Voor de inkorting van giften geldt een vervaltermijn van vijf jaar (art. 4:90 BW), welke de wetgever ook voor de quasi-legaten wilde laten gelden. Met de verplaatsing van de quasi-legatenregeling naar Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek was de wetgever van mening dat een van het legaat afwijkende termijn niet meer op zijn plaats was.5