Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.3
16.3 Legitimatie van de kwalificatie ‘Onroerende zaak die in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst of openbare bezinningssamenkomst’
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455209:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mogelijk dat deze volledige vrijstelling uiteindelijk is terug te voeren op een gematigd theocratisch ideaaltype. Voor de Franse inval ten tijde van de Republiek had Nederland immers een soort staatsgodsdienst (of publieke kerk). Het is goed denkbaar dat de staat vanuit het belang van de publieke godsdienst deze kerk belastingtechnisch heeft willen bevoorrechten. Historisch onderzoek (dat het bestek van dit onderzoek te buiten gaat) zou hierover uitsluitsel kunnen geven.
‘Bekende’ godsdiensten en levensovertuigingen omdat de betekenis van ‘onroerende zaak’ in dit kader verbonden is met de termen eredienst en bezinningssamenkomst. Deze termen worden naar algemeen spraakgebruik geduid. Ze worden dus geobjectiveerd naar de algemeen heersende opvattingen in de maatschappij. Het is om die reden waarschijnlijk dat hieronder alleen bekende godsdiensten en levensovertuigingen worden gerekend.
Handelingen II 1933/34, 203, (67e vergadering), p. 2083.
Naar aanleiding van het amendement-Vellenga-Franssen, Kamerstukken II 1970/71, 9538, nr. 44.
Doordat in wetgeving en jurisprudentie is bepaald dat instellingen aan de hand van de feitelijke omstandigheden moeten aantonen dat het betreffende gebouw (onroerend goed) voor 70% gebruikt wordt voor de eredienst of de bezinningsbijeenkomst, en doordat hierbij uitgegaan wordt van een objectiverende uitleg van de termen eredienst en bezinningssamenkomst (namelijk naar gangbaar spraakgebruik) kunnen we concluderen dat de kerkenvrijstelling in de rechtspraak gekenmerkt wordt door een objectiverende kwalificatiewijze. Deze objectiverende kwalificatiewijze kunnen we associëren met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Vanuit een meer liberale benadering is de overheid zich meer terughoudend is gaan opstellen ten opzichte van godsdienst. Net zoals geldt voor de ANBI-regeling geldt ook voor de kerkenvrijstelling dat naarmate het voor de overheid minder evident is dat godsdienst een bijdrage vormt aan het algemeen belang het minder vanzelfsprekend wordt om belastingvrijstellingen toe te staan. In de rechtsgeschiedenis zien we dat in eerste instantie geheel geen belasting wordt geheven ten opzichte van de kerkgoederen,1 vervolgens dat alleen de kerkgelijke gebouwen waarin de eredienst plaatsvindt hiervan worden vrijgesteld, weer later dat alleen de gebouwen worden vrijgesteld die hoofdzakelijk zijn bestemd voor de eredienst en ten slotte dat de rechter aan de hand van feitelijke omstandigheden moet gaan toetsen of een gebouw voor 70% wordt gebruikt voor de eredienst. Deze liberale ontwikkeling wordt bekrachtigd door het gegeven dat niet, zoals eerder, alleen het onroerend goed van kerken wordt vrijgesteld van belasting maar ook gebouwen van andere bekende2 godsdiensten dan de christelijke, zoals moskeeën en synagogen, en bekende levensovertuigingen. Ook hieruit blijkt dat de staat zich op afstand plaatst van godsdienst. Hij maakt zich los van de verwevenheid met de christelijke kerk en stelt zich neutraal op naar alle bekende godsdiensten en levensovertuigingen. Dit zien we ook terug in de geschiedenis. Zo kwam in de aanloop van de ‘Wet op heffing van eene belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand’ van 1934 een vrijstelling voor bezinningssamenkomsten van levensovertuigingen niet aan de orde. Men lijkt hieraan simpelweg niet te denken.3 Een dergelijke vrijstelling kwam er pas in 1970 bij de aanpassing van de Gemeentewet in het kader van de instelling van de onroerendezaakbelasting.4
De objectiverende wijze van kwalificeren van de rechter ten aanzien van de termen eredienst en bezinningssamenkomst kan worden gelegitimeerd vanuit het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Wanneer men deze termen objectiveert door ze koppelen aan het gangbare spraakgebruik betekent dit dat men ten aanzien van eredienst vooral uitgaat van de traditionele monotheïstische godsdiensten. Zo definieerde het Gerechtshof Den Haag de eredienst als ‘een in beginsel voor een ieder toegankelijke bijeenkomst tot gezamenlijke verering van een opperwezen, waarbij zekere vormvoorschriften (liturgie, orde van dienst, ritueel) in acht genomen worden’. Godsdiensten waar een opperwezen geen rol speelt, zoals het pantheïsme, lijken er dan sneller buiten te vallen. Omdat deze uitleg uitgaat van de herkenbare traditionele godsdiensten en geen rekening houdt met exotische atypische vormen van religie kunnen we stellen dat hij past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Voor bezinningssamenkomst geldt dit in mindere mate aangezien over deze term in het gangbare spraakgebruik sowieso meer onduidelijkheid heerst.