Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.1:IV.1.1. Het quasi-legaat; een nieuw fenomeen?
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.1
IV.1.1. Het quasi-legaat; een nieuw fenomeen?
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577927:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Heeft Nederland met het quasi-legaat een nieuw fenomeen? Het quasi-legaat is niet een nieuw soort uiterste wilsbeschikking. De quasi-legatenregeling is slechts een nieuw onderdeel van het systeem dat de rangorde tussen de verschillende soorten crediteuren van de nalatenschap regelt. De figuren die aangemerkt worden als quasi-legaten zijn niet nieuw, doch zijn met de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht in een ander daglicht komen te staan. Nieuw is slechts de plaats die deze rechtsfiguren in het erfrecht in de schuideisers-rangorderegeling hebben gekregen.
Van het quasi-legaat ontbreekt een definitie. De wetgever duidt in art. 4:126 BW slechts bepaalde rechtshandelingen of overeenkomsten aan die in de sfeer van inkorting en vermindering een speciale behandeling krijgen. Hier en daar doet de wetgever het echter voorkomen alsof het ‘quasi-legaat’ wel degelijk een nieuw fenomeen zou zijn. Zie hierna bijvoorbeeld par. 1.9 en par. 1.13 van dit hoofdstuk. De rechtshandelingen die in art. 4:126 BW zijn opgenomen bestonden, zoals gezegd, ook onder het oude recht. Het is niet art. 4:126 BW dat ze toelaat. Het bestaansrecht wordt ontleend aan het algemene vermogensrecht en aan art. 4:4 lid 2 BW, alsmede aan de nieuwe schenkingsregeling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Het leerstuk van het quasi-legaat dient geplaatst te worden in het licht van de definitie van de uiterste wilsbeschikking van art. 4:42 lid 1 BW. Verwezen wordt naar hoofdstuk I. Het element ‘overlijden’ vervult zowel bij de uiterste wilsbeschikking als bij het quasi-legaat een belangrijke rol. Dit ‘element’ brengt ons in erfrechtelijke sferen. Het soepele verbod van art. 4:4 lid 2 BW, voor de behandeling waarvan verwezen wordt naar hoofdstuk III, vervult een belangrijke brugfunctie: de overeenkomsten die onder de werking van art. 4:126 BW vallen, worden niet gegrepen door dit verbod. De minister:
‘De materie van de “overeenkomst over eigen nalatenschap” staat in nauw verband met twee andere onderwerpen, te weten de omschrijving van het begrip uiterste wilsbeschikking en het begrip schenking na dode.’1
Ter verduidelijking van deze brugfunctie: de schenking na dode kan als overeenkomst nooit een uiterste wilsbeschikking zijn, maar wel een quasi-legaat als bedoeld in artikel 4:126 lid 1 BW, voor zover die niet verboden is door art. 4:4 lid 2 BW. In de regel zal een overeenkomst met werking na overlijden niet snel door het verbod van art. 4:4 lid 2 BW worden getroffen. Art. 4:126 BW kan in dit kader gezien worden als rem ten behoeve van (bepaalde) schuldeisers tegen de werking van het soepele art. 4:4 lid 2 BW. Overeenkomsten die het element ‘werkend na overlijden’ in zich bergen, zijn niet (direct) onderworpen aan het keurslijf van de uiterste wilsbeschikking.2