Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/6.3
6.3 De rechtspraak vóór Landis
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381841:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. Maeijer (Ogem).
Aldus Bartman/Dorrestijn/Olaerts, Van het concern (2016), p. 290.
OK 27 april 2000, JOR 2000/127 (Bot Bouw).
HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 (Ogem), r.o. 4.1.
OK 27 april 2000, JOR 2000/127 (Bot Bouw), r.o. 4.6.
OK 30 juli 2002, JOR 2002/192 m.nt. Josephus Jitta (Janson Holding).
Uit deze overweging volgt dat aandeelhouders in een dochtervennootschap meer bescherming genieten dan aandeelhouders in een enkelvoudige vennootschap. Een enquêteverzoek bij een enkelvoudige vennootschap kan de positie van andere aandeelhouders immers ook raken. Zie hierover Josephus Jitta in nr. 6 van zijn noot onder deze uitspraak (JOR 2002/192). Jitta is overigens wel voorstander van een concernrechtelijk uitleg van het enquêterecht, maar hiervoor is naar zijn mening een wetswijziging noodzakelijk.
OK 26 maart 2003, JOR 2003/141 (Callas), r.o. 3.5.
De Ogem-enquête vormt op het punt van de concernenquêtes op verzoek van aandeelhouders de mijlpaal.1 De OK wijst de enquête formeel slechts toe bij Ogem Holding NV, maar de onderzoekers richten zich in deze zaak voor het eerst mede op het beleid en de gang van zaken van de dochtervennootschap. De term ‘het beleid en de gang van zaken’ in art. 2:345 lid 1 BW biedt daartoe ruimte omdat het eerder ziet op feitelijke invloed of beslissingsmacht van de moedervennootschap dan op haar formele bevoegdheden.2 Onverlet blijft dat eventuele voorzieningen louter betrekking kunnen hebben de Holding, waar het onderzoek is toegewezen.
De eerste echte concernenquête op verzoek van aandeelhouders gelast de OK in de Bot Bouw-beschikking, waarin zij aandeelhouders van een moedervennootschap mede enquêtebevoegd acht bij een aantal 100%-dochtervennootschappen.3 De OK overweegt dat de doeleinden en de draagwijdte van het enquêterecht, zoals de Hoge Raad die formuleert in zijn Ogem-beschikking,4 enkel tot hun recht komen indien het onderzoek zich mede uitstrekt tot de dochtervennootschappen van de moedervennootschap waarin de verzoekers aandeelhouders zijn. De problemen bij de Bot Bouw Groep zijn volgens de OK namelijk mede te wijten aan de wijze waarop de onderneming op het niveau van de dochtervennootschappen wordt gedreven. Een juist beeld van het beleid van de holding is dan alleen mogelijk indien ook het beleid van de dochtervennootschappen in het onderzoek wordt betrokken, aldus nog steeds de OK.5
Na haar Bot Bouw-beschikking wijst de OK meer concernenquêtes toe op verzoek van aandeelhouders.6 Zo wijst de OK in de Janson Holding-beschikking, met een beroep op doel en strekking van het enquêterecht, een concernenquête toe bij de moedervennootschap en haar 100%-dochter- en kleindochtervennootschappen met wie zij een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormt.7 De OK wijst het onderzoek af ten aanzien van een 60%-dochtervennootschap omdat het onderzoek de positie van de andere aandeelhouders in deze dochtervennootschap kan raken, die in de enquêteprocedure geen partij zijn en niet door de holding worden vertegenwoordigd.8 In de Callas-beschikking beveelt de OK zelfs een concernenquête bij een dochtervennootschap waarvan de moedervennootschap niet 100%, maar 90% van de aandelen houdt. Niet het aandelenbelang is beslissend, maar de omstandigheid dat de vennootschap deel uitmaakt van een economische en organisatorische eenheid onder leiding van steeds dezelfde (rechts)personen.9