Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/5.3.1:5.3.1 Huwelijk
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/5.3.1
5.3.1 Huwelijk
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605414:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Bijzondere onderwerpen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 129, was beslist dat het huwelijk moest worden beschouwd als een duurzame levensverbintenis die was voorbehouden aan een man en een vrouw, en niet openstond voor personen van hetzelfde geslacht. Sinds 1 april 2001 kan een huwelijk echter ook worden aangegaan door twee personen van verschillend of gelijk geslacht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regels met betrekking tot het aangaan van een huwelijk zijn opgenomen in Titel 5 Boek 1 BW. In art. 1:30 BW is bepaald dat een huwelijk wordt aangegaan door twee personen van het verschillende geslacht, of van hetzelfde geslacht.1 Voorts schrijft art. 1:33 BW voor dat een persoon slechts met één andere persoon tegelijkertijd gehuwd kan zijn. Op basis van art. 1:42 BW mag ook niet een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan met een andere persoon. Voor het aangaan van een huwelijk gelden materiële ofwel inwendige vereisten, en formele ofwel uitwendige eisen. De uitwendige eisen hebben betrekking op de voltrekking van het huwelijk en de formaliteiten die daaraan voorafgaan. De inwendige vereisten houden verband met de kring van personen tussen wie een huwelijk kan worden gesloten en met de kenmerken van die personen. Zo kan op grond van art. 1:41 lid 1 BW bijvoorbeeld geen huwelijk worden aangegaan tussen personen tussen wie een te nauwe bloedverwantschap bestaat. Voorts geldt op basis van art. 1:31 BW een minimumleeftijd, en schrijft art. 1:32 BW voor dat de geestvermogens van de personen niet zodanig gestoord zijn dat ze niet in staat zijn om hun wil te bepalen. Zoals hiervoor is opgemerkt, moeten de aanstaande echtgenoten op basis van art. 1:33 BW ongehuwd zijn, en mogen zij op basis van art. 1:42 BW niet reeds een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Op basis van art. 1:80g BW kan een bestaand geregistreerd partnerschap wel worden omgezet in een huwelijk. In dezelfde zin kan een huwelijk worden omgezet in een geregistreerd partnerschap, zo is bepaald in art. 1:77a BW.
In het kader van het huwelijksvermogensrecht zijn in Titel 6 Boek 1 BW de rechten en verplichtingen van echtgenoten beschreven. Deze regels gelden ongeacht het door de echtgenoten gekozen huwelijksgoederenregime. Op basis van art. 1:81 BW zijn echtgenoten elkaar bijvoorbeeld getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd, en moeten zij elkaar het ‘nodige’ verschaffen. Op grond van art. 1:82 BW geldt een wederzijdse verplichting ten aanzien van de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen, en het dragen van de kosten daarvan. In dezelfde zin is in art. 1:84, lid 1, BW voorgeschreven dat de kosten van de huishouding, waaronder de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen, ten laste van het gemeenschappelijke inkomen komen.
In art. 1:93 BW wordt uitgegaan van een wettelijke gemeenschap van goederen, tenzij hiervan door middel van huwelijksvoorwaarden is afgeweken. Het uitgangspunt ten aanzien van de wettelijke gemeenschap van goederen van Titel 7 Boek 1 BW is dat echtgenoten beide voor het geheel zijn gerechtigd in het gemeenschappelijke vermogen, en dat beide dezelfde bevoegdheden hebben ten aanzien van die goederen. Op basis van art. 1:97 BW gelden echter enkele wettelijke beperkingen. Het bestuur van beroeps- of bedrijfsgoederen berust bijvoorbeeld bij de echtgenoot die deze goederen in zijn beroep of bedrijf gebruikt.
Ook ‘verknochte goederen’ vallen buiten de wettelijke gemeenschap, zo blijkt uit art. 1:94, derde lid, BW. Volgens Asser/De Boer (2002) zijn dit goederen die een zodanige binding aan een echtgenoot vertonen, dat bepaalde gevolgen die zijn verbonden aan het feit dat een goed in de gemeenschap valt, niet kunnen intreden. In dit verband merken Kleijn en Van Duijvendijk-Brand (1992) op dat de verknochtheid voortvloeit uit de aard van het goed, en dat deze niets te maken heeft met de persoonlijke ‘verknochtheid’ van één van de echtgenoten. In HR 6 januari 1960, NJ 1962, 48, is beslist dat een aandeel in een VOF als een ‘verknocht goed’ moet worden aangemerkt. Volgens Asser/De Boer zijn aandelen in een NV of BV niet als ‘verknochte goederen’ aan te merken, en deze vallen dus steeds in de wettelijke gemeenschap. In vergelijkbare zin behoren vruchtgebruik en contractuele rechten tot de wettelijke gemeenschap.
Op basis van art. 1:149 BW eindigt het huwelijk onder meer door de dood van één van de echtgenoten, door echtscheiding, door ontbinding na scheiding van tafel en bed, en door omzetting in een geregistreerd partnerschap. Van Mourik en Nuytinck (2006) wijzen in dit verband op de bestaande praktijk van ‘flitsscheidingen’. Een huwelijk kan in principe niet worden ontbonden zonder tussenkomst van de rechter. Indien echtgenoten eerst hun huwelijk omzetten in een geregistreerd partnerschap, is dat via deze omweg wel mogelijk. Op basis van art. 1:80c lid 1 onderdeel c BW kunnen de partners het geregistreerd partnerschap beëindigen waarbij slechts de ambtenaar van de burgerlijke stand en één of meer advocaten of notarissen zijn betrokken. In een thans aanhangig wetsvoorstel ‘Beëindiging huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst’ (29 676) wordt de mogelijkheid van beëindiging van het huwelijk met wederzijds goedvinden geïntroduceerd, de zogenoemde administratieve echtscheiding.