De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.2.3:2.2.3 Het vennootschappelijk belang en de or
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.2.3
2.2.3 Het vennootschappelijk belang en de or
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388491:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Overigens betekent dit niet dat de vakbonden, bijvoorbeeld bij het uitoefenen van het enquêterecht, alleen maar gebruik kunnen maken van hun bevoegdheden als het werknemersbelang in het geding is. De taak van de vakbonden is wat dat betreft breder.
L.G. Verburg, Het territoir van de (Nederlandse) ondernemingsraad in het internationale bedrijfsleven, Diss. 2007, p. 63.
Het vennootschappelijk belang van art. 2:150/260 lid 2 BW ziet immers niet alleen op het belang van de onderneming, maar ook op het belang van de vennootschap, de rechtspersoon.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het richtsnoer van het vennootschappelijk belang geldt dus primair voor het bestuur en de RVC. Aandeelhouders dienen in het kader van art. 2:8 BW naast hun eigen belang rekening te houden met het vennootschappelijk belang, maar hoeven zich niet alleen daardoor te laten leiden. in deze paragraaf onderzoek ik in hoeverre het vennootschappelijk belang een rol speelt bij de uitoefening van de bevoegdheden van werknemersvertegenwoordigers. Kunnen de or en vakbonden zich alleen richten op het belang van de werknemers, of geldt voor hen een bredere taakstelling? Bij de beantwoording van deze vraag moet een onderscheid worden gemaakt tussen vakbonden en de or. Vakbonden zijn organisaties met als primaire taak het vertegenwoordigen van werknemers. Bij deze taak kunnen zij zich dan ook volledig richten op het belang van de werknemers.1 Voor de or geldt dat hij een dubbele taakstelling heeft. Uit art. 2 WOR volgt dat de or enerzijds is ingesteld ten behoeve van het goed functioneren van de onderneming en anderzijds als vertegenwoordiger van de werknemers. De or zal zich altijd rekenschap moeten geven van het belang van de onderneming en in sommige gevallen dit belang zelfs moeten laten prevaleren boven het belang van werknemers. Verburg stelt in dit kader dat de taakstelling van de or een zekere lenigheid van denken vereist. De or moet het dienen van het belang van de onderneming als geheel ‘verenigen’ met het dienen van het werknemersbelang.2 De dubbele taakstelling van art. 2 WOR heeft alleen betrekking op de onderneming in de zin van de WOR, wat minder ruim is dan het vennootschappelijk belang in de zin van Boek 2 BW.3 Wanneer de onderneming echter in stand wordt gehouden door een kapitaalvennootschap zal het belang van de onderneming lastig te scheiden zijn van het belang van de ondernemer (de vennootschap), waardoor het belang van de ondernemer ook een rol zal spelen bij de uitoefening van de bevoegdheden van de or. Bovendien valt de or ook onder de norm van art. 2:8 BW (zie paragraaf 2.3.5), zodat hij sowieso rekening dient te houden met de belangen van andere betrokkenen bij de vennootschap.