Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.2.2
3.2.2.2 Pluraliteit van klachtgerechtigden
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946176:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ4289.
HR 26 april 2011, NJ 2011/204.
Dit geldt mijns inziens overigens slechts voor situaties waarin één dader zich ten aanzien van verschillende slachtoffers schuldig maakt aan gelijksoortige klachtdelicten. Dit moet worden onderscheiden van de situatie waarin het plegen van één delict leidt tot meerdere gelijkelijk klachtgerechtigden. In hoofdstuk 4, paragraaf 3.3.2 worden beide scenario’s nader inzichtelijk gemaakt vanuit de bij een klachtdelict betrokken rechtsbetrekkingen. Daarbij komen ook de uiteenlopende juridische gevolgen aan bod.
Het komt voor dat meerdere personen naar aanleiding van een bepaald incident klachtgerechtigd zijn. Bijvoorbeeld in het geval dat één misdrijf tegen meerdere personen is begaan of indien het klachtrecht aan meerdere personen is toegekend.1 De wetgever heeft niet uitgesloten dat één klacht van één van hen volstaat om te kunnen overgaan tot vervolging, waarbij geen overeenstemming over de wenselijkheid van de vervolging hoeft te bestaan tussen de verschillende klachtgerechtigden.2 De Hoge Raad heeft in 2004 echter uitgemaakt dat dit niet opgaat voor vervolgingen ter zake van belaging. De Hoge Raad erkent dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever niet heeft uitgesloten dat in bepaalde gevallen waarin meerdere personen gelijkelijk als klachtgerechtigden zijn aangewezen, de vervolging kan worden ingesteld indien één van hen een klacht heeft ingediend. Dit ontleent de Hoge Raad aan de wetsgeschiedenis van de wijziging van titel VII in Boek I van het Wetboek van Strafrecht in 1985. De Hoge Raad wijst er echter op dat het klachtdelict belaging pas nadien is ingevoerd en dat uit de ontstaansgeschiedenis van die strafbepaling volgt dat het slachtoffer van belaging steeds zelfstandig moet kunnen bepalen of hij of zij geconfronteerd wil worden met de gevolgen van een strafvervolging. Volgens de Hoge Raad verzet de ratio van het klachtvereiste bij deze bepaling zich ertegen dat de ene klachtgerechtigde zou kunnen bewerkstelligen dat de mogelijkheid van strafvervolging ook zou worden geopend voor zover het feit of de feiten zijn begaan tegen medeslachtoffers. Dit zou evenmin stroken met het doel van art. 164 Sv, waarin is bepaald dat een klacht wordt ingediend door de daartoe gerechtigde persoon of door een daartoe schriftelijk gevolmachtigd persoon, nu die bepaling ertoe strekt te doen vaststaan dat de klachtgerechtigde zelf wenst dat een strafvervolging wordt ingesteld. De Hoge Raad concludeert dat het gerechtshof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat in het geval van art. 285b Sr bij pluraliteit van klachtgerechtigden kan worden volstaan met één rechtsgeldige klacht.3 De Hoge Raad bevestigt dit nadien in 2011 door – in een zaak die zag op de belaging van een gezin – te oordelen dat de klacht van de vader niet tevens kan gelden als een klacht van zijn echtgenote en van hun kinderen die ouder dan 16 jaren zijn.4
Ik kan mij goed vinden in het oordeel van de Hoge Raad dat de ratio van het klachtvereiste zich ertegen verzet dat het ene slachtoffer door middel van een klacht de vervolging kan openstellen van feiten die zien op een ander slachtoffer. Ik zie echter geen grond om deze lijn in de jurisprudentie te beperken tot het delict belaging. Het oordeel van de Hoge Raad is terug te voeren op de ratio achter het klachtdelict belaging, maar dit is dezelfde ratio die in bredere zin ten grondslag ligt aan de regeling van klachtdelicten. Ook het tweede argument – dat is geënt op het doel van art. 164 Sv – gaat op voor alle klachtdelicten. De Hoge Raad voelt zich kennelijk vrij deze lijn te handhaven ten aanzien van belaging nu die bepaling is ingevoerd, nadat in 1985 in wetsgeschiedenis is verwoord dat met één klacht kan worden volstaan in geval sprake is van meerdere klachtgerechtigden. Er gaat echter onvoldoende aandacht uit naar het feit dat dit een toelichting betrof op de vertegenwoordigingsregeling in art. 65 Sr. Het maakt zeer wel verschil of twee personen gelijkelijk klachtgerechtigd zijn als vertegenwoordiger van een ander of dat sprake is van twee slachtoffers van een (soortgelijk) klachtdelict. Er bestaat mijns inziens dan ook aanleiding de lijn die de Hoge Raad heeft uitgezet voor pluraliteit van klachtgerechtigden inzake belaging breder te trekken en deze lijn te handhaven voor alle klachtdelicten. In die zin dat de klacht van het ene slachtoffer de mogelijkheid van vervolging niet openstelt voor zover de feiten zien op een ander klachtgerechtigd slachtoffer dat niet heeft geklaagd.5
Daarbij kan de kanttekening worden geplaatst dat aan het bestaan van klachtdelicten de idee ten grondslag ligt dat het algemene belang wordt gewogen tegen het bijzondere belang en dat die belangenafweging anders kan uitvallen indien een dader zich meermaals schuldig maakt aan gelijksoortige klachtdelicten. Het bijzondere belang betreft het belang van het specifieke slachtoffer dat het feit ondergaat. Het algemeen belang is daarentegen gelegen in het ter verantwoording roepen van de dader. Het algemeen belang dat bestaat bij justitieel ingrijpen tegen één dader kan dan ook toenemen, indien die dader zich meermaals schuldig maakt aan soortgelijke klachtdelicten. De verschillende rechtskrenkingen cumuleren als het ware tot een zwaarwegender algemeen belang, dat kan opwegen tegen de afzonderlijke private belangen. De wet voorziet thans niet in mogelijkheden om hiermee rekening te houden. Het is dus aan de wetgever om de aan het klachtvereiste ten grondslag liggende belangenafweging eventueel te herijken. In dit verband kan een wettelijke uitzondering op het klachtvereiste worden overwogen in het geval dat politie en justitie redelijkerwijs vermoeden dat een dader zich ten aanzien van meerdere slachtoffers schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke klachtdelicten.