Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.3.2.0
3.3.2.0 Introductie
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702007:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wijting trekt in zijn dissertatie een parallel met het arrest Lindenbaum/Cohen voor onrechtmatige daad, zie: Wijting 1984, p. 66. Ook aangehaald door: Sluysmans & Procee 2016, p. 67. Zie voorts: Hamming 1948, p. 32-36; Sluysmans 2011, p. 69-78.
HR 7 maart 1864, W. 1864, 2569.
HR 23 december 1864, W. 1864, 2652.
Met name het beroep het grondwetsartikel wordt kritisch ontvangen: Sluysmans 2011, p. 69-71; W.J.I. van Wijmen 1970, p. 293. Van Doorne 1961, p. 43; Lubbers 1919, p. 9-10. Wijting gaat zelfs zo ver te spreken van een doorkruising van het verbod met het grondwettelijk toetsingsverbod: Wijting 1984, p. 422.
Jonckers Nieboer 1931, p. 61.
Het belang dat de arresten uit 1864 voor het onteigeningsrecht hebben gehad, mag niet worden onderschat. 1Het arrest van 7 maart 1864 is de oorsprong van het materiële schadeloosstellingsrecht in onteigeningszaken. De Hoge Raad nam in dat arrest uitdrukkelijk afstand van het beperkte schadebegrip zoals neergelegd in de wet van 1851, en overwoog daarbij:
“O., dat hoewel bij de aangehaalde artikelen der wet, regelende de onteigening ten algemeenen nutte, niet uitdrukkelijk is vermeld het onderwerpelijk geval, daarbij echter kennelijk is aangenomen het beginsel eener volledige schadevergoeding voor alles wat is een regtstreeksch en noodzakelijk gevolg der onteigening [onderstreping –SS ], dat derhalve bij die wet is toegekend vergoeding van alle zoodanige schade, tenzij zij uitdrukkelijk is uitgezonderd; en dat deze uitlegging dier wet wordt gevorderd door art. 147 der Grondwet, hetwelk bij onteigening vordert voorafgaande schadeloosstelling; (…)”2
Het is dus duidelijk: alle schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de onteigening, komt voor vergoeding in aanmerking. Het voorgaande betekent dat de twee wettelijke schadecomponenten uit de onteigeningswet (werkelijke waarde en waardevermindering van het overblijvende) niet langer als exclusief beschouwd mochten worden. De Hoge Raad onderstreepte zijn koers in het arrest van 23 december 1864.3
In de literatuur werden de arresten met wisselend enthousiasme ontvangen.4 Ik citeer Jonkers Nieboer die het dubbele gevoel verwoordt:
“Het arrest is wel een sprekend voorbeeld van buitengewone vrije wetshantering; wat door den wetgever ‘kennelijk’ niet bedoeld was, wordt als uitgangspunt genomen; een beroep wordt gedaan op de grondwet [art. 147 Grondwet 1848 – SS], die juist de regeling der schadeloosstelling aan de bijzondere wet overlaat; het eenige goede, dat van deze beslissing te zeggen valt, is eigenlijk, dat daarmede de vicieuze cirkel, die door den wetgever in de artt. 40 en 41 was getrokken, verbroken werd (…). Dat resultaat doet de gebrekkige constructie van het arrest volkomen vergeven.”5
De discussie over de dogmatische zuiverheid van zijn redenering daargelaten, heeft de Hoge Raad deze koers niet meer losgelaten. Hij is gaan bouwen aan een uitgebreid materieel schadeloosstellingsrecht. Naast de werkelijke waarde en de eventuele waardevermindering van het overblijvende bestond er sedertdien een derde schadepost – die van de overige/bijkomende schade.