Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.1
4.1 Inleiding
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931098:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik beperk mij in dit onderzoek tot de verschijningsvormen van hoofdelijke aansprakelijkheid in het BW, zie hiervoor, nr. 8.
Vgl. art. 3:304 BW. Hierbij kan nog onderscheid worden gemaakt tussen de bevoegdheid de prestatie af te dwingen (het ‘ius agendi’) en het daartoe beschikbare processuele middel (de rechtsvordering in enge zin). Zie Pannevis 2019/135 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/32. Vgl. voorts Kaser/Wubbe 1971, p. 36-38, en Zimmermann 1996, p. 26-28.
Dit wordt gezien als een onderdeel van het ‘ius agendi’ dat aan het vorderingsrecht is verbonden. Zie Pannevis 2019/135; Asser/Sieburgh 6-I 2020/33 e.v. Ons recht kent verschillende gevallen waarin van een verhaalsrecht sprake is, zonder dat op degene ten laste van wiens vermogen dat verhaalsrecht kan worden uitgeoefend, ook een verbintenis rust. Denk aan de derdenpand- of -hypotheekgever (art. 3:231 lid 1, derde volzin BW); aan de retentor die zijn recht kan inroepen jegens een ander dan zijn schuldenaar (art. 3:291 BW); aan de beslaglegger die zich kan blijven verhalen op een door hem beslagen zaak die in weerwil van beslag is overgedragen aan een derde (HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729, NJ 2009/376, m.nt. A.I.M. van Mierlo; JOR 2009/120, m.nt. C. Rijckenberg (Ontvanger/De Jong q.q.), r.o. 3.4); en aan de fiscus, die zich onder omstandigheden kan verhalen op bodemzaken die niet toebehoren aan de belastingschuldige (art. 22 lid 3 Invorderingswet 1990).
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 38 (MvT), en voorts Pannevis 2019/135; Asser/Sieburgh 6-I 2020/6 en 12.
De term ‘rechtsplicht’ heeft overigens ook een ruimere strekking, namelijk die gevallen waarin in rechte ook verplichtingen kunnen worden afgedwongen die niet voortvloeien uit een verbintenis, zoals ‘zorgplichten’. Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 38 (MvT) en voorts Van Nispen 1978/6-8 (p. 8-15); Nuninga 2018; Van der Helm 2019/4; en Asser/Sieburgh 6-I 2020/8-11.
Zie hiervoor, nr. 1.
Zie hiervoor, nr. 1.
Anders: Van Boom 1999, p. 34-35, en Van Boom 2016a, p. 39-41. Zie hierover nader hierna, nr. 103.
89. Algemeen. In het BW1 zijn tal van regels te vinden die hoofdelijke verbondenheid in het leven roepen. In dit hoofdstuk staan de rechtsgevolgen daarvan centraal. Voordat ik die bespreek, volgt allereerst een inventarisatie van de verschillende verschijningsvormen van hoofdelijke verbondenheid in het Nederlands (materiële) burgerlijk recht (par. 4.2). Deze paragraaf is vooral beschrijvend van aard. Vervolgens ga ik in op de rechtsgevolgen van hoofdelijke verbondenheid in de ‘externe verhoudingen’ (tussen de schuldeiser enerzijds en de hoofdelijk schuldenaren anderzijds; par. 4.3), zoals de gevolgen van een betaling door de ene schuldenaar voor aansprakelijkheid van de overige schuldenaren. De nadruk ligt in dit hoofdstuk op de ‘interne verhoudingen’ (tussen de hoofdelijk schuldenaren onderling; par. 4.4). Daarbij onderzoek ik wat de gevolgen zijn voor de interne verhoudingen van verschillende rechtsfeiten in de externe verhouding, zoals een betaling door een van de schuldenaren of een schikking tussen de schuldeiser en één van de hoofdelijk schuldenaren. In hoeverre zijn hoofdelijk schuldenaren bijvoorbeeld jegens elkaar verplicht om zich jegens de schuldeiser te beroepen op een hun toekomend verweer? En kan een hoofdelijk schuldenaar die zich bevrijdde door een met de schuldeiser bereikte schikking, vervolgens verhaal nemen op zijn medeschuldenaren? Tot slot analyseer ik de beginselen die aan het materiële burgerlijk recht ten grondslag liggen (par. 4.5).
Procesrechtelijke aspecten komen zoveel mogelijk gezamenlijk aan bod in Hoofdstuk 5, en komen in het onderhavige hoofdstuk daarom slechts terloops aan de orde. Complicaties die verband houden met de insolventie van een of meer schuldenaren komen – afgezien van art. 6:13 BW – niet aan de orde in dit hoofdstuk, maar in Hoofdstuk 6.
90. Vorderingsrecht, rechtsvordering en verhaalsrecht; verbintenis, rechtsplicht en verhaalsaansprakelijkheid. Hoewel een vorderingsrecht de schuldeiser een materiële aanspraak geeft op zijn schuldenaar, biedt die aanspraak hem geen garantie dat hij hetgeen waarop hij recht heeft ook daadwerkelijk zal verkrijgen. Weliswaar komt hem een rechtsvordering toe om betaling zo nodig in rechte af te dwingen,2 maar zelfs indien het instellen daarvan leidt tot een voor hem positief resultaat (een veroordeling van zijn schuldenaar in rechte), betekent dit niet dat de schuldeiser de prestatie waarop hij recht heeft, ook daadwerkelijk verkrijgt. Hij zal dan zo nodig verhaal moeten nemen. Van zijn vorderingsrecht maakt een verhaalsrecht deel uit, dat hem het recht geeft verhaal te nemen op in beginsel het gehele vermogen van zijn schuldenaar (art. 3:276 BW en art. 435 lid 1 Rv).3
Waar het vorderingsrecht, de rechtsvordering en het verhaalsrecht betrekking hebben op bevoegdheden van de schuldeiser, corresponderen hiermee termen die betrekking hebben op de positie van de schuldenaar. Met het vorderingsrecht correspondeert de verbintenis die op de schuldenaar rust; de verbintenis betreft dus de materiële schuld van de schuldenaar.4 Met de rechtsvordering correspondeert de rechtsplicht aan de zijde van de schuldenaar. Hij is niet alleen (materieel) verplicht een bepaalde prestatie te verrichten, maar kan daartoe ook (processueel) worden gedwongen.5 De mogelijkheid tot verhaal door de schuldeiser op vermogensbestanddelen van de schuldenaar, wordt gereflecteerd door diens verhaalsaansprakelijkheid.6
91. Hoofdelijke aansprakelijkheid als samenloop van verbintenissen jegens verschillende schuldenaren. In dit onderzoek versta ik onder hoofdelijke aansprakelijkheid in algemene zin – dus los van enig specifiek rechtsstelsel – de verschuldigdheid door meerdere schuldenaren van dezelfde prestatie, of de verplichting van meerdere schuldenaren tot vergoeding van dezelfde schade, waarbij het geheel of gedeeltelijk delgen van de hoofdelijke schuld van rechtswege ook de overige hoofdelijk schuldenaren bevrijdt (voor zover de schuld is gedelgd).7 Naar Nederlands recht gaat het bij hoofdelijke aansprakelijkheid om verbintenissen van meerdere schuldenaren, die samenlopen in die zin, dat nakoming door de ene schuldenaar ook de anderen bevrijdt (art. 6:7 lid 2 BW). Omdat de verschillende verbintenissen corresponderen met vorderingsrechten die op verschillende vermogens kunnen worden verhaald, is de kern van hoofdelijke aansprakelijkheid mijns inziens dat de schuldeiser meerdere verhaalsvermogens ten dienste staan om zich op te verhalen indien de schuldenaren de materiële schuld niet zelf voldoen. Dit brengt mee dat het verhaalsrisico ten aanzien van een schuldenaar niet voor rekening van de schuldeiser komt, maar van de wel solvente hoofdelijk schuldenaren.8
Het Nederlandse recht is soms strikter dan de hiervoor gegeven algemene definitie. Zo voldoen de samenlopende verbintenissen van schadeverzekeraars mijns inziens wél aan deze definitie, maar is naar Nederlands recht toch geen sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid, omdat zij niet een en dezelfde prestatie verschuldigd zijn (art. 6:6 lid 1 BW), maar allebei een eigen prestatie. Ook zijn zij niet allebei wettelijk verplicht tot schadevergoeding (art. 6:102 lid 1 BW), maar uit overeenkomst.9