Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.5.4.5
10.5.4.5 Eigenbeslag
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584874:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Deze verplichting vloeit voort uit zijn zorgverplichting ex art. 7:401 BW. Zie nader Biemans 2010a, p. 222.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 10. Vgl. Rongen & Verhagen 2003, p. 688-689.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 10.
Zie daarover Biemans 2010a, p. 221-223; en zie hieronder.
Vgl. Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 10.
Zie nader Biemans 2010a.
Vgl. HR 30 november 2001, NJ 2002, 419 (De Jong/Camifour), m.nt. H.J. Snijders.
Zie nader Biemans 2010a.
Vgl. onder het oude recht, Hof 's-Gravenhage 28 mei 1969, NJ 1970, 248.
Zie Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 126; Biemans 2010a, p. 222.
Uit art. 3:88 lid1 BW volgt dat ondanks de onbevoegdheid van de vervreemder (de cedent) een overdracht van een vordering geldig is, indien de verkrijger (de cessionaris) te goeder trouw is en de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder.
617. De schuldenaar is op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW ook bevoegd om tot het moment van mededeling onder zichzelf derdenbeslag te leggen op de stil gecedeerde vordering voor een tegenvordering jegens de stille cedent. Net zoals de schuldenaar tot het moment van mededeling volledig bevoegd blijft om te verrekenen met de stil gecedeerde vordering, zo is hij in beginsel ook bevoegd om derdenbeslag op deze vordering te leggen, ook al bevindt de vordering zich niet meer in het vermogen van de stille cedent. De stille cedent en de stille cessionaris kunnen ook in dit opzicht de overgang van de vordering niet aan de schuldenaar tegenwerpen. De schuldenaar die bekend is met de stille cessie, kan, zolang geen mededeling is gedaan, op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW ook aan de deurwaarder verklaren dat hij het bedrag van de vordering aan de stille cedent verschuldigd is. In de meeste gevallen zal hij ook daadwerkelijk menen dat hij dit bedrag aan de stille cedent verschuldigd is. Op grond van die verklaring kan hij het verschuldigde aan de deurwaarder op grond van art. 477 lid 1 Rv voldoen, en zal de deurwaarder het geïnde vervolgens op grond van art. 480 lid 1 Rv aan hem als beslagleggende schuldeiser afdragen. De stille cedent en de stille cessionaris kunnen een nog door de schuldenaar te leggen derdenbeslag alleen voorkomen door aan hem tijdig mededeling te doen. Gelet op het voorgaande zal de stille cedent die op de hoogte raakt van het derdenbeslag, de stille cessionaris daarover zo spoedig mogelijk dienen te informeren.1
618. In de Nota naar aanleiding van het verslag heeft de Minister een andere zienswijze naar voren gebracht. Hij heeft opgemerkt dat de cessie vóór de mededeling volledig goederenrechtelijke werking heeft, en dat daarom noch de schuldenaar die een tegenvordering op de cedent heeft, noch de andere schuldeisers van de cedent na de cessie nog op de dan immers aan de cessionaris toebehorende vordering beslag kunnen leggen.2 De Minister overweegt:
"De eerste vraag die hier aan de orde komt, is of de cessie, zolang geen mededeling aan de schuldenaar is gedaan, volledige werking heeft, behoudens dat de schuldenaar nog bevrijdend aan de stille cedent kan betalen, of dat de schuldenaar zich erop kan beroepen dat de cessie ook goederenrechtelijke werking heeft. Met name Rongen en Verhagen (p. 688) noemen deze laatste mogelijkheid en wijze erop dat dit verschil kan maken bijv. met betrekking tot de bevoegdheid van de schuldenaar op de vordering beslag onder zichzelf te leggen voor een tegenvordering op de cedent. Het stelsel van het wetsvoorstel komt op dit punt overeen met wat onder het vóór 1992 geldende recht placht te worden aangenomen. De cessie heeft vóór de mededeling aan de schuldenaar volledige goederenrechtelijke werking. Noch de schuldenaar die een tegenvordering op de cedent heeft, noch de andere schuldeisers van de cedent kunnen na de cessie nog op de dan immers aan de cessionaris toebehorende vordering beslag leggen. De schuldenaar kan echter wei bevrijdend aan de cedent blijven betalen."3
Het uitgangspunt dat de stille cessie goederenrechtelijke werking heeft, dient onderschreven te worden. De gevolgtrekking dat de schuldeisers van de stille cedent om die reden na de stille cessie op de stil gecedeerde vordering geen derdenbeslag meer kunnen leggen, is in beginsel juist, maar roept in de praktische uitwerking veel vragen op vanwege de door de schuldenaar af te leggen derden-verklaring (art. 476a-476b Rv).4
Voor zover de opmerking van de Minister betrekking heeft op een derdenbeslag dat door de schuldenaar wordt gelegd ten laste van de stille cedent, is zij onbegrijpelijk. Dit standpunt is geheel tegenstrijdig met de tweede zin van art. 3:94 lid3 BW, waaruit juist volgt dat ondanks de goederenrechtelijke overgang van de vordering door de stille cessie, de overgang van de vordering niet aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen. Voor zover de opmerking van de Minister betrekking heeft op het eigenbeslag door de schuldenaar dient zij dan ook voor onjuist te worden gehouden. De overgang van de vordering kan op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BWin ieder opzicht niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen totdat aan hem mededeling is gedaan. Dat de Minister ten aanzien van het leggen van derdenbeslag door de schuldenaar onder zichzelf een uitzondering maakt met een beroep op de goederenrechtelijke werking ten opzichte van bijvoorbeeld betaling en verrekening, overtuigt niet. Bij de overgang van vorderingen zijn vanuit de schuldenaar de goederenrechtelijke en de verbintenisrechtelijke gevolgen niet van elkaar te onderscheiden. De schuldenaar kan op grond van art. 3:94 lid 3 BW de stille cedent in alle opzichten voor zijn schuldeiser houden. Bezien vanuit zijn positie, maakt het voor hem geen verschil of hij om die reden aan de stille cedent bevrijdend kan betalen, met hem kan blijven verrekenen of op de vordering van de stille cedent derdenbeslag onder zichzelf kan leggen. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW bevat geen uitzondering op grond waarvan het tegendeel moet worden aangenomen.
De opvatting van de Minister over het derdenbeslag is evenmin wenselijk recht. De wetgever heeft niet doordacht hoe de uitzondering gestalte dient te krijgen. De schuldenaar zal in de meeste gevallen te goeder trouw menen dat de vordering jegens hem, waarop hij onder zichzelf beslag legt, aan de stille cedent toebehoort. Alleen de stille cedent en de stille cessionaris kunnen hem erop wijzen dat dit niet het geval is. Doen zij dat, dan zal in die mededeling ook mededeling van de stille cessie besloten liggen. Blijft de mededeling achterwege, dan is niet alleen onduidelijk waarom de schuldenaar geen eigenbeslag kan leggen op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid3 BW, maar is evenmin duidelijk hoe dit eigenbeslag kan worden voorkomen zonder dat aan de schuldenaar mededeling wordt gedaan van de stille cessie.5
619. Ook als de (andere) schuldeisers van de stille cedent derdenbeslag leggen op de stil gecedeerde vordering is dit niet zonder problemen. In beginsel geldt voor hen de regel onverkort dat zij zich niet op de stil gecedeerde vordering kunnen verhalen, omdat deze zich na de stille cessie niet meer in het vermogen van de stille cedent bevindt. Is de schuldenaar echter onbekend met de stille cessie, dan kan het derdenbeslag ten laste van de stille cedent doorgang vinden, omdat de schuldenaar zal verklaren dat hij aan de stille cedent een bedrag verschuldigd is.6 Omgekeerd zal een derdenbeslag ten laste van de stille cessionaris geen doorgang kunnen vinden, omdat de schuldenaar daadwerkelijk zal menen dat hij aan de stille cessionaris niets verschuldigd is, en dit ook aan de deurwaarder zal verklaren. Hoewel deze verklaring feitelijk gezien onjuist is, handelt de schuldenaar hierdoor niet onrechtmatig. 7 Op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BWmag hij de stille cedent in beginsel als zijn schuldeiser beschouwen tot het moment dat mededeling is gedaan door de stille cedent of cessionaris.8 De schuldenaar betaalt op grond van art. 3:94 lid 3 tweede zin BW bevrijdend aan de deurwaarder die de betalingen in on tv angst neemt ten behoeve van een schuldeiser van de stille cedent; de deurwaarder draagt op grond van art. 480 lid 1 Rv de netto-opbrengst aan de schuldeiser af en het eventuele overschot aan de geëxecuteerde (de stille cedent). Alleen als de schuldenaar kennis heeft van het derdenbeslag, zou hij anders kunnen verklaren. De schuldenaar die wetenschap heeft van de stille cessie, kan zich hierop tegenover de beslaglegger die ten laste van de stille cedent derdenbeslag heeft gelegd op beroepen, ongeacht of hij bevrijdend zou kunnen betalen aan de stille cedent.9 Het derdenbeslag vindt dan geen doorgang. De schuldenaar maakt in dit geval geen aanspraak op de bescherming die de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW hem biedt. Omgekeerd kan de schuldenaar die weet van de stille cessie, ook jegens de beslaglegger die ten laste van de stille cessionaris derdenbeslag heeft gelegd, verklaren dat zijn betaling aan de stille cessionaris verschuldigd is. Dat de stille cedent en de stille cessionaris zijn overeengekomen dat de stille cedent privatief inningsbevoegd is, staat aan het derdenbeslag niet in de weg.10
620. De hiervoor geschetste uitkomst vormt een uitzondering op de beoogde volledig goederenrechtelijke werking van de stille cessie jegens derden. Alleen als de schuldenaar kennis heeft van de stille cessie en dienovereenkomstig derde-verklaring aflegt, wordt het door de wetgever 'gewenste' resultaat bereikt. De uitzondering staat echter niet alleen. Ook in andere gevallen wordt de volledig goederenrechtelijke werking van de stille cessie jegens derden gerelativeerd. Bijvoorbeeld de stille cessionaris die te goede trouw van een beschikkingsonbevoegde stille cedent de vordering geleverd krijgt, kan zich op grond van de derde zin van art. 3:94 lid3 BW niet op de derdenbescherming van art. 3:88 lid1 BW beroepen jegens de rechthebbende van de vordering, zolang geen mededeling is gedaan.11 De problemen die zich voordoen bij het leggen van derdenbeslag, staan om die reden niet op zichzelf, maar hangen samen met het karakter van de stille cessie.