Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/4.2.1.2
4.2.1.2 De "boekhoudkundige": controleur van de jaarrekening
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ten aanzien van de wijziging van de Gemeentewet uit 1909 werd dit verband alleen in de Memorie van Toelichting gelegd. Zie par. 2.1.1.
Wet van 16 december 1927, Stb. 1927, 388.
Bijl. Hand. II 1926/1927, 281, nr. 4 (Voorlopig Verslag).
Bijl. Hand. II 1926/1927, 281, nr. 5 (MvA).
Wet van 31 januari 1931, Stb. 1931, 41.
Bij provincies speelde deze vraag niet, omdat de Provinciale Wet nooit een bepaling als art. 124 Gemeentewet-1931 heeft bevat.
Bijl. Hand. II 1928/1929, 235 nr. 3 (MvT), p 22.
Bijl. Hand. II 1926/1927, 281, nr. 3 (MvT).
De andere hoedanigheid waarin een accountantachtige figuur in de eerste helft van de twintigste eeuw kan worden aangetroffen, is die van de "boekhoudkundige" die belast was met het controleren van de jaarrekeningen van de takken van dienst. Aan de start van deze ontwikkeling staat een wijziging van de Provinciale Wet uit 1927. Net als in 1909 is deze wetswijziging ingegeven door de fmanciële complexiteit die gemeentelijke en provinciale bedrijven met zich brachten. In tegenstelling tot de wijziging van de Gemeentewet in 1909 werd het verband tussen de boekhoudkundige en de provinciale bedrijven in de onderhavige wijziging van de Provinciale Wet geëxpliciteerd.1 Bij wet van 16 december 1927 werd de Provinciale Wet namelijk zodanig gewijzigd, dat de provinciale takken van dienst (bedrijven) een zelfstandig geldelijk beheer mochten voeren. Van de jaarrekeningen van deze takken van dienst moesten sindsdien op grond van art. 125 Provinciale Wet "de cijfers door een buiten de tak van dienst staanden boekhoudkundige, door de Provinciale Staten aan te wijzen, deugdelijk zijn verklaard".2
In tegenstelling tot de in de vorige paragraaf genoemde "deskundige", werd ten aanzien van de "boekhoudkundige" dus wel nadrukkelijk bepaald welk orgaan bevoegd was tot diens aanwijzing: Provinciale Staten. Hierop is overigens enige parlementaire kritiek gekomen. Sommige leden van de Tweede Kamer waren van oordeel dat het aanwijzen van de boekhoudkundige beter had kunnen worden opgedragen aan Gedeputeerde Staten.3 De regering antwoordde:
"Den boekhoudkundige te doen aanwijzen door Gedeputeerde Staten zou weinig strooken met het beginsel, dat de gecontroleerde niet zijn eigen controleur behoort te benoemen."4
De ervaringen met de provinciale boekhoudkundige waren kennelijk positief. Toen in 1931 de mogelijkheid voor gemeenten werd geopend voor de takken van dienst een afzonderlijke begroting en rekening in te stellen, verscheen de boekhoudkundige ook in de Gemeentewet ten tonele.5 Analoog aan de regeling in de Provinciale Wet werd de boekhoudkundige belast met het controleren van de deugdelijkheid van de in de jaarrekeningen van de takken van dienst opgenomen cijfers. Hij behoorde buiten de te controleren tak van dienst te staan en hij werd aangewezen door de gemeenteraad (art. 265 Gemeentewet). Deze wijziging maakte deel uit van dezelfde herziening die in de vorige subparagraaf werd behandeld en ook hier liet de wetgever enigszins aan duidelijkheid te wensen over. Zo rijst de vraag wat nu precies het verschil was tussen de in art. 124 Gemeentewet-1931 genoemde deskundige en de in art. 265 opgevoerde boekhoudkundige.6 Was het de bedoeling dat de boekhoudkundige ook een accountant zou zijn en zo ja, was dit dan dezelfde persoon als de deskundige? De Memorie van Toelichting7 bevatte op dit punt alleen een verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Provinciale Wet uit 1927,8 die hierover niet sprak.