Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.7.2:IV.5.7.2 Reparatiemogelijkheden voor alternatieve causaliteit
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.7.2
IV.5.7.2 Reparatiemogelijkheden voor alternatieve causaliteit
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460209:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-II 2017/86-97; HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0706, NJ 1994/535, m.nt. Brunner (DES-dochters).
HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6092 NJ 2011/250, m.nt. Tjong Tjin Tai (Nefalit/Karamus).
HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6092 NJ 2011/250, m.nt. Tjong Tjin Tai (Nefalit/Karamus), r.o. 3.13.
Waarover uitvoerig Hartlief e.a. 2018, nr. 201b.
HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799, NJ 2011/251, m.nt. Tjong Tjin Tai (Fortis/Bourgonje), r.o. 3.8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer er verschillende mogelijke veroorzakers van milieuschade in beeld zijn, maar onduidelijk is door wiens toedoen de betreffende milieuschade is aangericht, kan artikel 6:99 BW mogelijk uitkomst bieden. Artikel 6:99 BW bepaalt dat als ‘de schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en het staat vast dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, de verplichting om de schade te vergoeden dan rust op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.1
Het standaardvoorbeeld voor de werking van artikel 6:99 BW is wanneer twee personen een steen gooien en onduidelijk is wiens steen het slachtoffer heeft geraakt. Op grond van artikel 6:99 BW zijn de steenwerpers hoofdelijk aansprakelijk. Het is aan de aangesproken steenwerper om te bewijzen dat niet hij, maar de ander de schadetoebrengende steen heeft geworpen. Vertaald naar een milieurechtelijke casus, kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan een situatie waarin vaststaat dat chroomverontreiniging in de bodem is veroorzaakt door één van de nabijgelegen galvaniseringsbedrijven, maar niet kan worden achterhaald van welke van deze bedrijven de chroom-stoffen afkomstig zijn.
Artikel 6:99 BW is echter niet toepasselijk wanneer de schade ook kan zijn veroorzaakt door een onrechtmatige, aan een ander toe te schrijven oorzaak. Voor dit soort situaties kan de rechtsregel uit het Nefalit/Karamus-arrest mogelijk uitkomst bieden.
Het Nefalit/Karamus-arrest draait om de aansprakelijkheid van een werkgever voor het blootstellen van zijn werknemers aan asbest zonder toereikende beschermingsmiddelen. In deze casus liet het causale verband tussen de gezondheidsschade van de werknemer (longkanker) en de normschending zich echter niet vaststellen, omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld of de longkanker werd veroorzaakt door asbest (een gebeurtenis waarvoor de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is) of doordat de werknemer jarenlang tabak heeft gerookt (een gebeurtenis die in de risicosfeer van gedaagde viel).2 De Hoge Raad overweegt dat het in zo’n situatie voor de hand ligt dat de rechter een deskundige benoemt die een schatting kan geven van de kans dat de schade is veroorzaakt door een tekortkoming van de werkgever. Is deze kans klein, dan wordt de vordering afgewezen; is de kans groot, dan wordt het CSQN-verband aangenomen. Maar wanneer de kans tussen deze uiterste gevallen ligt, verzet volgens de Hoge Raad de redelijkheid en billijkheid zich tegen de alles- of-niets-benadering van de CSQN-toets, waarbij onzekerheid ten aanzien van de schadeoorzaak volledig wordt afgewenteld op de benadeelde of op de gedaagde. In een dergelijk geval mag het causale verband worden verondersteld en wordt in de omvangsfase de vergoedingsplicht van de gedaagde verminderd in evenredigheid met de schatting van de kans dat de schade veroorzaakt is door een gebeurtenis die voor rekening komt van de gedaagde.3
De benadering van de Hoge Raad in het Nefalit/Karamus-arrest wordt ook wel ‘proportionele aansprakelijkheid’ genoemd.4 Omdat proportionele aansprakelijkheid de mogelijkheid in zich draagt dat iemand aansprakelijk wordt gehouden voor een schade die hij niet heeft veroorzaakt, dient terughoudendheid te worden betracht met de toepassing van deze benadering. Toch kan de rechtsregel uit Nefalit/Karamus ook buiten werkgeversaansprakelijkheid worden ingezet. Volgens de Hoge Raad kan daarvoor met name aanleiding zijn als vaststaat dat de gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld, er een niet zeer-kleine kans bestaat dat het CSQN-verband tussen de normschending en de schade aanwezig is, en de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending de toepassing van deze benadering rechtvaardigen.5
Gelet op deze gezichtspunten, ligt het mijns inziens voor de hand dat in bepaalde gevallen van milieuaansprakelijkheid ook een beroep kan worden gedaan op proportionele aansprakelijkheid. Er bestaat immers een groot maatschappelijk belang bij de naleving van milieuvoorschriften, en milieuovertredingen kunnen ernstige, soms zelfs onomkeerbare schadelijke gevolgen hebben. Milieuschade gaat vaak gepaard met de nodige causaliteitsonzekerheid, en deze onzekerheid zou niet ten gunste mogen werken van de bewijspositie van bedrijven en functionarissen waarvan vaststaat dat ze een milieuovertreding hebben begaan die de milieuschade veroorzaakt kan hebben.
Vooralsnog heb ik geen voorbeelden in de milieurechtjurisprudentie kunnen vinden waarin de regel uit Karamus/Nefalit wordt toegepast, maar gelet op het voorgaande vermoed ik dat het een kwestie van tijd is totdat er een milieurechtszaak wordt aangespannen waarin een niet zeer-kleine kans bestaat dat de aangesprokene op onrechtmatige wijze bepaalde milieuschade heeft aangericht, maar dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen de toewijzing of afwijzing van de schadevergoedingsvordering vanwege het ontbreken van een CSQN-verband.