GHvJ, 03-04-2024, nr. CUR2021H00176
ECLI:NL:OGHACMB:2024:40
- Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum
03-04-2024
- Zaaknummer
CUR2021H00176
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:OGHACMB:2024:40, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 03‑04‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:OGHACMB:2024:28, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 14‑03‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:OGHACMB:2023:233, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 05‑12‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:OGHACMB:2023:229, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 20‑11‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:OGHACMB:2023:132, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 11‑07‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:OGHACMB:2023:115, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 03‑07‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:OGHACMB:2023:20, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 14‑02‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:OGHACMB:2023:2, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 17‑01‑2023; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
JOR 2025/24 met annotatie van mr. M.W. Josephus Jitta
JERF Actueel 2023/497
Uitspraak 03‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2024:28. Enquête. Waken over het trustvermogen. Het Hof wijst aan voor wie het verslag ter inzage ligt. Verspreiding van het verslag.
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummer: CUR2021H00176
Uitspraak: 3 april 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak ex art. 2:271 BW (eerste fase enquêteprocedure) van:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNIA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”),
hierna: BGNIC,
gevestigd in Georgetown, Grand Cayman, Kaaiman Eilanden,
met gekozen domicilie in Curaçao bij haar gemachtigden,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. J.C. Maris en C.F. Klooster,
tegen
de naamloze vennootschap
SOLID HOLDING N.V.,
hierna: Solid,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
met als belanghebbenden:
1. de stichting
THE SOLID FUND PRIVATE FOUNDATION,
hierna: SFPF,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
en:
2. [BELANGHEBBENDE 2],
[e-mailadres belanghebbende 2],
3. [BELANGHEBBENDE 3],
[e-mailadres belanghebbende 3],
4. [BELANGHEBBENDE 4],
[e-mailadres belanghebbende 4],
en:
5. LOPAG TRUST REG.,
in haar hoedanigheid van (voormalig) trustee in
THE LAKE CAUMA TRUST,
hierna: Lopag,
gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,
gemachtigden: mrs. J.E. Eichhorn en J. Pas;
en:
6. ADMINTRUST VERWALTUNGS ANSTALT,
7. CATO TRUST REG.,
in hun hoedanigheid van trustees in
THE LAKE CAUMA TRUST,
hierna: Admintrust c.s.,
beide gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,
gemachtigden: mrs. J.E. Eichhorn, J. Pas en C. de Bres.
1. De zaak in het kort
In deze enquêtezaak geeft het Hof beslissingen over de vraag voor wie het verslag ter inzage ligt en over de vraag of aan de terinzagelegging voorwaarden verbonden dienen te worden.
2. Het verdere verloop van de procedure
2.1
Bij beschikking van 14 maart 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:28 heeft het Hof het onderzoeksbudget verder verhoogd en de verzoeken van Admintrust c.s. en BGNIC afgewezen.
2.2
Op 26 maart 2024 heeft de onderzoeker het verslag ter griffie van het Hof neergelegd en in afschrift verstrekt aan de advocaten van Solid en BGNIC. Dit is gebeurd door middel van e-mail en We Transfer. Bij e-mail van 27 maart 2024 heeft de griffier kennis van de nederlegging van het verslag gegeven aan de advocaten van BGNIC en Solid.
2.3
Het Hof heeft kennisgenomen van de volgende e-mails:
a. mr. Maris, 26 maart 2024;
b. mr. Cornegoor, 27 maart 2024 (tweemaal) en 28 maart 2024 (driemaal);
c. mr. De Bres, 27 maart 2024 en 28 maart 2024 (tweemaal);
d. mr. Klooster, 27 maart 2024 en 28 maart 2024.
2.4
Beschikking is bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
3.1
Bij e-mail van 26 maart 2024 heeft mr. Maris (namens BGNIC) verzocht, indien en voor zover het Hof zou overwegen het rapport beschikbaar te stellen buiten BGNIC en Solid, BGNIC hierover eerst in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. Bij e-mails van 27 en 28 maart 2024 heeft mr. Klooster dit vervolgens (namens BGNIC) gedaan. BGNIC is dus gehoord.
3.2
Bij (eerste) e-mail van 27 maart 2024 heeft mr. De Bres (namens Admintrust c.s.) verzocht dat het Hof ex art. 2:279 lid 5 BW bepaalt dat het verslag:
a. niet ter inzage van eenieder zal liggen; en
b. wel ter inzage zal liggen voor Admintrust c.s., onder de (door Admintrust c.s. op voorhand aanvaarde) voorwaarde dat het Verslag uitsluitend mag worden gebruikt voor, en in het kader van, deze Curaçaose enquêteprocedure, tenzij het Hof een machtiging verleent voor gebruik voor andere doeleinden en/of in andere procedures, in welk geval de overige belanghebbenden daarover vooraf dienen te worden gehoord.
3.3
Bij e-mail van 27 maart 2024 heeft mr. Klooster (namens BGNIC) verzocht dat het Hof:
a. bevestigt dat het verslag vertrouwelijk is;
b. zo nodig bepaalt dat degenen die het verslag ontvangen (in het bijzonder de ‘beneficiaries’) dit niet kunnen gebruiken in andere (vermogensrechtelijke of strafrechtelijke) procedures, zo nodig op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.4
Bij de verdere e-mails hebben de advocaten zich uitgelaten over elkaars verzoeken.
3.5
Art. 2:279 lid 1 tot en met 5 BW bepaalt:
1. De onderzoekers leggen hun bevindingen vast in een door hen ondertekend verslag. Het verslag wordt ter griffie van het Hof neergelegd en in afschrift verstrekt aan de rechtspersoon, de verzoekers tot enquête en de in artikel 272, tweede lid, onder a, bedoelde belanghebbende.
2. Uit het verslag moet blijken dat de inhoud daarvan aan de leden van het toenmalige en het ten tijde van het onderzoek functionerende bestuur en, zo daarvan sprake is, van het toenmalige en het ten tijde van het onderzoek functionerende toezichthoudende orgaan van de rechtspersoon in concept is voorgelegd, tot welke opmerkingen van die zijde dit heeft geleid en tot welke aanpassingen dit aanleiding heeft gegeven. Zoveel mogelijk wordt gemotiveerd waarom suggesties tot aanpassing niet zijn overgenomen, indien daarvan sprake is.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot alle personen die in het verslag worden genoemd als personen die hebben bijgedragen tot de daarin geconstateerde onjuiste gang van zaken of het daarin geconstateerde onjuiste beleid, met dien verstande dat aan hen alleen de op hen betrekking hebbende passages in concept behoeven te worden voorgelegd.
4. Het is een ieder verboden om aan derden mededelingen te doen uit de inhoud van het concept verslag of delen daarvan die hem ter voldoening aan het bepaalde in het tweede of derde lid van dit artikel zijn voorgelegd, onverminderd ieders verplichtingen uit de wet.
5. Het Hof kan bepalen dat het verslag geheel of gedeeltelijk ter inzage ligt voor door het Hof aan te wijzen personen of voor een ieder.
3.6
De tegenhanger van deze bepaling in Nederland, art. 2:353 lid 1 tot en met 3 BW-NL, bepaalt:
1. Het verslag van de uitkomst van het onderzoek wordt ter griffie van het gerechtshof Amsterdam nedergelegd. Uit het verslag moet blijken of aan het bepaalde in artikel 351 lid 4, tweede volzin is voldaan.
2. De advocaat-generaal bij het ressortsparket, de rechtspersoon, alsmede de verzoekers en hun advocaten, ontvangen een exemplaar van het verslag. In het geval, bedoeld in artikel 348, ontvangt ook de in dat artikel genoemde, op de rechtspersoon toezichthoudende instelling een exemplaar van het verslag. De ondernemingskamer kan bepalen dat het verslag voorts geheel of gedeeltelijk ter inzage ligt voor de door haar aan te wijzen andere personen of voor een ieder.
3. Het is aan anderen dan de rechtspersoon verboden mededelingen aan derden te doen uit het verslag, voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt, tenzij zij daartoe op hun verzoek door de voorzitter van de ondernemingskamer zijn gemachtigd. Een vereniging van werknemers is echter zonder een zodanige machtiging bevoegd tot het verstrekken van mededelingen uit het verslag aan de ondernemingsraad, die aan een door de rechtspersoon gedreven onderneming is verbonden.
3.7
Het Hof legt art. 2:279 lid 5 BW zo uit dat met ‘door het Hof aan te wijzen personen’ wordt gedoeld op anderen dan degenen aan wie het verslag op de voet van art. 2:279 lid 1 BW in afschrift wordt verstrekt. Laatstgenoemden hebben er immers geen belang bij dat een verslag, dat reeds in afschrift aan hen is verstrekt, voor hen ter inzage wordt gelegd.
3.8
Alle in de kop van deze beschikking genoemde belanghebbenden (inclusief Lopag) hebben er voldoende belang bij dat zij zelf kunnen kennisnemen van het gehele verslag, inclusief bijlagen. Tegen die kennisneming als zodanig zijn ook geen voldoende zwaarwegende bezwaren aangevoerd. Het Hof zal daarom bepalen dat het gehele verslag, inclusief bijlagen, voor hen allen ter inzage ligt.
3.9
De vraag ligt voor of het Hof bevoegd is te bepalen dat zij vertrouwelijk omgaan met de door die inzage verkregen informatie en zo ja, of het Hof van die bevoegdheid gebruik zal maken.
3.10
In Nederland bevat de wet in art. 2:353 lid 3, eerste volzin, BW-NL een verbod. Overtreding van het verbod is in Nederland strafbaar gesteld in art. 272 Wetboek van Strafrecht. Een soortgelijke bepaling en strafbaarstelling ontbreken in de wet in Curaçao. Art. 2:353 lid 3, eerste volzin, BW-NL kent verder aan de voorzitter van de ondernemingskamer de bevoegdheid toe om een machtiging af te geven. Ook de verlening van een soortgelijke bevoegdheid aan het Hof of aan zijn voorzitter ontbreekt in de wet in Curaçao.
3.11
Uit de bevoegdheid van art. 2:279 lid 5 BW om te bepalen dat het verslag geheel of gedeeltelijk ter inzage ligt voor door het Hof aan te wijzen personen leidt het Hof de bevoegdheid af om aan die personen voorwaarden op te leggen met betrekking tot het gebruik dat zij maken van de kennis die zij door die inzage verwerven. Dat kunnen ook voorwaarden zijn die betrekking hebben op de verspreiding van het verslag.
3.12
Bij de beoordeling van de vraag of het Hof van die bevoegdheid gebruik zal maken, let het Hof op de doelstellingen van het enquêterecht.
3.13
Een van de doeleinden van het enquêterecht is het verkrijgen van openheid van zaken ter vaststelling van de verantwoordelijkheid voor wanbeleid dat mogelijk bij de onderzochte rechtspersoon aanwezig blijkt. In het enquêterecht dient eventuele vertrouwelijkheid van het onderzoeksrapport in de eerste plaats het belang van de rechtspersoon (vergelijk: Ondernemingskamer 6 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4745 (VEB/Ageas), rov. 2.4). Solid heeft via mr. Cornegoor laten weten geen bezwaar te hebben tegen overlegging van het verslag in andere procedures en dus in deze zaak geen belang te hechten aan het in acht nemen van vertrouwelijkheid door de andere partijen en belanghebbenden.
3.14
Zoals het Hof in zijn beschikking van 17 januari 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:2, heeft overwogen, hebben de onderwerpen van een of meer procedures buiten Curaçao een overlap met die van deze enquêteprocedure. Aangenomen moet worden dat het onderwerp en de strekking van die procedures buiten Curaçao niet zo ver zijn verwijderd van de doeleinden van het enquêterecht dat op die grond de voorwaarde opgelegd zou moeten worden dat het verslag niet in die procedures wordt ingebracht.
3.15
Vanwege het specifieke karakter van de enquêteprocedure bestaat er een zeker risico dat een rechter buiten het Koninkrijk der Nederlanden minder goed op waarde zal kunnen schatten welke betekenis moet worden toegekend aan een onderzoeksverslag dat in een dergelijke procedure is opgesteld (vergelijk: Voorzitter Ondernemingskamer 9 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2043 (Prien Holding)). Een onderzoeksverslag is geen rechterlijke uitspraak. Het Hof kan beslissingen geven naar aanleiding van het onderzoeksverslag. Dat gebeurt in een tweede fase. Een tweede fase is in deze zaak (nog) niet ingeleid. Het voornoemde risico kan echter worden weggenomen of in ieder geval verminderd doordat partijen in die buitenlandse procedures de rechter voorlichten over de betekenis van een onderzoeksverslag.
3.16
Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. Bezien vanuit de doelstellingen van het enquêterecht weegt het belang bij het kunnen doen van mededelingen uit het verslag, waaronder het kunnen inbrengen in procedures van het verslag of delen daarvan, desgewenst met een of meer bijlagen, naar het oordeel van het Hof in dit geval zwaarder dan het belang bij vertrouwelijkheid. Het Hof zal daarom geen voorwaarden verbinden aan de terinzagelegging.
3.17
Opmerking verdient dat het doen van mededelingen uit een onderzoeksverslag aan derden voor wie het niet ter inzage ligt, onder omstandigheden (ingevolge art. 6:162 BW) onrechtmatig kan zijn jegens degenen die daardoor schade lijden. Het is echter niet aan de rechter in de enquêteprocedure, maar aan de gewone rechter die aansprakelijkheden beoordeelt, om daarover te oordelen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst alle in de kop van deze beschikking genoemde belanghebbenden onvoorwaardelijk aan als personen voor wie het verslag, met bijlagen, geheel ter inzage ligt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en G. van Solinge, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 3 april 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 14‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2023:233. Enquête. Waken over het trustvermogen. Het Hof verhoogt het onderzoeksbudget opnieuw en wijst verzoeken tot onder meer vervanging van de onderzoeker af.
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummer: CUR2021H00176
Uitspraak: 14 maart 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak ex art. 2:271 BW (eerste fase enquête-procedure) van:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNIA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”),
hierna: BGNIC,
gevestigd in Georgetown, Grand Cayman, Kaaiman Eilanden,
met gekozen domicilie in Curaçao bij haar gemachtigden,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. J.C. Maris en C.F. Klooster,
tegen
de naamloze vennootschap
SOLID HOLDING N.V.,
hierna: Solid,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
met als belanghebbenden:
1. de stichting
THE SOLID FUND PRIVATE FOUNDATION,
hierna: SFPF,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
en:
2. [BELANGHEBBENDE 2],
[e-mailadres belanghebbende 2],
3. [BELANGHEBBENDE 3],
[e-mailadres belanghebbende 3],
4. [BELANGHEBBENDE 4],
[e-mailadres belanghebbende 4],
en:
5. LOPAG TRUST REG.,
in haar hoedanigheid van (voormalig) trustee in
THE LAKE CAUMA TRUST,
hierna: Lopag,
gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,
gemachtigden: mrs. J.E. Eichhorn en J. Pas;
en:
6. ADMINTRUST VERWALTUNGS ANSTALT,
7. CATO TRUST REG.,
in hun hoedanigheid van trustees in
THE LAKE CAUMA TRUST,
hierna: Admintrust c.s.,
beide gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,
gemachtigden: mrs. J.E. Eichhorn, J. Pas en C. de Bres.
1. De zaak in het kort
In deze enquêtezaak verhoogt het Hof het onderzoeksbudget opnieuw en wijst het verzoeken tot onder meer vervanging van de onderzoeker af.
2. Het verdere verloop van de procedure
2.1
Bij beschikking van 5 december 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:233 heeft het Hof het onderzoeksbudget verhoogd.
2.2
Bij e-mail van 8 december 2023 heeft de onderzoeker het Hof bericht dat hij aan partijen en betrokkenen heeft laten weten dat hij het feitenonderzoek op 15 december 2023 zal afronden.
2.3
Bij e-mail van 7 februari 2024 heeft de onderzoeker verzocht om een nadere verhoging van het onderzoeksbudget tot in totaal € 525.000. Bij die e-mail heeft de onderzoeker onder meer bericht dat hij op 12 januari 2024 een conceptverslag heeft doen toekomen aan partijen, belanghebbenden en enkele belangrijke betrokkenen en dat zij in de gelegenheid zijn gesteld om zich uiterlijk op 1 maart 2024 uit te laten over het conceptverslag.
2.4
Bij gedingstuk van 21 februari 2024 (53 pagina’s), met dertig producties, hebben Admintrust c.s. bezwaar gemaakt tegen de verzochte verhoging van het onderzoeksbudget en verzoeken gedaan.
De verzoeken luiden dat het Hof (of de rechter-commissaris):
a. urgent een aanwijzing aan de onderzoeker geeft het onderzoek met onmiddellijke ingang op te schorten totdat op de overige verzoeken zal zijn beslist en de onderzoeker specifiek instrueert geen definitief verslag neer te leggen;
b. primair: de onderzoeker per direct vervangt en bij voorkeur meerdere onderzoekers benoemt, die niet gelieerd zijn aan de onderzoeker of zijn kantoor;
c. subsidiair: de onderzoeker een aanwijzing geeft die ertoe strekt dat de door de Admintrust c.s. gesignaleerde problematiek wordt ondervangen in een nieuw conceptverslag, dat opnieuw aan partijen moet worden verstrekt voor commentaar voordat een definitief verslag wordt neergelegd; en
d. meer subsidiair: de onderzoeker een aanwijzing geeft, inhoudende dat de termijn voor reacties op het concept wordt verlengd tot een redelijke termijn (bijvoorbeeld twee maanden) na de beslissing van het Hof op dit verzoek;
e. het verzoek om verhoging van het onderzoeksbudget afwijst (althans een beslissing daarop aanhoudt) en
f. zodanige andere voorziening treft of aanwijzing geeft als het Hof (of de rechter-commissaris) geraden acht.
Een van de bij het gedingstuk overgelegde producties is het conceptverslag van de onderzoeker (816 pagina’s exclusief bijlagen).
2.5
Bij e-mail van 22 februari 2024 heeft mr. Klooster namens BGNIC bezwaar gemaakt tegen verhoging van het onderzoeksbudget.
2.6
Bij e-mail van 22 februari 2024 heeft mr. Princée laten weten dat Solid geen bezwaar heeft tegen verhoging van het onderzoeksbudget.
2.7
Bij e-mail van 27 februari 2024 heeft het Hof zijn beslissing medegedeeld dat het geen aanwijzing aan de onderzoeker gaf om zijn werkzaamheden/bevoegdheden op te schorten. Het Hof heeft BGNIC en Solid in de gelegenheid gesteld te reageren op de overige verzoeken van Admintrust c.s. Bij latere e-mail van dezelfde dag heeft het Hof ook de onderzoeker daartoe in de gelegenheid gesteld.
2.8
Bij brief van 8 maart 2024 (23 pagina’s), met vier bijlagen, heeft mr. Cornegoor namens Solid gereageerd op het gedingstuk van Admintrust c.s. van 21 februari 2024, met de mededeling dat de inhoud van de brief de instemming heeft van [belanghebbende 2], [belanghebbende 3] en [belanghebbende 4].
2.9
Bij brief van 8 maart 2024 (99 pagina’s), met bijlagen (declaraties), heeft de onderzoeker gereageerd op het gedingstuk van Admintrust c.s. van 21 februari 2024.
2.10
Bij gedingstuk van 8 maart 2024 (36 pagina’s), met veertien producties, heeft BGNIC gereageerd op het gedingstuk van Admintrust c.s. van 21 februari 2024 en ook zelf verzoeken gedaan. De verzoeken luiden dat het Hof:
a. de onderzoeker per direct vervangt en een of twee onafhankelijke onderzoekers benoemt;
b. de (nieuwe) onderzoeker(s) de aanwijzing geeft dat:
b1. het onderzoek beperkt is tot het beleid van Solid, waarin in ieder geval de in hoofdstuk 3 van het gedingstuk vermelde onderwerpen worden onderzocht en geanalyseerd, en
b2. het onderzoek naar parallelle ontwikkelingen sterk wordt ingeperkt en de ondergeschikte rol krijgt die het verdient.
2.11
Verder heeft het Hof kennisgenomen van diverse e-mails van procesdeelnemers en de onderzoeker van 10 en 11 maart 2024.
2.12
Beschikking is bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
3.1
Het Hof zal beslissen zonder een mondelinge behandeling te gelasten. Er bestaat geen recht op een mondelinge behandeling voor beoordeling van verzoeken als de onderhavige.
3.2
3.3
Gelet op de uitkomst kan in het midden blijven of Admintrust c.s. ontvankelijk zijn in (al) hun verzoeken (gelet op art. 2:274 lid 4 BW). Verder kan in het midden blijven of Lopag is afgetreden als trustee, en zo ja, of dat processuele gevolgen heeft voor deze zaak.
3.4
Het Hof zal eerst enige verzoeken van Admintrust c.s. beoordelen, te beginnen met het verzoek om vervanging van de onderzoeker.
3.5
Het Hof heeft de onderzoeker aangewezen omdat het Hof vertrouwen heeft in zijn deskundigheid en integriteit. Uiteraard kan dit vertrouwen beschaamd worden, maar daarvoor zijn zwaarwegende aanwijzingen nodig. Uiteraard bestaat ook de mogelijkheid dat een onderzoeker aan wiens deskundigheid en integriteit niet getwijfeld behoeft te worden, procedurele fouten en/of beoordelingsfouten maakt.
3.6
Bij beschikking van 14 februari 2023 heeft het Hof de onderzoeker aangewezen. De onderzoeker heeft op 18 mei 2023 een plan van aanpak ingediend. Bij beschikking van 3 juli 2023 is een onderzoeksbudget van € 250.000 vastgesteld. Bij beschikking van 5 december 2023 is het verhoogd tot € 350.000. De onderzoeker heeft het feitenonderzoek op 15 december 2023 afgerond en op 12 januari 2024 een conceptverslag van 816 pagina’s geproduceerd. De onderzoeker verwacht binnen een maand het onderzoek te kunnen afronden en het verslag te kunnen deponeren.
3.7
Het onderzoek is dus omvangrijk geweest en het bevindt zich in de afrondende fase. Dat brengt mee dat de proceseconomie in beginsel eist dat de onderzoeker in de gelegenheid wordt gesteld zijn werkzaamheden te voltooien. Een nieuw onderzoek zou tot aanzienlijke meerkosten leiden, zeker indien er meer dan een nieuwe onderzoeker zou moeten worden aangewezen en/of indien de nieuwe onderzoekers niet gelieerd zouden mogen zijn aan het advocatenkantoor van de huidige onderzoeker. Daarnaast zou een nieuw onderzoek leiden tot aanzienlijke vertraging.
3.8
Alle bezwaren die partijen en belanghebbenden mochten hebben tegen de gang van zaken bij het onderzoek en de uitkomst ervan, zullen in een eventuele tweede fase van de enquêteprocedure aan de orde kunnen komen. De eisen van een goede procesorde verzetten zich er in beginsel tegen dat het Hof daar thans op vooruitloopt. Nog bezwaarlijker zou zijn dat het Hof dit zou doen aan de hand van het conceptverslag, dat niet openbaar is en waarvan het definitieve verslag kan afwijken. De eisen van een goede procesorde verzetten zich er dus tegen dat het Hof thans aan de hand van de inhoud van het conceptverslag oordeelt over de deugdelijkheid van het onderzoek.
3.9
Het Hof zal zich beperken tot beoordeling van de vraag of in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten geen andere slotsom mogelijk is dan dat de onderzoeker zo ernstig ten achter is gebleven bij hetgeen van hem mocht worden verwacht dat dit rechtvaardigt dat hij wordt vervangen, ondanks de bezwaren van proceseconomie en de eisen van een goede procesorde. Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Tegen alle verwijten die Admintrust c.s. aan de onderzoeker gemaakt heeft, heeft de onderzoeker zich verdedigd met argumenten die niet aanstonds als niet steekhoudend aangemerkt kunnen worden. Voor een nadere beoordeling is thans geen plaats.
3.10
De onderzoeker zal dus niet worden vervangen.
3.11
Het Hof heeft er ook vertrouwen in dat de onderzoeker het commentaar van partijen, belanghebbenden en verdere betrokkenen op zijn conceptverslag serieus zal nemen en daarvan zal doen blijken in zijn definitieve verslag. Daarom zal het Hof de onderzoeker daar geen aanwijzingen over geven.
3.12
Verder heeft het Hof er vertrouwen in dat de onderzoeker bij het verschaffen van gelegenheid om te reageren op het conceptverslag voldoende oog heeft gehad voor de tijd die daarvoor redelijkerwijs nodig is. Uit de gedingstukken blijkt dat Admintrust c.s. (en ook Solid en BGNIC) goed in staat zijn op korte termijn omvangrijk commentaar te produceren. Het Hof zal daarom de reactietijd niet verlengen.
3.13
Thans komt het verzoek van de onderzoeker om verhoging van het onderzoekbudget aan de orde. De onderzoeker heeft erop gewezen dat het conceptverslag meer dan het dubbele aantal pagina’s telt dan hij in november 2023 voorzag. Hij heeft de hoofdstukindeling van het conceptverslag vermeld en opgemerkt dat alle hoofdstukken (naar zijn mening) voortvloeien uit het goedgekeurde plan van aanpak en zijn nadere toelichting van 11 november 2023. Ook heeft hij te kennen gegeven dat er nog werkzaamheden plaatsvinden in verband met een betwiste belastingclaim in Israël en het verwerken van het commentaar op het conceptverslag. Het Hof acht dit een voldoende rechtvaardiging voor toewijzing van de verzochte budgetverhoging.
3.14
In voorgaande oordelen ligt besloten dat alle verzoeken van Admintrust c.s. zullen worden afgewezen. Op overeenkomstige gronden delen de verzoeken van BGNIC in dat lot.
3.15
In het belang van het onderzoek en de rechtspersoon en de daarbij betrokkenen moet het onderzoek nu snel worden afgerond en het onderzoeksverslag worden neergelegd. Indien tussen vandaag en de datum van neerlegging van het verslag nog verdere verzoeken worden gedaan die dat in gevaar brengen, bestaat de kans dat het Hof die buiten beschouwing zal laten wegens misbruik van procesrecht.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten nader vast op € 525.000 exclusief btw;
beveelt Solid om € 175.000, vermeerderd met btw, bij wijze van nader voorschot over te maken naar de zakelijke bankrekening van de onderzoeker;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken van Admintrust c.s. en BGNIC af;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en G. van Solinge, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 14 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 05‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2023:229. Enquête. Waken over het trustvermogen. Het Hof verhoogt het onderzoeksbudget.
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummer: CUR2021H00176
Uitspraak: 5 december 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak ex art. 2:271 BW (eerste fase enquête-procedure) van:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNIA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”),
hierna: BGNIC,
gevestigd in Georgetown, Grand Cayman, Kaaiman Eilanden,
met gekozen domicilie in Curaçao bij haar gemachtigden,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. J.C. Maris en C.F. Klooster,
tegen
de naamloze vennootschap
SOLID HOLDING N.V.,
hierna: Solid,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
met als belanghebbenden:
1. de stichting
THE SOLID FUND PRIVATE FOUNDATION,
hierna: SFPF,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
en:
2. [BELANGHEBBENDE 2],
[e-mailadres belanghebbende 2],
3. [ BELANGHEBBENDE 3],
[e-mailadres belanghebbende 3],
4. [ BELANGHEBBENDE 4],
[e-mailadres belanghebbende 4],
en:
5. LOPAG TRUST REG.,
6. ADMINTRUST VERWALTUNGS ANSTALT,
7. CATO TRUST REG.,
in hun hoedanigheid van trustees in
THE LAKE CAUMA TRUST,
hierna: Lopag c.s.,
alle gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,
gemachtigden: mrs. J.E. Eichhorn en J. Pas.
1. De zaak in het kort
In deze enquêtezaak verhoogt het Hof het onderzoeksbudget.
2. Het verdere verloop van de procedure
2.1
Bij beschikking van 20 november 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:229, heeft het Hof verzoeken om wijziging van eerder getroffen voorlopige voorzieningen afgewezen.
2.2
Bij e-mail van 16 november 2023 heeft de onderzoeker het Hof verzocht het onderzoeksbudget te verhogen tot € 350.000.
2.3
Bij e-mail van 20 november 2023 heeft het Hof alle procesdeelnemers verzocht zich over het verzoek van de onderzoeker uit te laten. Bij e-mail van 1 december 2023 heeft mr. Klooster bericht dat BGNIC geen standpunt kan innemen en zich refereert aan het oordeel van het Hof. Bij e-mail van 2 december 2023 heeft mr. Cornegoor bericht dat Solid instemt met de verzochte verhoging van het budget. Bij e-mail van 3 december 2023 heeft mr. De Bres bericht dat Lopag c.s. geen bezwaar maken tegen het verzoek. Bij e-mail van 4 december 2023 heeft [belanghebbende 4] bericht dat zij geen bezwaar heeft tegen de verhoging van het onderzoeksbudget. Bij e-mail van 4 december 2023 heeft mr. Cornegoor bericht dat [belanghebbende 3] geen bezwaar heeft tegen de verhoging van het onderzoeksbudget.
2.4
Verder heeft het Hof kennis genomen van e-mails van de onderzoeker van 30 november 2023, 1 december 2023 en 3 december 2023.
2.5
Beschikking is bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
3.1
Bij beschikking van 3 juli 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2022:115, zoals verbeterd bij herstelbeschikking van 11 juli 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2022:132, heeft het Hof het onderzoeksbudget vastgesteld op € 250.000.
3.2
Geen van de procesdeelnemers heeft bezwaar gemaakt tegen de verzochte verhoging van het onderzoeksbudget. Het Hof ziet geen aanleiding om het verzoek op ambtshalve bijgebrachte gronden af te wijzen. Het verzoek zal dus worden toegewezen. Het onderzoeksbudget van € 250.000 wordt met € 100.000 verhoogd, dus tot € 350.000 in totaal.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten nader vast op € 350.000 exclusief btw
beveelt Solid om € 100.000, vermeerderd met btw, bij wijze van nader voorschot over te maken naar de zakelijke bankrekening van de onderzoeker;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en G. van Solinge, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 5 december 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 20‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2023:132. Enquête. Waken over het trustvermogen. Verzoeken wijziging voorlopige voorzieningen. Hof wijst af.
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummer: CUR2021H00176
Uitspraak: 20 november 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak ex art. 2:271 BW (eerste fase enquête-procedure) van:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNIA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”),
hierna: BGNIC,
gevestigd in Georgetown, Grand Cayman, Kaaiman Eilanden,
met gekozen domicilie in Curaçao bij haar gemachtigden,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. J.C. Maris en C.F. Klooster,
tegen
de naamloze vennootschap
SOLID HOLDING N.V.,
hierna: Solid,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
met als belanghebbenden:
1. de stichting
THE SOLID FUND PRIVATE FOUNDATION,
hierna: SFPF,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
en:
2. [belanghebbende 2],
[e-mailadres belanghebbende 2],
3. [belanghebbende 3],
[e-mailadres belanghebbende 3],
4. [belanghebbende 4],
[e-mailadres belanghebbende 4],
en:
5. LOPAG TRUST REG.,
6. ADMINTRUST VERWALTUNGS ANSTALT,
7. CATO TRUST REG.,
in hun hoedanigheid van trustees in
THE LAKE CAUMA TRUST,
hierna: Lopag c.s.,
alle gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,
gemachtigden: mrs. J.E. Eichhorn en J. Pas.
1. De zaak in het kort
In deze enquêtezaak beoordeelt het Hof verzoeken om wijziging van de eerder door het Hof getroffen voorlopige voorzieningen.
2. Het verdere verloop van de procedure
2.1
Bij beschikking van 14 februari 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:20, heeft het Hof mr. drs. W.J.M. van Andel aangewezen als onderzoeker.
2.2
Bij verzoekschrift van 24 maart 2023, met bijlagen A tot en met C en producties 1 tot en met 23, heeft Solid verzocht om wijziging van de door het Hof in deze zaak getroffen onmiddellijke voorzieningen.
2.3
Bij brief van 11 mei 2023 heeft [belanghebbende 2] zich uitgelaten over het verzoek. [belanghebbende 3] en [belanghebbende 4] hebben dat respectievelijk gedaan bij brief van 15 mei 2023, met exhibits 1 tot en met 3 en bij “third statement” van 15 mei 2023, met exhibits 1 tot en met 13.
2.4
Bij verweerschrift van 15 mei 2023, met productie 37, heeft BGNIC verweer gevoerd tegen het verzoek. Lopag c.s. hebben dat gedaan bij verweerschrift van 15 mei 2023, met annexes 1 tot en met 3 (annex 2 heeft appendices 1 tot en met 6 als onderproducties).
2.5
De onderzoeker heeft een plan van aanpak van 18 mei 2023 ingediend, met een bijlage.
2.6
Bij beschikking van 3 juli 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:115, zoals verbeterd bij herstelbeschikking van 11 juli 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:132, heeft het Hof onder meer het onderzoeksbudget vastgesteld.
2.7
Bij “fourth statement” heeft [belanghebbende 4] zich uitgelaten over het verzoek van Solid en zelf een verzoek gedaan.
2.8
De mondelinge behandeling van de verzoeken van Solid en [belanghebbende 4] heeft plaatsgehad op 23 oktober 2023. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Het Hof was tegenwoordig in het gerechtsgebouw in Curaçao. Degenen die verschenen waren, namen deel via videoverbinding. Solid, BGNIC en Lopag c.s. hebben gebruik gemaakt van pleitnota’s, waarvan zij een scan per mail hebben toegestuurd.
2.9
Beschikking is aangezegd en bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
Feiten
3.1
Bij beschikking van 25 januari 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:236 (hierna: de eerste beschikking) heeft het Hof feiten vastgesteld in rechtsoverweging 2.1 onder a tot en met i. Deels in aanvulling daarop stelt het Hof de volgende feiten vast.
3.1.1
Op 1 maart 2015 is [de erflater] (hierna: de erflater) overleden. De erflater was gehuwd met [belanghebbende 2], met wie hij twee dochters had: [belanghebbende 3] en [belanghebbende 4]. [belanghebbende 3] heeft vier kinderen.
3.1.2
De erflater heeft zijn vermogen van ongeveer USD 1 miljard ondergebracht in trusts. Een daarvan is The Lake Cauma Trust, die is vormgegeven als een discretionary trust waarbij de trustees "at their absolute discretion" besluiten over de uitkeringen (aan de beneficiaries, aangeduid in de third schedule van de trustakte van 1 mei 2013, zoals gewijzigd bij akte van 2 december 2013) en over andere bestedingen van het in The Lake Cauma Trust ondergebrachte vermogen.
3.1.3
In 2015 heeft de erflater een "letter of wishes" aangaande de besteding van het trustvermogen opgenomen in de vorm van een videoboodschap. Vertaalde transcripties daarvan bevinden zich in het dossier. Hierin staat onder meer:
7) The trustee of all trusts is LOPAG. (…) I do instruct that the Trustees should cause for the opening of bank accounts with the Bank Pictet for the above mentioned Trusts. As soon as the proceeds from the sale of the Mobileye-shares or the sale of a sufficient part of these shares are at disposal I instruct that on all bank accounts of the four Trusts for my grandchildren be deposited the amount of US$ 10 Mio. (money or the equivalent) in favour of my children and to be managed conservatively and to be deblocked only with the consent of [belanghebbende 3] and this up to their reaching of the age of 35 years. (…)
9) I instruct that as soon as the Mobileye-shares or a sufficient part of these shares shall be sold and right after the signing of a settlement agreement in the class action, three bank accounts at Bank Pictet shall be opened on the name of my wife, [belanghebbende 2], and the daughters, and that into each of these accounts the amount of US$ 10 Mio. shall be deposited. These monies are at the free disposal of the holders of the bank accounts.
3.1.4
The Lake Cauma Trust staat aan het hoofd van een groep vennootschappen. Zij is indirect enig aandeelhouder van BGNIC. BGNIC hield tot 24 mei 2017 alle aandelen in Solid.
3.1.5
In de statuten van 2 november 2015 van Solid staat de volgende doelomschrijving:
PURPOSE
Article 2
1. The purpose of the company is:
a. to invest its assets in securities, including shares and other certificates of participation and bonds, as well as other claims for interestbearing debts however denominated and in any and all forms, as well as the borrowing and lending of monies;
b. to enter into money loans and to give moneys on loan, also to furnish security and guarantees for the proper discharge of the obligations of the corporation, as also to provide security, sureties and/or guarantees for the proper discharge of the obligations of third parties;
c. to acquire:
(i) revenues, derived from the alienation or leasing of the right to use copyrights, patents, designs, secret processes or formulae, trademarks and other analogous property;
(ii) royalties, including rentals, in respect of the motion picture films or for the use of industrial, commercial or scientific equipment, as well as relating to the operation of a mine or a quarry or of any other extraction of natural resources and other immovable properties;
(iii) considerations paid for technical assistance;
d. to acquire, hold alienate, let, lease, hire, rent, manage and develop, mortgage and generally to encumber immovable property and rights to or interests in immovable property;
e. to trade, including the wholesale, the distributive and the futures trade in and the import and export of, raw materials, minerals, metals, organic matter, semi-manufactured and finished products of any nature and under any name; and
f. to act as principal, agent, commission agent and more generally to represent and promote the interests of third parties, as also to manage, administrate and control and to participate in enterprises and other companies.
2. The corporation has the power to perform every act and thing profitable or requisite to the accomplishment of its purpose or connected therewith in the widest sense of the word.
3.1.6
Op 24 mei 2017 heeft het bestuur van Solid aandelen uitgegeven aan de stichting particulier fonds The Solid Fund Private Foundation (hierna: SFPF).
3.1.7
Op 21 februari 2023 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [belanghebbende 3], [belanghebbende 4], Solid (vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2]) en SFPF. In deze overeenkomst staat onder meer:
Article 3 - Distributions
3.1
Within 5 business days after the last of the conditins precedent having been satisfied, Solid an SFPF will cause the following distributions to be made from the Accounts:
For [belanghebbende 3]: USD 80 million, less an expense reserve of USD 8 million;
For [belanghebbende 4]: USD 50 million;
For Lilly: USD 60 million, less an expense reserve of USD 6 million;
For each of the
Grandchildren: USD 10 million.
De voorlopige voorzieningen die bij de eerste beschikking zijn getroffen
3.2
In dit geding heeft het Hof bij de eerste beschikking de volgende voorlopige voorzieningen getroffen voor de duur van het geding:
a. verbiedt Solid uitkeringen te doen aan haar aandeelhouders zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van BGNIC;
b. verbiedt Solid om overeenkomsten aan te gaan of rechtshandelingen te verrichten die een waarde vertegenwoordigen van meer dan
€ 30.000,- zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van BGNIC, met uitzondering van redelijke kosten in verband met deze enquêteprocedure;
c. schorst het stemrecht op de aandelen die SFPF en BGNIC houden in Solid tot het moment dat de aandelen van SFPF bij nadere beschikking van het Hof zullen zijn overgedragen aan een door het Hof aan te wijzen beheerder.
3.3
Bij de eerste beschikking heeft het Hof onder 2.15 onder meer als volgt overwogen. De situatie dient zo veel mogelijk te worden bevroren om te voorkomen dat er (verder) bestedingen worden gedaan die strijden met de trustakte (bedoeld is: de akte van oprichting van The Lake Cauman Trust) en/of de letter of wishes. Het beoogde doel kan voldoende worden gewaarborgd met het reguleren van de besluitvorming, zonder dat ontslag van de bestuurders nodig is. De bevoegdheden van SFPF als meerderheidsaandeelhouder dienen te worden beperkt door schorsing van het stemrecht op de aandelen die SFPF en BGNIC in Solid houden, aldus het Hof in de eerste beschikking.
Verzoeken
3.4
Solid heeft het Hof verzocht de voorlopige voorzieningen die bij de eerste beschikking zijn uitgesproken, aldus te wijzigen dat het Hof verstaat dat het Solid is toegestaan uitvoering te geven aan de vaststellingsovereenkomst, althans dat het Solid is toegestaan uitvoering te geven aan de vaststellingsovereenkomst met bepaling van het totaalbedrag dat Solid maximaal kan uitkeren aan [belanghebbende 2], [belanghebbende 4], [belanghebbende 3] en de vier kinderen van [belanghebbende 3].
3.5 [
[belanghebbende 4] heeft verzocht (in het Engels):
an interim measure in the form of an order that Solid be permitted to transfer 10 million U.S. dollars to my account.
Beoordeling door het Hof
3.6
Het Hof kan een voorlopige voorziening wijzigen of vervangen. Iedere belanghebbende kan daarom verzoeken (art. 2:276 lid 3 BW). Solid en [belanghebbende 4] kunnen dus ontvangen worden in hun verzoeken.
3.7
Ook thans geldt nog, zoals hiervoor onder 3.3 verkort is weergegeven, dat de situatie zo veel mogelijk dient te worden bevroren om bestedingen te voorkomen die strijden met de akte van oprichting van The Lake Cauman Trust) en/of de letter of wishes. Ook thans geldt nog dat de getroffen voorlopige voorzieningen redelijkerwijs nodig zijn om dat doel voldoende te waarborgen. Het vermogen van Solid zal uiteindelijk aangewend moeten worden op een wijze die zo goed mogelijk uitvoering geeft aan de wensen van de erflater. Dat kan echter geen reden zijn om thans, met voorbijgaan aan de truststructuur, de voorlopige voorzieningen zodanig te wijzigen of te vervangen dat rechtstreekse uitkering van enig bedrag door Solid aan [belanghebbende 2], [belanghebbende 4], [belanghebbende 3] en/of de vier kinderen van [belanghebbende 3] mogelijk wordt gemaakt. Noch de vaststellingsovereenkomst, noch de passage in de transcript van de letter of wishes over uitkeringen van USD 10 miljoen geeft daar aanleiding toe. De stellingen van Solid en [belanghebbende 3] dat de vrouw, dochters en/of kleinkinderen van de erflater inmiddels in acute geldnood verkeren, zijn onvoldoende onderbouwd en komen voorshands niet aannemelijk voor.
3.8
BGNIC heeft het Hof gewezen op de mogelijkheid dat het Hof ambtshalve aanvullende voorlopige voorzieningen treft, zoals schorsing van de bestuurders van Solid, benoeming van een tijdelijk bestuurder, aanstelling van een beheerder van de aandelen in Solid en bevel aan SFPF om haar vermogen te bevriezen. Het Hof ziet geen aanleiding om van die ambtshalve bevoegdheden gebruik te maken. Ook thans geldt nog, zoals hiervoor onder 3.3 verkort is weergegeven, dat het doel om bestedingen te voorkomen die strijden met de akte van oprichting van The Lake Cauman Trust) en/of de letter of wishes, voldoende kan worden gewaarborgd met het reguleren van de besluitvorming, zonder dat ontslag van de bestuurders nodig is. Ook voor het overige zijn geen aanvullende voorlopige voorzieningen nodig om dat doel voldoende te waarborgen.
3.9
Het Hof zal de voorlopige voorzieningen daarom niet wijzigen of vervangen. De verzoeken worden afgewezen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst de verzoeken van Solid en [belanghebbende 3] af;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en G. van Solinge, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 20 november 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 11‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2023:115. Enquête. Waken over het trustvermogen. Herstelbeschikking.
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummer: CUR2021H00176
Uitspraak: 11 juli 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak ex art. 2:271 BW (eerste fase enquête-procedure) van:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNIA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”),
hierna: BGNIC,
gevestigd in Georgetown, Crand Cayman, Kaaiman Eilanden,
met gekozen domicilie in Curaçao bij haar gemachtigden,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. J.C. Maris en C.F. Klooster,
tegen
de naamloze vennootschap
SOLID HOLDING N.V.,
hierna: Solid,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
met als belanghebbenden:
1. de stichting
THE SOLID FUND PRIVATE FOUNDATION,
hierna: SFPF,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
en:
2. [BELANGHEBBENDE 2],
[e-mailadres belanghebbende 2],
3. [BELANGHEBBENDE 3],
[e-mailadres belanghebbende 3],
4. [BELANGHEBBENDE 4],
[e-mailadres belanghebbende 4],
en:
5. LOPAG TRUST REG.,
6. ADMINTRUST VERWALTUNGS ANSTALT,
7. CATO TRUST REG.,
in hun hoedanigheid van trustees in
THE LAKE CAUMA TRUST,
hierna: Lopag c.s.,
alle gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,
gemachtigden: mrs. J.E. Eichhorn en J. Pas.
1. De beschikking in dit geding
1.1
Het Hof heeft in deze zaak op 3 juli 2023 een beschikking gegeven, waarin verzoekster in de kop is aangeduid als:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNICA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”).
1.2
Bij e-mail van 3 juli 2023 heeft mr. Cornegoor bericht dat het eerste woord van de naam van verzoekster niet BRITANNICA is, maar BRITANNIA. Hij heeft verzocht om herstel van de beschikking.
1.3
Bij e-mail van 4 juli 2023 heeft het Hof alle partijen en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld zich binnen één week uit te laten over het herstelverzoek.
1.4
Bij e-mail van 4 juli 2023 heeft mr. Pas te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het herstelverzoek. Bij e-mail van 5 juli 2023 heeft mr. Maris te kennen gegeven ook geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het herstelverzoek.
1.5
Het Hof stelt vast dat de naamsaanduiding van verzoekster in de beschikking berust op een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent.
1.6
De aanduiding van verzoekster in de beschikking moet worden gelezen als:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNIA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verbetert de op 3 juli 2023 in deze zaak gegeven beschikking op de wijze als hiervoor in 1.6 is vermeld;
stelt de verbetering op de minuut van die beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en G. van Solinge, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 11 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 03‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2023:2. Enquête. Waken over het trustvermogen. Het Hof stelt het onderzoeksbudget vast.
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummer: CUR2021H00176
Uitspraak: 3 juli 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak ex art. 2:271 BW (eerste fase enquête-procedure) van:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNICA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”),
hierna: BGNIC,
gevestigd in Georgetown, Crand Cayman, Kaaiman Eilanden,
met gekozen domicilie in Curaçao bij haar gemachtigden,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. J.C. Maris en C.F. Klooster,
tegen
de naamloze vennootschap
SOLID HOLDING N.V.,
hierna: Solid,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
met als belanghebbenden:
1. de stichting
THE SOLID FUND PRIVATE FOUNDATION,
hierna: SFPF,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
en:
2. [BELANGHEBBENDE 2],
[e-mailadres belanghebbende 2],
3. [BELANGHEBBENDE 3],
[e-mailadres belanghebbende 3],
4. [BELANGHEBBENDE 4],
[e-mailadres belanghebbende 4],
en:
5. LOPAG TRUST REG.,
6. ADMINTRUST VERWALTUNGS ANSTALT,
7. CATO TRUST REG.,
in hun hoedanigheid van trustees in
THE LAKE CAUMA TRUST,
hierna: Lopag c.s.,
alle gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,
gemachtigden: mrs. J.E. Eichhorn en J. Pas.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1
Bij beschikking van 14 februari 2023 heeft het Hof mr. drs. W.J.M. van Andel aangewezen als onderzoeker.
1.2
Bij verzoekschrift van 24 maart 2023, met producties, heeft Solid om wijziging van onmiddellijke voorzieningen verzocht. In dit verband zijn er verdere processtukken ingekomen en e-mails ontvangen. Het Hof heeft bij e-mail van 1 juni 2023 dit verzoek (waarin een mondelinge behandeling zal plaatsvinden) losgekoppeld van de processtappen die gezet worden ten behoeve van het start van het onderzoek. Deze beschikking heeft geen betrekking op het wijzigingsverzoek, maar op laatstbedoelde processtappen.
1.3
Bij e-mail van 7 april 2023 heeft de onderzoeker de vraag aan de orde gesteld of de vaststellingsovereenkomst die blijkens het verzoekschrift van 24 maart 2023 tot stand is gekomen op 21 februari 2023, reden is om de omvang van het onderzoek te beperken.
1.4
De onderzoeker heeft een plan van aanpak van 18 mei 2023 ingediend, met als bijlage een onderzoeksprotocol van dezelfde datum. Bij e-mail van 1 juni 2023 heeft het Hof partijen en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het plan van aanpak en de begroting van de onderzoeker.
1.5
In verband met de start van onderzoek zijn de volgende e-mails ingekomen:
- e-mail van 1 juni 2023 van de onderzoeker;
- e-mail van 6 juni 2023 van de onderzoeker;
- e-mail van 8 juni 2023 van mr. Klooster;
- e-mail van 13 juni 2023 van mr. Cornegoor;
- e-mail van 15 juni 2023 van mr. Maris.
1.6
Bij gedingstuk van 28 juni 2023, met producties, heeft Solid zich uitgelaten over het plan van aanpak en de begroting van de onderzoeker. BGNIC heeft dat gedaan bij gedingstuk van 29 juni 2023. Ook Lopag c.s. hebben dat gedaan bij gedingstuk van 29 juni 2023.
1.7
Beschikking is aangezegd en bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling
2.1
De onderzoeker heeft het Hof in overweging gegeven om de onderzoeksperiode uit te breiden tot 1 september 2017, omdat de onderzoeksopdracht mede ziet op gebeurtenissen in de periode tot aan die datum. Het Hof zal de onderzoeksperiode dienovereenkomstig uitbreiden.
2.2
Het Hof ziet in de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst thans geen aanleiding om de omvang van het onderzoek te beperken.
2.3
De onderzoeker heeft het onderzoeksbudget begroot op € 250.000 exclusief btw. Het Hof heeft bij e-mail van 1 juni 2023 de vraag aan de orde gesteld in hoeverre het nodig is dat alle of een deel van de voorziene interviews vis-à-vis af te nemen en in
hoeverre kan worden volstaan met interviews door middel van videoverbinding,
mede gelet op de kosten. Bij e-mail van dezelfde dag heeft de onderzoeker bericht voornemens te zijn twee reizen te maken, één naar de regio Zwitserland/Liechtenstein/Noord-Italië en de andere naar Israël. Gelet op de nadere uitleg van de onderzoeker zal het Hof het onderzoeksbudget vaststellen overeenkomstig de begroting van de onderzoeker.
2.4
Het Hof zal Solid bevelen het gehele bedrag van het onderzoeksbudget bij wijze van voorschot over te maken naar de zakelijke bankrekening van het kantoor van de onderzoeker.
2.5
De onderzoeker is voornemens in diverse landen feitenonderzoek te doen door daar interviews af te nemen. Voor de goede orde overweegt het Hof dat de onderzoeker daartoe bevoegd is uit hoofde van zijn benoeming. Indien de onderzoeker dat nodig acht, kan het Hof een Engelstalige schriftelijke verklaring van die strekking aan de onderzoeker verstrekken.
2.6
Het onderzoek is vertrouwelijk. Partijen en belanghebbenden die kennis krijgen van concepten in het kader van het onderzoek, inclusief het concept onderzoeksverslag, mogen die concepten en de inhoud daarvan niet met derden delen. Onder ‘derden’ worden in dit verband niet verstaan de adviseurs van partijen en belanghebbenden die aan een adequate wettelijke of contractuele geheimhoudingsplicht zijn gebonden. Het Hof volstaat thans met deze overwegingen en ziet geen aanleiding om thans voorlopige voorzieningen te treffen om de vertrouwelijkheid nader te waarborgen of om op te treden tegen gestelde schendingen daarvan. Zo nodig kan dit onderwerp nader aan de orde gesteld worden bij de mondelinge behandeling van het hiervoor onder 1.2 bedoelde verzoek.
2.7
Het Hof houdt ieder verder oordeel aan.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijzigt het tijdvak van het bij beschikking van 25 januari 2022 gelaste onderzoek in die zin dat het onderzoek beperkt dient te blijven tot het tijdvak van 1 mei 2017 tot 1 september 2017;
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 250.000 exclusief btw;
beveelt Solid om voornoemd bedrag, vermeerderd met btw, bij wijze van voorschot over te maken naar de zakelijke bankrekening van het kantoor van de onderzoeker;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en G. van Solinge, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 3 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 14‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2023:2. Enquête. Waken over het trustvermogen. Het Hof wijst een onderzoeker aan.
Partij(en)
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummer: CUR2021H00176
Uitspraak: 14 februari 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak ex art. 2:271 BW (eerste fase enquête-procedure) van:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNICA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”),
hierna: BGNIC,
gevestigd in Georgetown, Crand Cayman, Kaaiman Eilanden,
met gekozen domicilie in Curaçao bij haar gemachtigden,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. J.C. Maris en C.F. Klooster,
tegen
de naamloze vennootschap
SOLID HOLDING N.V.,
hierna: Solid,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
met als belanghebbenden:
1. de stichting
THE SOLID FUND PRIVATE FOUNDATION,
hierna: SFPF,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
2. [BELANGHEBBENDE 2],
[e-mailadres belanghebbende 2],
3. [BELANGHEBBENDE 3],
[e-mailadres belanghebbende 3],
4. [BELANGHEBBENDE 4],
[e-mailadres belanghebbende 4].
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 17 januari 2023 heeft het Hof de omvang van het eerder gelaste onderzoek nader bepaald en een nader aan te wijzen persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten.
2. De verdere beoordeling
Het Hof zal thans een onderzoeker aanwijzen. Zoals in de beschikking van 17 januari 2023 is overwogen, wordt de onderzoeker verzocht om binnen zes weken na heden een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan het Hof toe te sturen, met afschrift aan de advocaten van partijen. Daarna zal het Hof beslissen over het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten. Het Hof geeft hierbij overeenkomstige toepassing aan art. 4.1-4.3 van de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures, vastgesteld door de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam op 9 juli 2019.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst aan als onderzoeker als bedoeld in de beschikking van 17 januari 2023:
mr. drs. W.J.M. van Andel te Utrecht, Nederland;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en G. van Solinge, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 14 februari 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 17‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Curaçao. Enquête. Het Hof bepaalt de omvang van het eerder gelaste onderzoek nader.
Partij(en)
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummer: CUR2021H00176
Uitspraak: 17 januari 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak ex art. 2:271 BW (eerste fase enquête-procedure) van:
de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden
BRITANNICA GUARANTEE NATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED (“BGNIC”),
hierna: BGNIC,
gevestigd in Georgetown, Crand Cayman, Kaaiman Eilanden,
met gekozen domicilie in Curaçao bij haar gemachtigden,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. J.C. Maris en C.F. Klooster,
tegen
de naamloze vennootschap
SOLID HOLDING N.V.,
hierna: Solid,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
met als belanghebbenden:
1. de stichting
THE SOLID FUND PRIVATE FOUNDATION,
hierna: SFPF,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. W. Princée en J.M.K.P. Cornegoor,
2. [belanghebbende 2],
[e-mailadres],
3. [belanghebbende 3],
[e-mailadres],
4. [belanghebbende 4],
[e-mailadres].
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1
Bij beschikking van 25 januari 2022 heeft het Hof een nader te bepalen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij Solid gelast, voorlopige voorzieningen getroffen en BGNIC opgedragen zich bij akte uit te laten over de in de beschikking genoemde onderwerpen.
1.2
Op 22 maart 2022 heeft BGNIC een akte ingediend, met producties 23-36.
1.3
Op 10 mei 2022 heeft Solid een antwoordakte ingediend, zonder producties.
1.4
Op 7 november 2022 heeft Solid een (tweede) productie 24 toegezonden.
1.5
Op 9 november 2022 heeft [belanghebbende 4] een 2nd Statement met exhibits 1-3 toegezonden.
1.6
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 10 november 2022. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.
1.7
Beschikking is aangezegd en bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling
Omvang van het onderzoek
2.1
Bij de beschikking van 25 januari 2022 heeft het Hof een nader te bepalen onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken bij Solid. Zoals in rov. 2.11 en 2.12 van die beschikking is overwogen, dient dit onderzoek in elk geval gericht te zijn op het beleid en de gang van zaken bij Solid in verband met:
a. de uitgifte van de aandelen aan de stichting The Solid Fund Private Foundation (hierna: SFPF) op 24 mei 2017,
b. de dividenduitkering van € 100 miljoen aan de aandeelhouders kort daarna, en
c. de lening van € 15 miljoen aan [belanghebbende 3], eveneens kort na 24 mei 2017.
Verder is in de beschikking van 25 januari 2022 overwogen dat het onderzoek naar die drie onderwerpen zich mede dient te richten op de rol daarbij van [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
2.2
Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over andere procedures waarvan de uitkomst van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek. Partijen hebben zich daarover uitgelaten. Naar aanleiding daarvan overweegt het Hof als volgt.
2.3
Bij verzoekschrift van 8 februari 2018 heeft BGNIC een procedure tegen Solid bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao aanhangig gemaakt, waarin zij vernietiging vordert van het uitgiftebesluit van 24 mei 2017. In die procedure heeft Solid een conclusie van antwoord ingediend en staat een mondelinge behandeling gepland. Solid heeft aangevoerd dat het onderwerp van de vernietigingsprocedure het onderwerp van deze enquêteprocedure verregaand overlapt. Dat is in zoverre juist, dat deze enquêteprocedure wellicht uiteindelijk (mede) tot vernietiging van dat besluit zou kunnen leiden (afhankelijk van het verdere verloop van deze procedure), zoals ook de vernietigingsprocedure daartoe zou kunnen leiden.
2.4
Op de Kaaiman Eilanden is geprocedeerd over de vraag of de truststructuren die [de vader] in het leven heeft geroepen verenigbaar zijn met het Israëlische huwelijksvermogensrecht en of [de vader] bij het opzetten daarvan heeft gedwaald. Solid heeft aangevoerd dat de uitkomst van die procedure kan meebrengen dat deze enquêteprocedure geen onderwerp meer heeft; BGNIC heeft aangevoerd dat de uitkomst van die procedure niet van belang is voor deze enquêteprocedure. Het Hof laat dat in het midden.
2.5
Ook over andere procedures hebben partijen het Hof ingelicht. Onder meer wordt in Singapore geprocedeerd over investeringen in het Lexinta-fonds.
2.6
Het Hof ziet geen aanleiding om het onderzoek in deze enquêteprocedure aan te houden in afwachting van de uitkomst van de andere procedures. Weliswaar hebben de onderwerpen van een of meer van de andere procedures een overlap met die van deze enquêteprocedure, maar dat is van onvoldoende gewicht om in deze enquêteprocedure een afwachtende houding aan te nemen. Dit geldt ook indien het risico bestaat dat de uitkomst van een of meer van de andere procedures zal meebrengen dat achteraf gezien het onderzoek in deze enquêteprocedure niet nodig of niet zinvol is geweest. Hierbij weegt mee dat een onderzoek bij Solid in dit geval niet erg bezwaarlijk voor Solid kan worden geacht, in elk geval niet vanwege de kosten ervan.
2.7
Bij de beschikking van 25 januari 2022 heeft het Hof BGNIC niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek voor zover het betrekking heeft op SFPF. Het Hof heeft de mogelijkheid opengelaten dat het zou bepalen dat een ten aanzien van Solid lopend onderzoek zich mede uitstrekt tot het beleid bij SFPF als nauw verbonden rechtspersoon (rov. 2.4). Het is daarom niet in strijd met de eisen van een goede procesorde dat BGNIC dit onderwerp opnieuw aan de orde heeft gesteld.
2.8
Het Hof ziet geen aanleiding om terug te komen van zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van BGNIC in haar verzoek, voor zover dat betrekking heeft op SFPF. Evenmin ziet het aanleiding te bepalen dat een ten aanzien van Solid lopend onderzoek zich mede uitstrekt tot het beleid bij SFPF als nauw verbonden rechtspersoon.
2.9
Het Hof ziet echter wel aanleiding om te bepalen dat de onderzoeker ook medewerking zal kunnen verlangen van functionarissen bij SFPF als bedoeld in art. 2:277 lid 1 BW en ook gegevens van SFPF zal kunnen raadplegen als bedoeld in art. 2:277 lid 2 BW. Het moet dan gaan om onderzoek naar de hiervoor in 2.1 genoemde drie onderwerpen.
2.10
BGNIC heeft aangevoerd te hebben vernomen dat de invloed van [belanghebbende 3] op het beleid van Solid al veel eerder dan op 23 mei 2017 een aanvang nam. Daarom heeft zij het Hof verzocht om ook eerdere handelingen bij Solid onderwerp van onderzoek te laten zijn. Het Hof zal dit verzoek niet honoreren. Er is niet gebleken van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of aan een juiste gang van zaken bij Solid in een andere periode dan de periode rond de uitgifte van de aandelen, de dividenduitkering en de lening van [belanghebbende 3]. Die periode kan worden gesteld op het tijdvak van 1 mei 2017 tot 1 juli 2017. Het Hof zal het tijdvak waarop het onderzoek betrekking heeft, bepalen op dat tijdvak.
2.11
Voor zover BGNIC het Hof heeft verzocht te bepalen dat het onderzoek zich zal uitstrekken over investeringen in het Lexinta-fonds, wordt dat verzoek afgewezen. Niet is gesteld dat Solid bij die investeringen is betrokken, laat staan hoe. Hetgeen BGNIC heeft gesteld, levert daarom geen gegronde redenen op om te twijfelen aan een juist beleid of aan een juiste gang van zaken bij Solid in verband met investeringen in het Lexinta-fonds.
Voorlopige voorzieningen
2.12
Het Hof zal de eerder getroffen voorlopige voorzieningen in stand laten. Zoals in de beschikking van 25 januari 2022 is overwogen, dienen die om de situatie te bevriezen. Dat is nog steeds nodig. Er is ook geen verzoek gedaan om die in te trekken.
2.13
BGNIC heeft verzocht om verdergaande voorlopige voorzieningen. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de bestuurders van Solid weigeren om verjaringstermijnen van vorderingen op derden te stuiten. Na verweer hiertegen door Solid heeft BGNIC dit verwijt niet of onvoldoende toegelicht. Ook voor het overige is hetgeen BGNIC heeft aangevoerd onvoldoende reden om thans verdergaande voorlopige voorzieningen te treffen.
Geen aanhouding voor schikkingsonderhandelingen
2.14
Solid heeft verzocht om de zaak aan te houden voor schikkingsonderhandelingen. Het Hof zal dat niet doen. Weliswaar kunnen schikkingsonderhandelingen tussen de beide zussen [belanghebbenden 3 en 4] en de moeder [belanghebbende 2] bijdragen aan oplossingen die een einde zouden kunnen maken aan deze procedure en aan andere procedures, maar de voortgang van de enquêteprocedure kan ook bijdragen aan de oplossing van problemen die binnen de doelstellingen van het enquêterecht vallen. Het Hof verwacht niet dat de voortgang van deze procedure in de weg zal staan aan zinvolle schikkingsonderhandelingen.
Slotsom
2.15
Het Hof zal thans de omvang van het onderzoek nader bepalen en een onderzoeker benoemen. Zodra het Hof een geschikte onderzoeker gevonden heeft, zal het die persoon bij beschikking als onderzoeker aanwijzen. Daarna zal worden beslist over het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bepaalt de omvang van het bij beschikking van 25 januari 2022 gelaste onderzoek (nader) als volgt:
- het onderzoek dient in elk geval gericht te zijn op het beleid en de gang van zaken bij Solid in verband met:
a. de uitgifte van de aandelen aan SFPF op 24 mei 2017;
b. de dividenduitkering van € 100 miljoen aan de aandeelhouders kort na 24 mei 2017; en
c. de lening van € 15 miljoen aan [belanghebbende 3], eveneens kort na
24 mei 2017;
- het onderzoek naar die drie onderwerpen dient zich mede te richten op de rol daarbij van [betrokkene 1] en [betrokkene 2];
- de onderzoeker zal ook medewerking kunnen verlangen van functionarissen bij SFPF als bedoeld in art. 2:277 lid 1 BW en zal ook gegevens van SFPF kunnen raadplegen als bedoeld in art. 2:277 lid 2 BW, voor zover van belang voor het onderzoek naar de hiervoor genoemde drie onderwerpen;
- het onderzoek dient beperkt te blijven tot het tijdvak van 1 mei 2017 tot 1 juli 2017;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;
verzoekt de onderzoeker om binnen zes weken na de beschikking waarbij de persoon van de onderzoeker wordt aangewezen, een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan het Hof toe te sturen, met afschrift aan de advocaten van partijen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste van Solid komen en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker zekerheid moet stellen voordat de onderzoeker aan de werkzaamheden begint;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
houdt de beslissing over het onderzoeksbudget en iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en G. van Solinge, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 17 januari 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.