De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.3.1:4.3.1 Inleiding
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.3.1
4.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS390888:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hij maakt een iets ander onderscheid tussen ‘opvolgingsbesluiten’ en ‘zelfwerkende besluiten’. P. Ingelse ‘Mede-ondernemen en concernenquête’, TAO 2012-1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De WOR heeft als uitgangspunt dat één ondernemer één onderneming in stand houdt en dat daaraan één or is verbonden. De ondernemer is degene die het beleid bepaalt, concrete beslissingen neemt en – vertegenwoordigd door de bestuurder – de verplichtingen op grond van de WOR naleeft. In concernverhoudingen kan niet worden uitgegaan van deze eenvoudige situatie. In concernverhoudingen wordt de (feitelijke) zeggenschap vaak namelijk niet (alleen) uitgeoefend door de eigen ondernemer, maar ook door de moedervennootschap en eventuele andere concernmaatschappijen. Nu de or alleen bevoegdheden heeft jegens de eigen ondernemer kan het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ problematisch zijn.
Hieronder bespreek ik verschillende problemen met betrekking tot medezeggenschap in concernverhoudingen. Ik maak daarbij een onderscheid tussen twee verschillende soorten (voorgenomen) besluiten: opvolgingsbesluiten en rechtstreeks werkende besluiten. Deze onderverdeling is geïnspireerd op een onderverdeling die Ingelse eerder maakte.1 De eerste categorie betreft besluiten waarbij de strategische beslissing door de moedervennootschap wordt voorgenomen, maar die daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden door de dochtervennootschap. Een voorbeeld is het strategische besluit van een verzekeringsconcern om voortaan alleen nog maar levensverzekeringen en geen zaaksverzekeringen te sluiten, wat ertoe leidt dat de dochtervennootschap aanzienlijk moet inkrimpen. De invloed van de moedervennootschap bestaat in dit geval uit de uitoefening van de centrale leiding.
De tweede categorie besluiten betreft (voorgenomen) besluiten die alleen door de moedervennootschap zelf kunnen worden genomen, maar rechtstreeks doorwerken in de onderneming van de dochtervennootschap. Het gaat hier niet om besluiten die het bestuur van de moedervennootschap neemt ter uitoefening van de centrale leiding, maar om besluiten die de moedervennootschap neemt uit hoofde van haar aandeelhouderschap. Ook besluiten die de moedervennootschap neemt namens het gehele concern, zoals het afsluiten van een concernkrediet, behoren tot de laatste categorie. Deze besluiten vereisen dus geen uitvoering op het niveau van de dochtervennootschap, maar werken rechtstreeks door in de onderneming van de dochter.