Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.4.3
21.4.3 Beperkingsclausule
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450453:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Misschien kan men ook, in plaats van een gehele beperkingsclausule op te nemen, een schakelbepaling opnemen die stelt dat de uitzondering, vrijstelling, verblijfsvergunning, privilege gelezen moet worden in samenhang met art. 9 lid 2 EVRM.
Zie: Gerechtshof Amsterdam 23 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4626.
Overigens worden er in het recht reeds bepaalde context-specifieke eisen gesteld aan godsdienst. Zo komt men in het belastingrecht als religieuze instelling alleen in aanmerking voor een ANBI-vrijstelling indien men aantoont dat men in woord en daad voor 70% het algemeen belang dient en in de AWGB staat de eis dat een religieuze instelling of een school alleen onderscheid op godsdienst mag maken ‘voor zover deze kenmerken vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormen, gezien de grondslag van de instelling. Een zodanig onderscheid mag niet verder gaan dan passend is, gelet op de houding van goede trouw en loyaliteit aan de grondslag van de instelling die van de voor haar werkzame personen mag worden verlangd, en mag niet leiden tot onderscheid op een andere in artikel 1 genoemde grond, onverminderd artikel 2, eerste lid’.
Ten slotte stel ik voor om aan elk wettelijk religieus recht een beperkingsclausule toe te voegen. Die beperkingsclausule zou vergelijkbaar kunnen zijn met de beperkingsclausule van artikel 9 EVRM. Men zou ook kunnen verwijzen naar artikel 9 EVRM. Bijvoorbeeld:
Lid 2: Een beroep op (de uitzondering, vrijstelling of het recht genoemd in) lid 1 kan geweigerd worden vanwege de belangen genoemd in artikel 9 lid 2 EVRM.
Daarmee zou de beperking van de uitzondering, subsidie of het recht mogelijk worden vanwege het belang van de openbare veiligheid, openbare orde, gezondheid, rechten en vrijheden van anderen en de goede zeden.1 Uiteraard moet dit niet leiden tot een uitholling van de godsdienstvrijheid. Hiervan hoeft echter geen sprake te zijn. Het EHRM hanteert immers ook een belangenafweging en er zijn geen aanwijzingen dat dit de godsdienstvrijheid uitholt.
Met een dergelijke belangenafweging kan de rechter en in het bijzonder het bestuur – indien er tenminste voldoende zwaarwegende belangen zijn – voorkomen dat godsdiensten met een niet gewenste inhoud kunnen worden uitgeoefend. Wanneer een beroep op een uitzondering, vrijstelling of recht leidt tot een resultaat dat onacceptabel is in het licht van het belang van de openbare orde, veiligheid, goede zeden of rechten van anderen dan heeft de rechter of het bestuur een instrument in handen om dit resultaat te voorkomen. Dan kan hij bijvoorbeeld een beroep op vrijstelling van de leerplicht afwijzen indien hij op grond van de salafistische bezwaren van de ouders tegen het bestaande onderwijs2 vreest dat thuisonderwijs zal leiden tot radicalisering en daarmee een gevaar kan vormen voor de openbare orde en veiligheid. Dat neemt niet weg dat de beperkingsclausule niet in alle gevallen kan voorkomen dat aanhangers van bepaalde godsdiensten die in de publieke opinie als controversieel worden afgeschilderd, met een succes een beroep kunnen doen op een uitzondering, vrijstelling of privilege. In hoeverre er zwaarwegende belangen zijn die kunnen voorkomen dat de Scientology-kerk gebruik maakt van belastingvrijstellingen of dat een evangelische school het Bijbelse scheppingsverhaal als enig geldende theorie onderwijst, valt te bezien. Maar misschien raken we daar wel juist de kern van de godsdienstvrijheid: dat het recht tot op zekere hoogte ook religieuze opvattingen beschermt die juist alleen door een minderheid worden aangehangen.
Een in het recht met een religieus object ingebouwde belangenafweging heeft ook als voordeel dat de gevolgen van een abusievelijk erkend onoprecht beroep niet onomkeerbaar zijn. Indien de rechter twijfelt aan de oprechtheid van het rechtssubject kan hij het rechtssubject het voordeel van de twijfel geven en zijn uiting of gedraging als godsdienstig kwalificeren. Indien echter blijkt dat er andere belangen zijn die zwaarwegender zijn de godsdienstvrijheid dan kan hij die alsnog laten prevaleren boven het religieuze object van het recht waar het rechtssubject een beroep op doet. Uiteraard moeten die belangen dan wel daadwerkelijk aan de orde zijn.
De grote meerwaarde van het gebruik van een belangenafweging is dat de zelfdefinitie van het rechtssubject als uitgangspunt wordt genomen. Door de belangenafweging heeft hij immers de ruimte om onwelgevallig consequenties van zijn kwalificatie te matigen door middel van de beperkingsclausule. De kracht van een uitsluitend subjectiverende kwalificatie van uitingen en gedragingen als godsdienstig schuilt ook in het feit dat de rechtsorde met deze benadering genoodzaakt wordt om open en eerlijk te zijn over de redenen waarom een individu of collectief geen aanspraak maakt op godsdienstvrijheid. Het kan zich dan niet verschuilen achter verhullende argumenten over de aard van de betreffende godsdienst. Het moet daarentegen expliciet maken welke belangen indruisen tegen het belang van de godsdienstvrijheid van het rechtssubject. Deze belangen hebben geen betrekking op de godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen van het rechtssubject maar betreffen de belangen van anderen of van de rechtsorde als zodanig.
Ten slotte zou de beperkingsclausule per onderwerp nader kunnen worden geconcretiseerd. Dan zou de rechter nog beter in staat zijn om zijn belangenafweging toe te snijden op het betreffende recht. Zo zou in de bepaling over de eedsaflegging kunnen worden opgenomen dat een eigen wijze van eedsaflegging geen probleem is tenzij dit de beëdiging ophoudt, verstoort of de bedoeling ervan ondergraaft. Aan de bepaling die het mogelijk maakt dat men een religieuze school opricht kan men de beperking toevoegen dat de betreffende religieuze school aan de kinderen het verschil uitlegt tussen epistemologie en de aangehangen godsdienst, oftewel dat de kennis over het weten een andere traditie (taalspel, paradigma) is dan de godsdienstige traditie. Ten aanzien van de uitzonderingsbepalingen voor de verplichting om verdoofd te slachten zou men de beperking kunnen stellen dat men alleen een beroep op deze uitzondering mag doen indien men kan aantonen dat de wijze van rituele slacht niet meer leed veroorzaakt dan, en op even nauwkeurige en verzorgde wijze plaatsvindt als de reguliere verdoofde slacht.3