Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.6.2:10.6.2 Toekomstig onderzoek naar besluitvorming in het jeugdstrafrecht: de grenzen over
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.6.2
10.6.2 Toekomstig onderzoek naar besluitvorming in het jeugdstrafrecht: de grenzen over
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderhavige onderzoek past in een steeds verder tot wasdom komende traditie van rechtswetenschappelijk onderzoek dat zich niet beperkt tot het bestuderen van ‘law in the books’, maar zich ook richt op het inzichtelijk maken van ‘law in action’. De bevindingen van dit onderzoek bevestigen nog maar eens de meerwaarde daarvan, evenals van het gebruik van methoden en inzichten uit andere wetenschappelijke disciplines om de werking van het recht beter te begrijpen. In deze lijn worden in het navolgende vier aanbevelingen gedaan voor een mogelijke koers voor toekomstig onderzoek naar besluitvorming binnen het jeugdstrafrecht, samen te vatten als een koers van ‘grensoverschrijdend’ onderzoek.
Een eerste aanbeveling is dat toekomstig onderzoek naar besluitvormingsprocessen binnen het jeugdstrafrecht zoveel mogelijk over de grenzen van de disciplines heen kijkt en, waar mogelijk, volledig interdisciplinair geschiedt, eventueel door middel van samenwerking tussen wetenschappers uit verschillende disciplines. Concreet bieden de bevindingen van het onderhavige onderzoek een basis voor interdisciplinair vervolgonderzoek. Zo zouden, naast het normatief-juridische analysekader, ook theorieën uit bijvoorbeeld de criminologie, penologie, pedagogiek en/of ontwikkelingspsychologie als kader(s) kunnen worden aangewend om de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen te analyseren en te duiden. Dergelijk vervolgonderzoek kan de wetenschappelijke kennis over de voorlopige hechtenis van minderjarigen verder vergroten en verdiepen en draagt de potentie in zich om te leiden tot nieuwe, interdisciplinaire theorievorming over de voorlopige hechtenis van minderjarigen en, meer in het algemeen, over besluitvormingsprocessen in het jeugdstrafrecht. Deze theoretische inzichten zouden vervolgens ook kunnen worden gebruikt om het relevante normatief-juridische kader van kinder- en mensenrechten als zodanig kritisch tegen het licht te houden (vgl. par. 10.6.1).
Voorts verdient het aanbeveling dat de inhoudelijke focus van toekomstig onderzoek naar besluitvorming binnen het jeugdstrafrecht zoveel mogelijk voorbij gaat aan kunstmatig getrokken grenzen die besloten liggen in een (te) geïsoleerde benadering van beslissingen van een bepaalde actor uit de jeugdstrafrechtspraktijk. In het onderhavige onderzoek is, voortbouwend op inzichten uit eerder onderzoek (zie par. 1.6.3.1), laten zien dat voor een goed begrip van de besluitvorming van een bepaalde actor (bijv. de rechter) over het al dan niet toepassen van een bepaalde interventie (bijv. de voorlopige hechtenis), dit besluitvormingsproces niet geïsoleerd moeten worden bestudeerd, maar in de bredere context van onder meer de werkprocessen en beslissingen van de andere betrokken actoren. Met andere woorden: besluitvorming van een actor in het jeugdstrafrecht staat nooit op volledig zichzelf en zou bij voorkeur ook niet als zodanig moeten worden bestudeerd. Hiermee wordt aangesloten bij de notie dat het (jeugd)strafrecht moet wordt beschouwd als een ‘organische entiteit’; een systeem waarin alle onderdelen losjes met elkaar zijn verbonden en waarin een beweging in één onderdeel voelbaar is in alle andere onderdelen, die zich daaraan zullen aanpassen.1 Dit geldt zowel ‘horizontaal’ (lees: tussen verschillende actoren in hetzelfde stadium van het strafproces) als ‘verticaal’ (lees: door de verschillende stadia van het strafproces heen). Om besluitvorming binnen een dergelijk systeem goed te doorgronden is een holistische benadering vereist. Toekomstig onderzoek zou zich bijvoorbeeld kunnen richten op het inzichtelijk maken van de wijze waarop zaken door het jeugdstrafrechtssysteem heen bewegen.2
Om de kennis over besluitvormingsprocessen in het jeugdstrafrecht verder te vergroten, is het voorts van belang dat onderzoek wordt verricht dat over de grenzen van het jeugdstrafrecht heen kijkt en zich richt op de interacties met aanliggende rechtsgebieden. Jeugdstrafrecht, civiel jeugdbeschermingsrecht en bestuursrechtelijk handhavingsrecht bieden stuk voor stuk instrumenten om te reageren op vormen van jeugdcriminaliteit. Aangenomen kan worden dat deze rechtsgebieden tot op zekere hoogte fungeren als communicerende vaten. Dit komt voor wat betreft het jeugdstrafrecht en jeugdbeschermingsrecht ook naar voren in het onderhavige onderzoek. Gesignaleerd is dat voorlopige hechtenis in de praktijk soms wordt gebruikt als crisisinterventie ter bescherming van een minderjarige verdachte in gevallen waarin het jeugdbeschermingsrecht tekortschiet, terwijl andersom de aanwezigheid van een machtiging tot gesloten jeugdhulp soms een reden is voor de rechter om de voorlopige hechtenis van een minderjarige te schorsen onder de voorwaarde dat de minderjarige verblijft in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. Dit laat zien dat er – ondanks het verbod op samenplaatsing van minderjarigen die op strafrechtelijke titel zijn gedetineerd en minderjarigen in de gesloten jeugdhulp – geen waterdichte schotten staan tussen het jeugdstrafrecht en het jeugdbeschermingsrecht. Onderzoek naar besluitvorming op het snijvlak van deze rechtsgebieden kan dan ook waardevolle inzichten opleveren in de wijze waarop twee (of meer) parallel lopende trajecten elkaar wederzijds kunnen beïnvloeden en wat dit betekent voor (de rechtspositie van) de minderjarige.
Tot slot zou toekomstig onderzoek naar besluitvorming in het jeugdstrafrecht ook over de landsgrenzen heen kunnen kijken. In het onderhavige onderzoek is, op basis van een literatuurstudie, naar voren gekomen dat in de toepassingspraktijk van voorlopige hechtenis in jeugdstrafzaken opvallende parallellen zijn te herkennen tussen Nederland en verschillende andere landen, ondanks dat deze landen een wezenlijk ander rechtssysteem kennen (zie par. 5.4.3). Zo blijkt het gebruik van schorsingsvoorwaarden (‘bail conditions’) voor pedagogische doeleinden, die niet of nauwelijks zijn te herleiden tot de wettelijke gronden van de voorlopige hechtenis, niet alleen in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in Australië en Canada voor te komen. Voorts is, in lijn met de bevindingen in het onderhavige onderzoek, ook in Amerikaans en Canadees onderzoek herhaaldelijk een prejudiciërende werking gesignaleerd van de toepassing van voorlopige hechtenis voor de uiteindelijke straftoemeting in jeugdstrafzaken. Een verdiepende (rechts-) vergelijkende studie tussen Nederland en één of meer andere landen kan inzichten opleveren in verschillen met praktijken in andere landen, maar ook in mogelijke patronen in besluitvormingsprocessen en opvattingen van besluitvormers in het jeugdstrafrecht die het nationale rechtssysteem overstijgen en een universeler karakter hebben. Dergelijke inzichten zouden bij uitstek van waarde zijn voor de bovengenoemde ‘Global Study on Children Deprived of Liberty’, maar ook specifiek voor de wetgevers, beleidsmakers en actoren in de jeugdstrafrechtspraktijk van de desbetreffende landen. Een rechtsvergelijkende studie kan bijdragen aan het signaleren van gemeenschappelijke knelpunten en het stimuleren van kennisuitwisseling over mogelijke oplossingen, die vervolgens kunnen worden vertaald naar het eigen rechtssysteem.