RSV 2019/173
Verkoop van een op grond van een op grond van art. 34, tweede lid, aanhef en onder a, Participatiewet vrijgelaten bezitting valt niet onder de inlichtingenverplichting. Het vermoeden is nl. gerechtvaardigd dat de verkoopopbrengst wordt gebruik om een ander soortgelijk gebruiksgoed aan te schaffen. De verkoopopbrengst van een vrijgelaten bezitting is dan niet aan te merken als een bezitting waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Als het college echter in het kader van een onderzoek ter weerlegging van dat vermoeden gegevens opvraagt over de verkoop van de vrijgelaten bezitting en de betrokkene verstrekt deze gegevens niet, is de inlichtingenverplichting wel geschonden.
CRvB 04-06-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1942
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
4 juni 2019
- Magistraten
Mrs. F. Hoogendijk, W.F. Claessens, D.L.J. Martens
- Zaaknummer
17/6635 PW
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS70924:1
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid bijstand / Algemene bijstand
- Brondocumenten
ECLI:NL:CRVB:2019:1942, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 04‑06‑2019
- Wetingang
Essentie
Verkoop van een op grond van een op grond van art. 34, tweede lid, aanhef en onder a, Participatiewet vrijgelaten bezitting valt niet onder de inlichtingenverplichting. Het vermoeden is nl. gerechtvaardigd dat de verkoopopbrengst wordt gebruik om een ander soortgelijk gebruiksgoed aan te schaffen. De verkoopopbrengst van een vrijgelaten bezitting is dan niet aan te merken als een bezitting waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Als het college echter in het kader van een onderzoek ter weerlegging van dat vermoeden gegevens opvraagt over de verkoop van de vrijgelaten bezitting en de betrokkene ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.