Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/1.3:1.3 Probleemstelling
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/1.3
1.3 Probleemstelling
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS616170:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De nieuwe regeling betreffende de eigendom van netten is opgenomen in artikel 5:20, tweede lid BW en staat centraal in dit boek. Deze nieuwe regeling beoogt een einde te maken aan de onzekerheden die golden ten aanzien van de eigendom van netten in andermans grond. De eerste vraag in dit onderzoek is dan ook: heeft de nieuwe wettelijke regeling betreffende de eigendom van netten de beoogde duidelijkheid en oplossingen gebracht met betrekking tot de eigendom van netten? Om deze centrale vraag te kunnen beantwoorden is noodzakelijk om eerst het kader te schetsen van de algemeen geldende leer op het gebied van onroerende zaken en welke gevolgen of 'tekortkomingen' deze geldende leer had met betrekking tot de eigendom van netten. Ter beantwoording van genoemde centrale vraag is ten tweede van belang dat de achtergronden en de totstandkoming, evenals de inhoud van de nieuwe eigendomsregeling uitvoerig worden geanalyseerd, evenals de voorgestelde regeling in de Overgangswet NBW (artikel 155a). Deze regeling dient een oplossing te bieden voor de problemen die door de praktijk worden ondervonden bij de (eerste) inschrijving van netten in de openbare registers. De (deel)vragen die bij de analyse van de nieuwe eigendomsregeling (en het overgangsrecht) aan de orde komen zijn onder meer wat de aanleiding was van de nieuwe regeling en op welke netten de nieuwe regeling ziet? Hoe een net is of kan worden afgebakend en meer specifiek of bijvoorbeeld mantelbuizen en huisaansluitingen onder de nieuwe regeling vallen? Maar ook de vraag wat wordt verstaan onder de 'bevoegde aanlegger' en hoe die bevoegdheid moet worden vastgesteld en tevens wat er gebeurt als die bevoegdheid vervalt? Tevens zal in dit kader de regeling in de Overgangswet NBW aan de orde komen. Tot slot zal de Nederlandse eigendomsregeling vergeleken worden met drie buitenlandse rechtsstelsels.
De totstandkoming van de nieuwe eigendomsregeling heeft in een relatief korte tijd plaatsgevonden en is door middel van een nota van wijziging behorende bij de wijziging van de Tw gerealiseerd. De nieuwe regeling heeft een fundamentele wijziging gebracht in de (bestaande) wet- en rechtssystematiek en dan vooral met betrekking tot het leerstuk van de eigendom van onroerende zaken (wijze van eigendomsverkrijging, de doorbreking van de verticale natrekking en de bestanddeelvorming). De tweede vraag die beantwoord zal worden is: sluit de nieuwe regeling aan bij het (bestaande) systeem van het goederenrecht en heeft de regeling invloed op het goederenrecht? De (deel)vragen die tot beantwoording van deze tweede vraag moeten leiden zijn onder meer of de goederenrechtelijke aanspraak op netten ook als een nieuw zakelijk recht (van netwerk) geregeld had kunnen worden en of de huidige eigendomsregeling in het gesloten stelsel van het goederenrecht past? Wat zijn de argumenten van de wetgever (geweest) om geen nieuw zakelijk recht voor netten te introduceren? Maar ook waarom de eis van 'bevoegde aanleg' is gesteld in de nieuwe regeling en of een net (volledig) in eigen grond als een zelfstandige onroerende zaak kan worden beschouwd? Met betrekking tot de meer praktische gevolgen voor het goederenrecht, komt aan de orde of de eigendomsregeling gevolgen heeft voor overdracht van een net en de derdenbescherming? Kunnen beperkte rechten en zekerheidsrechten gevestigd worden op dit type onroerende zaken? Heeft de nieuwe regeling gevolgen voor de aansprakelijkheid met betrekking tot netten? Tevens zal worden ingegaan op de vraag of de relatie tussen neteigenaar en grondeigenaar niet onderbelicht is gebleven en of een aanvullende regeling hiervoor, in bijvoorbeeld het burenrecht, wenselijk is?
De nieuwe regeling heeft ook gevolgen voor de registratieproblematiek. Immers voor overdracht en bezwaring van netten is inschrijving in de openbare registers vereist, terwijl dit (in het recente) verleden voor netten niet gebruikelijk was. Als derde en laatste vraag staat in dit onderzoek centraal: op welke wijze heeft de onroerende status van netten de procedure met betrekking tot inschrijving in de openbare registers gewijzigd? De volgende (deel)vragen zullen ter beantwoording aan de orde komen: hoe netten werden en thans worden overgedragen en geleverd en welke (afwijkende) formaliteiten gelden om netten in te schrijven in de openbare registers? Maar ook of conservatoir en executoriaal beslag op een net mogelijk is en hoe beslag wordt gelegd op een niet ingeschreven net. Tevens komt aan de orde hoe openbaar de informatie over ingeschreven netten of nettekeningen is en wat de rol van het Kadaster is bij inschrijving en (centrale) registratie van netten?