Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.3.2.5
9.3.2.5 Informatievergaring, advies en communicatie
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498276:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.5.2.
Hiervoor werden uitgenodigd: Sociale Diensten, het Nibud, het ministerie van Financiën, het LBIO, en de Raden voor de Kinderbescherming. De advocatuur werd pas later – op eigen verzoek – toegelaten. Partners werden geacht onafhankelijk te zijn van justitiabelen, moesten deskundige voorlichting kunnen geven en moesten geen invloed proberen uit te oefenen op de werkzaamheden van de werkgroep. Om die reden werd de Belangengroepering van Gescheiden Mensen – ondanks een verzoek hiertoe – niet toegelaten: Dijksterhuis 2008, p. 115-130.
Dijksterhuis spreekt in dit verband over de naar binnen gerichtheid van rechters: alleen zij bepalen de agenda van de werkgroep. Dijksterhuis 2008, p. 216.
Zie hieromtrent ook de eerdere verwijzing naar de visie van Hennevelt, die een hernieuwde introductie van checks en balances voorstaat, waarbij is voorzien in inbreng van betrokkenen bij vaststelling van een rechtersregeling: paragraaf 4.9.
Beslagsyllabus augustus 2012, p. 1. Voor de laatste maal in de Beslagsyllabus van december 2009 konden reacties kenbaar worden gemaakt aan de eindredacteur van de Beslagsyllabus.
Op grond van de (interne) documentatie die voor dit onderzoek ter beschikking werd gesteld is niet te beoordelen op welke gronden wel of niet wordt ingegaan op suggesties van derden.
Paragraaf 9.3.2.1
Dit ligt voor de hand omdat ervan mag worden uitgegaan dat rechtersregelingen worden geacht bestaande wetgevingsinitiatieven niet te doorkruisen, hetgeen in het geval van de Tremanormen wel gebeurde. Nader hierover: Hennevelt 2009 p. 14-16.
De strategie inzake communicatie over de Beslagsyllabus juni 2011 was dat niet actief naar buiten getreden zou worden. Dat er bijvoorbeeld een kort vraaggesprek voor het Radio 1 programma ‘Goedemorgen Nederland’ is afgegeven door Van der Meer was het gevolg van initiatief van de zijde van de media, niet andersom.
Voor zover ik heb kunnen vaststellen heeft de communicatie zich beperkt tot een berichtje van 5 juli 2012 op de eigen website www.rechtspraak.nl. onder de categorie Raad voor de rechtspraak, Nieuws. Over de beperkte transparantie in dit verband: zie ook paragraaf 4.6.1.
Zie ook paragraaf 9.3.2.2
Rechtersregelingen hebben veelal raakvlakken met maatschappelijke relevante kwesties. In dit verband kwam het onderscheid tussen materieelrechtelijke- en formeelrechtelijke onderwerpen reeds aan de orde.1 Voor materieelrechtelijke onderwerpen, zoals de Tremanormen, is de maatschappelijke relevantie evident. Maar ook voor rechtersregelingen, zoals de Beslagsyllabus, die overwegend formeelrechtelijk van aard zijn, heeft te gelden dat deze een weerslag vormen van de visie op de wijze waarop en mate waarin het aanvaardbaar wordt geacht dat een burger of bedrijf inbreuk maakt op de rechten van een andere burger of bedrijf voor het secureren van een vermeend recht. Voor beide soorten van regelingen kan men zich de vraag stellen hoe werkgroepen bij het vaststellen van rechterlijk beleid omgaan met de maatschappelijke component. In hoeverre en op welke wijze informeert men zich bijvoorbeeld over niet-juridische technische onderwerpen en hetgeen zich in de samenleving afspeelt?
Dijksterhuis noemt als sterk punt van de werkgroep alimentatienormen dat bij de totstandkoming van de Tremanormen gebruik wordt gemaakt van producten en inzichten van andere instanties. Er wordt zelfstandig onderzoek gedaan en er worden deskundigen (zoals het Nibud) ingeschakeld. Daarnaast is sprake van een door de werkgroep geïnitieerd jaarlijks overleg (het Divosaoverleg) in het kader van informatievoorziening ten behoeve van de werkgroep door partners van buiten de rechterlijke organisatie.2 Minder sterk beoordeelt Dijksterhuis de omstandigheid dat de werkgroep zich niet inlaat met ongevraagd advies dan wel ongevraagde kritiek.3 Dit in tegenstelling tot hetgeen gebruikelijk is in een wetgevingsproces, waar het peilen van opvattingen van betrokken groepen en organisaties een belangrijk onderdeel van het proces uitmaakt.4
De redactie van de Beslagsyllabus lijkt minder rigide om te gaan met invloeden van buitenaf. Zo vermeldt de Beslagsyllabus al vele jaren een uitnodiging tot communicatie met de opstellers van de Beslagsyllabus:
‘De gebruiker wordt verzocht eventuele onjuistheden, onvolkomenheden of suggesties kenbaar te maken aan de Redactieraad van de beslagsyllabus via het volgende mailadres: Redactieraad Beslagrecht@rechtspraak.nl.’5
Uit interne stukken blijkt dat een dergelijke inbreng van buiten in een aantal gevallen intern wordt besproken en tot aanpassingen in de Beslagsyllabus kan leiden.6 Er is geen sprake van een jaarlijks overleg met partners of belanghebbenden. In de periode voorafgaand aan de instelling van een redactieraad, welke de taken van de eindredacteur van de Beslagsyllabus heeft overgenomen, werd door de eindredacteur steeds in geval van wijzigingen in de Beslagsyllabus, afhankelijk van de aard van de voorgenomen verandering, een kring van deskundigen, afkomstig uit de Rechtspraak, de beroepsgroep van advocaten, de beroepsgroep van deurwaarders en de wetenschap schriftelijk geraadpleegd. De (naar onderwerp variërende) lijst van ‘meelezers’ was niet openbaar. De nieuwe redactieraad volgt deze werkwijze niet (meer). Dit is betreurenswaardig omdat hiermee aan een informele inbreng van deskundigheid van buiten de Redactieraad in de Beslagsyllabus een einde is gekomen. Het op deze wijze informeel meedenken met ontwikkelingen langs deze weg wordt blijkbaar niet meer op prijs gesteld: de enige mogelijkheid is nog dat gebruikers ofwel achteraf op – niet gemotiveerde – wijzigingen in de Beslagsyllabus reageren, dan wel op eigen initiatief suggesties voordragen. Dit is in mijn opinie een spijtige ontwikkeling omdat deze contrair is aan een minder naar binnen gerichte werkwijze bij de vaststelling van rechtersregelingen.
Zoals al eerder aan de orde kwam, kon de werkgroep Beslagrecht op grond van het Protocol zelf haar werkwijze bepalen.7 In dit kader werden de aanbevelingen van de werkgroep informeel voorgelegd aan de commissie burgerlijk procesrecht van de NVvR. Ook vond over de aanbevelingen in het Research Memorandum een informeel gesprek plaats tussen de voorzitter van de werkgroep en een aantal op dit onderwerp gespecialiseerde advocaten. Voorts werd aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie de vraag voorgelegd in hoeverre sprake was van voornemens tot wijziging van de bestaande beslagwetgeving: dit bleek niet het geval.8 Binnen de werkgroep zelf is door individuele werkgroepleden onderzoek gedaan naar de technische mogelijkheden van een landelijk systeem van grijsmaking en navraag gedaan bij collega rechters in België, Frankrijk en Duitsland over de werkwijze bij zekerheidstelling voor schade bij onrechtmatig beslag. Op basis van de interne verslagen is niet tot in detail vast te stellen hoe ‘de sprong’ van agendapunt naar de tekst van een nieuwe concept Beslagsyllabus is gemaakt. Wel is duidelijk dat op enig moment een voorstel gewijzigde Beslagsyllabus tot stand is gekomen, waarop de sectoren van de rechtbanken hebben kunnen reageren. Ook de KBvG en de NOvA werd gevraagd om een reactie te geven op de concept Beslagsyllabus juni 2011. De KBvG reageerde, van de NOvA werd niet tijdig voor publicatie een reactie ontvangen.
Op 21 juni 2011 werd de Beslagsyllabus juni 2011 door het LOVCK goedgekeurd. De sectorvoorzitters van de civiele sectoren, de NOvA en de KBvG werden korte tijd daarna per brief door het LOVCK hierover geïnformeerd. In dit schrijven, met de nieuwe Beslagsyllabus als bijlage, werden de belangrijkste wijzigingen (zonder toelichting) opgesomd en aangekondigd dat ingaande 1 juli 2011 aan het in de Beslagsyllabus opgenomen nieuwe rechterlijk beleid uitvoering zou worden gegeven. Ook werd melding gemaakt van de ingrijpendheid van de veranderingen en de aanleiding daarvoor, te weten het onderzoek naar conservatoir beslag. Tevens werd de te verwachten verzwaring van de werklast voor de beoordelend voorzieningenrechters door de invoering van het nieuwe beleid genoemd.
De meeste gebruikers van de Beslagsyllabus hebben uit publicaties in juridische vakbladen en op juridische sites kennis genomen van de nieuwe Beslagsyllabus juni 2011. Deze gang van zaken op het gebied van communicatie is in mijn ogen toch wel wat wonderlijk, zeker gezien de fundamentele aard van de veranderingen. Ik meen dat de Rechtspraak in het geval van een dergelijke fundamentele wijziging in rechterlijk beleid (maar ook bij minder ingrijpende veranderingen) hierover zelf gemotiveerd, voldoende uitvoerig, tijdig en bovendien actief9 – zowel intern als extern – behoort te communiceren.10 Een (naar ik heb begrepen ook door het LOVCK nodig geachte) attitudeverandering bereik je immers niet met de enkele mededeling dat er een nieuwe Beslagsyllabus is. Eerder kwam in verband met de bespreking van binding van rechters aan een rechtersregeling al het belang van het binnen een zo breed mogelijk kader plaatsen van de procedure van totstandkoming van dergelijke regelingen ter sprake. In het verlengde hiervan ligt het belang van een actieve en open communicatie over dit proces en de resultaten ervan: een goede werking van een rechtersregeling is immers in belangrijke mate afhankelijk van de goede argumenten van door deskundige vakgenoten voorgestelde wijzigingen.11