HR, 16-09-2011, nr. 10/02528
BT1538
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-09-2011
- Magistraten
Mrs. C. Schaap, M.W.C. Feteris, R.J. Koopman
- Zaaknummer
10/02528
- LJN
BT1538
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BT1538, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑09‑2011; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8452, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8452, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑09‑2011
- Vindplaatsen
NTFR 2011/2119 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
FutD 2011-2192
Uitspraak 16‑09‑2011
Inhoudsindicatie
Art. 15a, lid 1, letter a, Wet LB 1964, Art. 8, lid 2, letter b, UB LB 1965. 30%-regeling. Werkzaamheden als ondernemer in Nederland direct voorafgaand aan dienstbetrekking in Nederland: niet uit het buitenland aangeworven.
Mrs. C. Schaap, M.W.C. Feteris, R.J. Koopman
Partij(en)
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 7 mei 2010, nr. 09/00241, betreffende een na te melden ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij beschikking van 12 november 2007 heeft de Inspecteur afwijzend beslist op een verzoek van belanghebbende als bedoeld in artikel 9h, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Besluit). Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/3210) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende is radiologe. Zij heeft haar opleiding gevolgd in België, en is daar vervolgens enige jaren werkzaam geweest. Daarna is zij op 1 mei 2002 toegetreden tot de maatschap radiologen van A te Q. In het kader van deze maatschap was zij als ondernemer werkzaam in Nederland. Op 15 december 2006 heeft belanghebbende B B.V. (hierna: de B.V.) opgericht. Zij heeft per 1 januari 2007 haar maatschapsaandeel in de B.V. ingebracht. Op diezelfde datum is zij als directeur in dienst getreden van de B.V. Sindsdien verricht zij haar werkzaamheden als radiologe in A te Q in dienstbetrekking bij de B.V.
3.1.2.
Belanghebbende woonde in de periode waarin zij in Nederland werkzaamheden voor A verrichtte in België.
3.1.3.
Zij heeft de Inspecteur verzocht de bewijsregel als bedoeld in artikel 15a, lid 1, letter j, van de Wet op de loonbelasting 1964 (de zogenoemde 30%-regeling) met ingang van 1 januari 2007 op haar toe te passen. De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen.
3.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende aangemerkt kan worden als ingekomen werknemer in de zin van artikel 8, lid 2, letter b, van het Besluit. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Hiertegen richt zich het eerste middel.
3.3.1.
In aanmerking genomen dat op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en de B.V. is aangegaan geen sprake was van een situatie als opleiding of stage, is voor beantwoording van de in 3.2 bedoelde vraag beslissend of belanghebbende op dat tijdstip buiten Nederland woonde en niet in Nederland werkzaam was (zie o.a. HR 28 april 2006, nr. 41084, LJN AW4064, BNB 2006/262, en HR 24 oktober 2008, nr. 07/12637, LJN BD3167, BNB 2008/309).
3.3.2.
Aan de eis dat zij niet in Nederland werkzaam was, voldoet belanghebbende niet nu zij op het moment waarop de arbeidsovereenkomst met de B.V. tot stand kwam in Nederland werkzaam was als ondernemer. De bedoelde eis ziet, anders dan belanghebbende betoogt, niet alleen op werkzaamheden in dienstbetrekking. Het Hof heeft de in 3.2 bedoelde vraag dan ook terecht ontkennend beantwoord, zodat het eerste middel faalt.
3.4.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2011.
Beroepschrift 16‑09‑2011
Edelhoogachtbaar College,
Hierbij doen wij u de nadere motivering toekomen van het namens cliënte aangetekende hoger beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 7 mei 2010 op het hoger beroep van [X], wonende te [Z] België, […], tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda van 27 maart 2009, nummer AWB 08/3210 (bijlage 1).
Middel I
Naast de in ons cassatieschrift van 17 juni 2010 gegeven reden achten wij dat er sprake is van verzuim van vormen en schending van het recht door het Hof 's‑Hertogenbosch en wel om de volgende redenen.
Middel II
Het Hof heeft nagelaten in te gaan op ons verweer in de conclusie van repliek van 18 februari 2010 (bijlage 2). Hierin geven wij aan dat de Rechtbank ten onrechte ons beroep op ongelijke behandeling met de profvoetballers in nagenoemde arresten van uw College van 28 april 2006, nr. 41 084, BNB 2006/262 en nr. 41919. BNB 2006/266 heeft afgewezen en tevens een onjuiste uitleg geeft van de peildatum voor de toepassing van de 30%- regeling.
Het Hof is van mening (overweging 4.2) dat de peildatum voor de toepassing van de 30%- bewijsregeling de datum van het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de Nederlandse werkgever is. Voorafgaand aan het aangaan van de arbeidsovereenkomst mag niet zijn deelgenomen aan het economische verkeer in Nederland noch als werknemer noch als resultaatgenieter noch als ondernemer.
Echter het Hof laat in haar overwegingen na te motiveren waarom de profvoetballers uit de arresten van uw College van 28 april 2006 mei nrs. 41.398, 41.501 en 41.502, BNB 2006/263. BNB 2008/264 en BNB 2006/265 wel in aanmerking komen voor de 30%- bewijsregel. Deze hebben ook deelgenomen aan het economische verkeer in Nederland. Het Hof geeft aan dat op deze profvoetballers de door uw College gemaakte uitzondering voor opleiding of stage van toepassing is. Echter uw College heeft in voormelde arresten deze uitzondering niet genoemd.
Middel III
Het Hof gaat voor de afwijzing van het beroep ook niet in op ons subsidiaire standpunt in ons beroepschrift van 15 mei 2009 (bijlage 3). Zoals de inspecteur in zijn hoorverslag (bijlage 4) bevestigt zou, volgens ongepubliceerd beleid, de belanghebbende wel zijn aangemerkt als een ‘ingekomen werknemer’ indien zij haar onderneming in Nederland zou hebben gestaakt en terug naar België zou zijn gegaan en meteen daarna in dienstbetrekking zou zijn gegaan bij de inhoudingsplichtige in Nederland. Ook in dat geval heeft belanghebbende reeds werkzaamheden in Nederland verricht en zou zij geen beroep op de 30%-regel kunnen doen omdat zij voor het aangaan van de arbeidsovereenkomst reeds werkzaamheden in Nederland heeft verricht.
Wij verzoeken u deze zaak op grond van onze Grieven terug te verwijzen naar een Gerechtshof. Tevens verzoeken wij u de inspecteur te veroordelen in de kosten van dit beroep.